Als je wint, heb je vrienden

Dertien jaar. Zo lang hebben Erik Dekker, Servais Knaven en de rest van wielergek Nederland moeten wachten op een Nederlandse winnaar van een wielerklassieker. Niki Terpstra toonde zijn klasse in Parijs-Roubaix. Maar hij moest daarvoor wel vriend, vijand en zijn eigen kopman naar de kroon steken.

Door Training Sterk. Zelfs de wielerploeg waar Niki Terpstra zijn eerste stappen zette in het wielrennen ademt zijn mentaliteit. Hard werken, daar wordt je beter van. Of zoals Thijs Zonneveld hem omschreef in een column in het Algemeen Dagblad: “Niki Terpstra rijdt zijn hele leven al alleen. Hij heeft zijn eigen carrière gemaakt. Hij is niet opgeleid door een grote ploeg met veel geld, hij had geen sponsor die hem ergens naar binnen lulde, hij liftte niet mee op de bagagedrager van een of andere vedette.” Niki moest helemaal alleen goed worden en dat is gelukt. Vanaf de eerste maanden van 2014 kwam hij in beeld. Hij reed mee, streed mee en won. Voornamelijk in Vlaanderen.

Boonen

Zonder enige vorm van gêne noemen de Belgen de Ronde van Vlaanderen de Hoogmis van het wielerjaar. Een hoogmis is de meest vooraanstaande mis die op zondagen en op feestdagen in de kerk wordt gehouden. Niet bepaald een bescheiden manier van het omschrijven van een klassieker. Maar gezien de historie kijken de Belgen terecht uit naar deze en andere Vlaamse klassiekers. Want, ze zijn er goed in. En nog belangrijker, ze winnen vaak. Met name de laatste jaren harkt Tom Boonen de overwinningen in de kasseienritten bijeen. Normaal gesproken wordt er niet getoornd aan de heerschappij van kopman Boonen. Alle andere renners rijden in dienst van deze Vlaamse wielerheld. Zelfs een bikkel als Niki Terpstra moet in de schaduw rijden van Tom, ondanks dat Tom niet goed rijdt in 2014.

Het begint allemaal in de Omloop het Nieuwsblad. Door de website van de organisatie omschreven als ‘de openingswedstrijd van het klassieke wielervoorjaar. Een dag waar renners en wielerliefhebbers maanden reikhalzend naar uitkijken. Draaien en keren door de Vlaamse Ardennen, dokkeren over kasseien en vechten tegen de wind.’ Aan chauvinistische toon geen gebrek, maar ergens hebben ze wel gelijk. Wie van kasseien houdt, kijkt uit naar deze race.

Zo ook Tom Boonen. Tommeke stond aan de start en viel tegen. Zo erg dat er in de pers gespeculeerd werd over zijn kopmanschap. Want 33ste worden in een wedstrijd die jou moet liggen, dat is niet goed. ‘Hij had het te koud om goed te rijden.’ Maar wat voor Tom misschien nog erger was, was dat vele van zijn ploeggenoten bij Omega-Pharma Quick-Step voor hem eindigden. Zo ook Niki Terpstra. Tot groot genoegen van de Nederlandse fans. Zou opperhoofd Tom dan vervangen gaan worden daar knecht Niki?

Misschien

Slechts een dag later leek Boonen iedereen weer de mond te snoeren. Door in Kuurne-Brussel-Kuurne de overwinning op zijn naam te schrijven. Maar het wegblijven van de kritiek zou van korte duur zijn. Het is nota bene Niki Terpstra die zelf het vuurtje aanwakkert door ongelofelijk hard te fietsen.

Dwars door Vlaanderen 2014. Een wedstrijd die Niki twee jaar eerder al eens op zijn naam schreef. Toen als knecht, nu als knecht. Maar toch is het dit jaar anders. Hetzelfde en toch ook niet. Want dit jaar, was hij fantastisch goed. Het verslag van deze wedstrijd kan grotendeels als formaliteit worden afgedaan. Renners in de aanval. Nog meer renners in de aanval. Sodeju, wat een hoop renners in de aanval. O, kijk nou, een kopgroep. Maar liefst 23 renners maken zich los van het peloton en gaan samen op weg naar niets. Niets omdat het peloton begint te werken. De voorsprong die met veel bloed, zweet en tranen bij elkaar wordt gefietst, verdwijnt als sneeuw voor het matte, koude voorjaarszonnetje. Een voor een worden de renners vooraan geslachtofferd. De afvalrace is het beste te vergelijken met Dodenrit van Dr P. ‘Ja, Waregem is een mooie stad, maar wel iets te ver weg.’

Na iedere helling op de route worden aanvallers door pijn en vermoeidheid uit de trojka gelost. Om dan niet veel later verslonden te worden door het peloton dat als een troep wolven op jacht is. Iedere troep heeft een leider en dat is niet Boonen, maar Terpstra. Langzaam sluipt het peloton naar de groep koplopers die inmiddels nog maar uit zeven man bestaat. Dertig kilometer te gaan. En dan, pats. Op de steile Paterberg die bekleed is met die o zo vervelende kasseien, plaatst Terpstra zijn aanval.

Als een windvlaag vliegt hij de renners voorbij. Op die pokkestenen. De onmachtige aanvallers hadden hun heil al gezocht op de geasfalteerde randen van de weg. Even niet de pijn van de continu opstuitende fiets die door beide armen moet worden tegen gehouden. Als een steigerend paard dreigt het stalen ros onder de lichamen weg geslagen te worden. Maar waar anderen dit gevoel het liefst voorkomen, kickt Niki erop. Juist over die kasseien rijden. Daar is de ruimte, daar is het gat, daar kun je erlangs. En hij gaat erlangs.

Niemand kan Terpstra volgen. Harde werkers van de grote mannen zetten zich op kop in een poging om een ontketende Terpstra terug te halen. Zonder resultaat. Hij rijdt rap een halve minuut voorsprong bijeen. En geeft er solo bijna niks van weg. Twintig tellen houdt hij over aan de finish. En waar eindigt Boonen? Als 14de. In een groep renners die zich lang niet allemaal kopman mogen noemen, eindigt Tornado Tom achter een heel keurslijf aan knechten, waaronder de zijne. Wederom geen eer voor de Belg. “Ik keek vooruit, zag niets. Ik dacht niet na, ik fietste gewoon. Ik had in mijn benen pijn, maar ik wilde de snelste zijn. Ze halen me nooit meer in, ik dacht: verdomd, ik win.” Dit is niet zomaar een toevoeging van enkele zinnen uit het lied ‘Als je wint, heb je vrienden’. Dit is de reactie van Niki Terpstra, na afloop van deze wedstrijd. En waarschijnlijk onbedoeld, omschrijven deze woorden precies wat er zich de komende weken nog allemaal zou afspelen.

Dan toch?

De discussie over Boonen of Terpstra als kopman bereikt zijn hoogtepunt voor en na de Ronde van Vlaanderen. Vlaanderens mooiste. De Ronde. De hoogmis. In een interview met de NOS laat Boonen van zich horen. “Fysiek ben ik er klaar voor. Ik beschouw mezelf niet als topfavoriet, maar als ik start, behoor ik sowieso tot de kanshebbers. Ik durf niet te zeggen dat Terpstra verder is dan ik. Ik denk dat Niki de voorbije weken in de finales was waar ik moest zijn, maar we weten allemaal hoe dat kwam van mijn kant.” Dit is olie op het vuur van de Nederlandse fans. ‘Wie denkt die Boonen wel niet dat hij is. Rijdt geen deuk in een pakje boter en zegt dan dat Niki er net zo belabberd voor zou staan?’

Patrick Lefevre, ploegmanager van Boonen en Terpstra, probeert de discussie te sussen. “Niki en Tom zijn onze kopmannen en Stybar is onze schaduwkopman”, zo klinkt het in een interview met Het Nieuwsblad. Ook Terpstra doet de discussie stommen. In de Telegraaf laat Terpstra weten: “Mijn taak is om in de finale nog bij Boonen te zitten. Zit ik na de laatste beklimming van de Oude Kwaremont en de Paterberg nog voorin, dan is het goed en kunnen wij zien wat mijn kansen nog zijn.”

De Ronde wordt een blamage voor de renners van Omega-Pharma Quick-Step. Met maar liefst drie renners eindigen ze bij de beste tien. Een goed resultaat zou je denken, maar beide kopmannen faalden en meesterknecht Stijn Vandenbergh presteert het beste met een vierde plaats. Terpstra en Boonen eindigen respectievelijk 6de en 7de.

De hel

En dan is het tijd voor de laatste kasseienklassieker van het jaar; Parijs-Roubaix. De Hel van het Noorden. Of misschien een onbekendere voornaam, de koningin der klassiekers. Dertien jaar was het sinds de laatste Nederlandse overwinning in dit evenement in 2000. De beelden staan op de netvliezen gebrand van vele fans. Het witte pak van Servais Knaven dat verschuild ging onder een dikke laag modder. Zijn gezicht dat door diezelfde opspattende drab niet meer te herkennen was. Het bijna vallen bij het oprijden van de wielerbaan in Roubaix. De al fietsende high-five met mensen van de ploeg. Wederom bijna vallen omdat hij daardoor uit balans raakt. Het schoonpoetsen van zijn shirt, zodat hij op de streep kon laten zien voor welk team hij reed. We weten alles nog. Maar het was zo lang geleden.

Hoe anders was de race in 2014. Droog en met een zonnetje in de rug gingen de renners op weg op. Miljoenen mensen leken langs de kant te staan om de gladiatoren op de fiets aan zich voorbij te laten razen. 257 kilometer van Parijs naar Roubaix. Zevenentwintig kasseistroken, variërend van 200 meter lang tot 3700 meter lang. In totaal bijna 49,5 kilometer stuiteren op een frame van carbon waarvan je hoopt dat het je niet onderuit gooit, terwijl je tegelijkertijd bidt dat degene naast je minstens zoveel controle heeft over zijn ros.

De race staat bol van de spanning. Valpartijen hier en daar, gaten door de wind en de vermoeidheid die later om de hoek komen kijken en lekke banden. Heel veel lekke banden. Om de zoveel meter lijkt het alsof er een eenzaam figuur tussen de fans staat. Hij zwaait met een dun aluminium hoepel met wat spaken erin. Lek. En dan kun je niks. Op de spijkerharde kasseien is het onmogelijk om zonder wat lucht in de banden voort te ploeteren. En dat terwijl ze al met minder druk op de bandjes vertrekken in deze races. De hoop dat het wat zachter staan van de band de pijn op de polsen, ellenbogen en schouders enigszins doet verminderen. Tegen beter weten in. Een ding is zeker. Met meer lucht, wordt het er zeker niet beter op.

Het belangrijkste om te voorkomen in de race is toch het voorkomen van valpartijen. De afloop daarvan is altijd onduidelijk. Heb je mazzel, dan mankeer je niks. Heb je pech, dan kun je gelijk naar huis toe. Iemand die dat heel goed weet is Fabian Cancellara. De Beer van Bern moest in de afgelopen jaren wel vaker opgeven door vreemde valpartijen. Niet alleen op de benauwde, krappe en drukke kasseistroken, maar ook midden op de verharde weg die kurkdroog was en dus eenvoudig te overbruggen zou moeten zijn. Alles kan op ieder moment misgaan.

Rollen

Buiten de vroege kopgroep kent de race nog een interessant wapenfeit; de demarrage van Tom Boonen. De man die zo slecht in vorm was, die steevast zijn knechten voor hem zag eindigen, besloot om 50 kilometer van de streep een aanval te plaatsen. Een moment waarop de knechten vaak gaan om druk te zetten op de kopmannen. Heeft Boonen zich dan in extremis neergelegd bij de suprematie van zijn meesterknecht? Na twee keer te zijn lek gereden die dag, besluit hij om niet langer te wachten en zijn lot in eigen handen te nemen. Met een splijtende demarrage rijdt hij weg uit de groep waarin alle favorieten nog aanwezig zijn. Hij krijgt enkele renners met zich mee, maar zij zijn niet gek. Met Boonen naar de streep, hoe slecht hij ook in vorm is, is zelfmoord. Dat win je niet. En dus, ondank nog enkele verwoede pogingen van de Belg, faalt zijn poging.

De hele wedstrijd blijkt uiteindelijk een slijtageslag te worden. Met iedere gereden kilometer over de kinderkopjes van de verschillende stroken worden er meer en meer mensen afgereden. Tot er een elite groep overblijft. De beste van de beste. Zij die houden van het gevoel dat je op je fiets een whiplash krijgt. En zij schromen niet om een voor een ten aanval te trekken. Het doet zeer bij iedereen, maar ze hopen dat de ene meer afziet dan zijzelf. Peter Sagan slaagt er uiteindelijk in om los te komen. Hij rolt eerst Boonen op, voordat deze door de rest van de favorieten voorbij wordt gereden. Cancellara, Vanmarcke, Degenkolb en Stybar openen de jacht op de Slowaak. Uiteindelijk ontstaat er een groep van vijf die op negen kilometer van de streep uitgebreid wordt naar elf.

Dan begint het kijken. Het loeren. Wie heeft er nog wat over en wie is er leeg? Wie kan ik hebben in een sprint en wie mag niet wegrijden? Heb ik nog knechten hier of zit ik alleen? Als ik nu ga, heb ik dan wel genoeg om weg te blijven? Wat als ik te vroeg ga en net voor de streep strand? Dat zou erg zijn. Zo dichtbij en toch net niet ver genoeg. Wat als ik nu nog materiaal pech krijg? Wat als iemand anders gaat? Wacht ik dan of spring ik gelijk op het wiel? Het is een groot pokerspel van twijfel. Maar dan met fietsen.

Midden tussen de pokerfaces zit een hardwerkende Nederlander. Heel de dag is hij erbij geweest. Als iemand een meter pakte, probeerde hij die terug te winnen. Als een haviksoog keek de vlijmscherpe renner naar de wielen die om hem heen dartelden. Geen discussies over kopmannen. Geen vraag of hij goed genoeg is. Gewoon beuken en die fiets vasthouden terwijl je ermee bezig bent. Geen meter toegeven zonder dat die andere ervoor moet werken. Moet vechten en afzien. Met het mes tussen de tandenkoersen. En in een moment van helderheid ziet die Nederlander dat hij op alle gebieden de beste is.

Eeuwigheid

“En daar gaat Terpstra”, zegt Mart Smeets rustig in de huiskamers tegen de kijkers. De kijkers die allang zagen wie er wegreed. Wie anders kan er op zo’n typisch Hollandse manier wegrijden. Op zijn Zoetemelks. Op kousenvoeten en zonder uit het zadel te komen. Gewoon op de macht. Geen splijtende demarrage. Geen tussensprint om een gat te slaan. Geen katachtige stuurbewegingen. Nee. Gewoon harder rijden dan de rest. Blik op oneindig en gaan. Het doet pijn, maar dat doet het bij iedereen. “De ventieltjes zijn leeg”, stelt Smeets vast, wanneer de camera’s de grote groep achtervolgers in beeld brengen. Maar Niki zijn ventieltje is niet leeg, zijn band staat nog spijkerhard.

Tien seconden. Hij pakt een gat van slechts tien seconden. Wat kun je nou in tien seconden? Je hart kan tussen de 10 en 12 keer slaan. Bij rust. Maar voor de eenzame fietser is er geen rust. Niki moet blijven geven. Als hij dacht dat de voorgaande 250 kilometer zwaar waren, dan kent hij deze nog niet. Maar 6,3 kilometer. Hij draait er normaal zijn hand niet voor om. Maar deze dag is geen normale dag.

Maar wat kan een wielrenner nou in tien seconden? Je kan Parijs-Roubaix winnen. Maar dan moet je die tien seconden vasthouden. Dan moet je bikkelen. Wielrennen is nou eenmaal geen sport met veel franje. Wielrennen is de sport van het afzien. Mannen die elkaar gedurende een hele dag op de fiets afbeulen. Elkaar pijn doen. Niet door te slaan of door te schoppen. Nee, maar door harder te trappen dan ze kunnen. Harder dan ze zelf hadden gedacht.

“Hij begint hier nu al aan het bochtenwerk”, roept Michel Wuyts enthousiast op de Belgische televisie. “En dan zijn fiere entree op de wielerbaan. Dan kan het niet meer mislopen.” En dat kan het ook niet meer. Niets staat hem nu een overwinning nog in de weg. Tien hartslagen de tijd hebben plaatsgemaakt voor maar liefst drieëntwintig. Hij heeft afgezien, maar minder dat de rest.

‘DING DING DING!’ De bel voor de laatste ronde. De pijn maakt plaats voor energie. Adrenaline. De pure kick van het winnen ver voor je over die streep rijdt. Maar het is net gewoon winnen. “Dit is de eeuwigheid ingaan, geschiedenis schrijven”, schreeuwt Karl Vannieuwkerke de Belgische wielerfans van Sporza toe. En Niki weet ook wat deze overwinning betekent. Dit zijn de verhalen die neergepend worden in wielerboeken. Dit zijn de wedstrijden die over tien jaar nog herbeleefd worden. Dit zijn verhalen die kinderen aanzetten tot wielrennen. ‘Dat wil ik ook papa, dat wat Niki nu doet!’ En dat moet Niki ooit zelf ook gedacht hebben. Toen Servais Knaven het kunstje ook flikte in 2001. Een toen al wieler enthousiaste Niki zat ongetwijfeld voor de buis en dacht: ”Wow. Als dat toch eens mogelijk was.” En het is mogelijk.

Daar doemt de witte streep op in het blikveld van zijn zwarte zonnebril. De bril die heel de dag al te leiden heeft gehad onder de tegemoet vliegende modder. Hij mag gaan juichen. Hij mag zich winnaar van dit wielermonument noemen. Hij heeft het hem geflikt. Al het afzien, opletten, wielen in de gaten houden, goede lijnen op de stroken rijden, gaten dichtvlammen voor Boonen, het is allemaal niet voor niks geweest. Hij kijkt nog een keer achterom. “Hier beseft hij het!” legt Vannieuwkerke uit, “Ik ga verdomme Parijs Roubaix winnen!”

Dan staat hem nu nog maar een klus te klaren. De handen van het stuur en juichen. Hij doet het. En hoe! Langzaam gaat zijn rechterhand omhoog. Even zoeken naar zijn evenwicht. Dan het tweede handje. Samen gaan ze de lucht in. Zoals zo veel andere voor hem deden en toch nooit zoals hij. Armen omhoog en een oerschreeuw verlaat de mond van Niki. Hij is niet langer meer Niki Terpstra uit Assendelft, maar Niki van de eeuwigheid.

En na afloop geen heldenepos in liedjesvorm. Geen ‘Bloed, zweet en tranen’ van André Hazes. Geen ‘Helden’ van The Scene. Alleen maar een jeugdherinnering. “Parijs-Roubaix winnen, dat is echt een jongensdroom.”

 

FOTO van Thomas Ducroquet via Wikimedia

1 reactie

Reageer op dit artikel