‘Als de molen draait, stopt het hoofd met malen’

Donderdagmiddag in Schoorl. De kerkklok luidt twaalf uur. Het repetitieve gegalm drijft met de wind mee over het weiland en verdwijnt in het bos. De deuren van basisschool Teun de Jager vliegen open en enthousiaste kinderstemmen verdringen de stilte die kort daarvoor heerste. Al snel vult de smalle strook asfalt zich met vaders die kinderwagens vooruitduwen en moeders met kroost voor- of achterop hun fiets.

Fred Prins zit op een klapstoeltje voor ‘zijn’ korenmolen en aanschouwt het komen en gaan van ouders en kinderen. Hij eet zijn boterham met kaas en wuift zo nu en dan naar een bekende. Hij is al lang geen vreemde meer in het Noord-Hollandse dorp. Door zijn werk op Kijkduin, de molen, is hij nu een vertrouwd gezicht. Het is dan ook haast ondenkbaar dat de 67-jarige pas op zijn veertigste voor het eerst een molen zag. “Ik kom uit Rotterdam. Daar zijn helemaal geen molens meer over. Die stad is zo groot dat als je er niet buiten hoeft te zijn, je er ook niet buiten komt. Maar in 1990 kreeg ik een relatie met iemand uit Alkmaar en toen zag ik ineens overal molens.”

Kijkduin
Fred Prins maakt de wieken van de molen los

Zijn ogen beginnen te glimmen terwijl Fred enthousiast vertelt dat hij gefascineerd was door het feit dat de molens zo oud zijn, maar er toch nog steeds staan. “Toen vertelde iemand mij dat er een gilde voor vrijwillig molenaars is, die al die molens in Nederland als ze kunnen draaien ook laten draaien. Dat leek mij een goede manier om de mensen hier te leren kennen.” Fred besloot daarop om bij een molenaar in de leer te gaan.

Meester Molenaar

Fred volgde vijf jaar lang de opleiding tot molenaar, ging daarna als beroeps aan de slag in Schiedam en sloot zich aan bij het Gilde voor Korenmolenaars. Toch stopte het studeren daar niet. “Als je tien jaar als gezel bij het gilde actief bent, kan je worden gevraagd om de meesterproef af te leggen. In al de tijd die daaraan voorafgaat, ben je aan het leren. Je komt zoveel problemen tegen dat je op zoek gaat naar oplossingen. Je kijkt of er over geschreven is, hoe andere molenaars het ervaren en of er kennis van vroeger bewaard is gebleven. Ik ben tien jaar bezig geweest met een maalkoppel. Dat is ambacht, dat vind ik leuk.”

Vorig jaar legde Fred de meesterproef af en werd daarmee één van de negen Meester Molenaars in ons land. Dat er daar maar zo weinig van zijn, verklaart Fred door met een glimlach om zijn mond over zijn beproeving te vertellen. “Voor de deur van de molen ligt een oude molensteen die we nu gebruiken als droogloopmat. Tijdens zo’n proef komen er drie Meester Molenaars en die gaan je anderhalf uur vragen stellen over die steen. Je moet alles weten over de soort steen, maar ook over de groeven. Wat de straal is, waarom de groeven niet in het midden uitkomen als je ze door trekt en wat de hoek doet. Als de tijd om is, dan zijn de Meesters nog lang niet uitgevraagd.”

Er verschijnt een diepe rimpel in Freds voorhoofd. Duidelijk bezwaard vertelt hij dat hij als Meester nu ook proeven af moet nemen. “Dat vind ik niet leuk. Het ligt absoluut niet in mijn aard om een oordeel over anderen te vellen. Over hun werk of over hun bezigheden.” Ook het vuur aan iemands schenen leggen, is niets voor Fred. “Ik krijg dan onmiddellijk de neiging om dingen uit te leggen en het te vertellen.”

Molenaar In opleiding

Juist op het moment dat Fred vertelt over zijn passie om anderen kennis bij te brengen, komt Tessa aangewandeld. Zij is een MIO, Molenaar In Opleiding, en is in de leer op Kijkduin. Snel stelt zij zich voor en kijkt dan vragend naar de Meester. “Ik heb op je gewacht, we moeten nog kruien.”

Het kruien, of de molen op de wind zetten, is een arbeidsintensief proces. Met behulp van een wiel op de grond, draait de molenaar de kap van de windmolen zo dat de wieken tegen de klok in draaien als de wind waait. Als ze rechtsom gaan, werkt het remsysteem niet meer. Tessa is duidelijk niet vies van hard werken. Ze stroopt haar mouwen op en loopt vastberaden naar het wiel. Samen met haar zoontje Bauke draait ze onder toeziend oog van Fred aan het rad. Ze grijpt de hoge handsvaten en trekt ze met al haar kracht omlaag. Boven haar hoofd komt de kap onder luid gekraak in beweging.

Kijkduin
Fred, Bauke en Tessa kruien de kap van de molen

Ook Tessa komt oorspronkelijk niet uit Schoorl. In 2015 is zij hier samen met haar gezin komen wonen. Toen ze Kijkduin zag, was het liefde op eerste gezicht. “Mijn overgrootvader was molenaar, mijn opa was molenaar, dus als kind kwam ik heel veel op de molen. Toen ik deze molen zag, riep ik dan ook gelijk: ‘dat is dezelfde als die van mijn opa!’” Ondertussen is het molenaarskleinkind al bijna een jaar in de leer bij Fred, die haar de fijne kneepjes van het vak leert. Voor haar een vanzelfsprekende keuze. “Ik heb door mijn hele leven molens getekend en ben er altijd door gefascineerd geweest. Het heeft me altijd beziggehouden, als een soort stil verlangen.”

Nadat de wieken in de juiste positie zijn geplaatst, legt Fred uit dat ze maar ‘twee halfjes’ nodig hebben. Tessa begrijpt hem gelijk en klimt in de onderste wiek. Zonder ook maar een spoortje van angst klautert ze zo’n vijf meter omhoog, om daar het zeil los te maken. Op een vlot tempo heeft ze het doek vastgezet en staat ze weer op de grond. Daar draait ze de onderste helft schuin omhoog. De bovenste helft van de wiek is bekleed met zeil. Dan begint de molen met draaien. De volgende wiek wordt overgeslagen, maar de wiek die eerst bovenaan stond, krijgt ook een half zeil. ‘Twee halfjes, want er staat een rukwind.’ Dat is voor een molenaar niet gunstig, legt Fred uit. “Dan wordt het koren niet gelijkmatig gemalen.”

Kijkduin
Kijkduin heeft een spanwijdte van bijna 23 meter

Rustgevend

In de molen is het, ondanks dat er overal lampen hangen en de zon buiten volop schijnt, schemerachtig. De vele spinnenwebben maken het plaatje compleet. Een schilder als Van Gogh zou zijn geluk niet op kunnen. Het voelt er klammig en het ruikt naar oude boeken. De temperatuur is aangenaam, maar verraadt dat het er in de winter bitterkoud moet zijn. De wind giert om de molen. Een geluid dat door het hele gebouw resoneert. Dat moet ook wel, want het is een belangrijke indicator voor de molenaar. Het vertelt hem onder andere welke afstand er tussen de maalstenen moet zitten om goed meel te krijgen. “Alles gaat op geluid. Als hier zeilers komen, dan herkennen ze van alles.”

Kijkduin
De afstand tussen de stenen wordt aangepast via een touw en contragewicht

Buiten komen de wieken in beweging. Eerst langzaam, als een stoomlocomotief die op gang komt, maar dan sneller en sneller. De wieken maken hetzelfde geluid als de wielen van een trein op het spoor. Kedeng, kedeng. Kedeng, kedeng. Daar doorheen hoor je het ratelen van de enorme tandwielen die de maalsteen in beweging brengen. Het klinkt als een pan vet die op een hoog vuur staat te spetteren. De combinatie van geluiden vormt een ritmische compositie die al het andere geluid verdringt. Het heeft een rustgevend effect, wat volgens Tessa aantrekkelijk is voor veel mensen. “Als ik hier ben, kom ik tot rust. Als de molen draait, dan stopt het hoofd met malen. Als je tot de kern komt waarom het hier zo fijn is dan kom je uit op de rust, het ambacht, het werken met de elementen en het weer.”

kijkduin
Tessa zeeft het meel totdat alle zemelen eruit zijn

Nieuwe generatie

Fred en Tessa malen door. Ook de volgende generatie, Tessa’s zoon, staat in de startblokken. Toch moet hij nog een paar jaar wachten. Pas op zijn zestiende mag hij aan de opleiding tot molenaar beginnen. De kans dat hij een betaalde molenaar wordt, is klein. Fred legt uit dat er in Nederland nog ongeveer zo’n honderd betaalde molenaars zijn. Hij was er daar één van en had in 2011 nog zo’n zeven andere molenaars op de loonlijst staan. Toch bestaat het gros uit vrijwilligers. In Nederland draaien er ongeveer 1200 windmolens en die hebben allemaal meerdere vrijwilligers. Dat is een aanzienlijk aantal. “Het is natuurlijk ook niet moeilijk om vrijwilliger te worden. Het is over het algemeen genomen minder aantrekkelijk om ouderen te helpen, dan molenaar te zijn. Je ziet dan ook een groeiend aantal vrouwelijke molenaars. Maar er is nog altijd een tekort aan molenaars en aan vrijwilligers, dus er wordt voortdurend geworven. Aan iedere bezoeker die hier op zaterdag binnenkomt met baby vraag ik steevast of ze hem komen inschrijven. We moeten er vroeg bij zijn.”

De wieken draaien, het graan wordt gemalen en buiten staan er mensen te kijken. Iedereen wordt betoverd door de molen die al sinds 1772 deel uitmaakt van Schoorl. Dezelfde molen die, naar verwachting, ook nog velen eeuwen na ons bestaan een deel uitmaakt van het dorp. Maar om dat te bereiken, zijn er nog vele gepassioneerde molenaars als Fred en Tessa nodig.

Reageer op dit artikel