‘Daar staat tegenover dat ik da vrouwke verrekkes mis’

 “Ik ben net klaar met alles dus ge komt gelegen”, wijst opa Jan naar de opgeruimde keuken. Hij zit aan de tafel in de woonkamer. “Vroeger zat ik hier en dan was jouw oma in de keuken bezig. Maar nu moet ik alles zelf doen jongen.” Mijn oma, oma Mia, overleed vier jaar geleden aan de gevolgen van hartfalen.

Ik neem plaats op de bank, Jan nestelt zich in zijn oude vertrouwde stoel. Jan Spiljard is niet mijn ‘echte’ opa. Toch heeft hij altijd als mijn opa gevoeld. Mijn ‘echte’ opa Wim overleed toen ik zeven maanden oud was. Daar heb ik dus niet zoveel van meegekregen. Hij en Jan waren goede vrienden. Ze leerden elkaar kennen via het werk.

Ik vraag Jan naar zijn carrière. “Veertig jaar aan zo’n kut frasemachine, noem je dat een carrière?”, buldert hij. Hij heeft dus veertig jaar hetzelfde werk gedaan. Toen werd hij buiten geknald. Jan vond het niet erg. “Als het aan mij gelegen had was ik dertig jaar eerder met pensioen gegaan, maar ja dat behoort niet tot de mogelijkheden.” Het was volgens hem niet zozeer het werk zelf waaraan hij een hekel had. “Alleen het vroeg opstaan was al verschrikkelijk. Dat vond ik een kriem.” Hij werkte naar eigen zeggen ook nooit over.  

Eigenzinnig

Achter de vraag hoe Jan terecht is gekomen bij zijn baan schuilt een mooi verhaal. Hij zat vier jaar op de Philips bedrijfsschool, de JNO. Een afkorting die staat voor Jongens Nijverheidsopleiding. Het zegt mij niks, maar dat is niet gek want de opleiding bestaat al even niet meer. “Hoe moet ik dat nu uitleggen?”, peinst hij. “Dan kwam je van school en dan begon je automatisch bij Philips. Baan verzekerd dus.”

Maar nou komt het. Jan begint bij Philips. “Ik kreeg zo’n bak, zo’n grote ijzeren bak voor mijn neus. Zaten veertigduizend van zulke kleine staalplaatjes in.” Hij houdt twee vingers een centimeter of drie uit elkaar. “Moest ik aan de ene kant een hoekje uitponsen op een machine en aan de andere kant een gaatje in ponsen. Toen ben ik naar mijn chef gegaan. Op de eerste dag hè”, benadrukt hij.

 Ik ken Jan al langer dan vandaag en voel aankomen wat hij gaat zeggen. ‘Ben je serieus?’, vraag ik. “Jaaa”, antwoordt hij. “Hey luister, kunde gij regelen dat ik mijn ontslag krijg hier. En de chef boos: ‘vier jaar gestudeerd op de kosten van de firma’. Ik zeg: ‘luister, gullie maken mij hier niet gek jonge’. Ik ben nou weg dus ik hoor het wel.” Jan keert terug naar huis. Na vier jaar gestudeerd te hebben voor een baan bij Philips houdt hij het daar nog geen dag vol.

Tweede poging

Eenmaal thuis krijgt hij de wind van voren. Zijn vader is verschrikkelijk over de zeik: ‘En wat denkte gij allemaal wel niet.’ “Want bij Philips zat je goed”, licht Jan toe. Hij verzekert zijn vader dat hij binnen een week ander werk vindt. Diezelfde middag als dat hij zijn ontslag heeft ingediend stapt hij op zijn fietske en rijdt naar de sigarenfabriek. “Die hadden een machinefabriek erbij.” En dat sprak hem wel aan.

Jan moet zich bij de personeelschef melden. Aan hem legt hij uit hoe het bij Philips is gelopen. De personeelschef vraagt aan Jan wat hij wil doen. “Ik zou wel aan een frasebank willen.” De personeelschef maakt duidelijk dat dat niet voor 1 of 2 jaar is “En dat is dus veertig jaar geworden”, lacht Jan.

Doener

Dat vond hij ook wel prima. Leren was voor hem niks. “Ik hou niet van school en zo. Dat moet ik allemaal niet hebben.” Jan verplaatst zich op de stoel. “Ik heb er een beetje moeite mee als mensen de baas over mij spelen.” Hoe was dat dan bij oma Mia? Hij kan een grijns niet onderdrukken. “Ge wit het hè, als je bij de Gubbels (familienaam van oma) zit hedde niks te zeggen. Maar daar had ik minder moeite mee. Dat was goed geregeld.” Er valt een korte stilte. “Ze luistert wel mee Bassie. Als straks de lichten beginnen te knipperen dan weet je wie het is.” We lachen wat.

Jan was geen voorbeeldige leerling maar zijn prestaties waren er niet minder om. Althans dat beweert hij zelf. Bij Jan heb ik soms het gevoel dat je het met een korreltje zout moet nemen. Hij overdrijft volgens mij nogal eens. Maar ik geloof hem meestal wel. “Op de lagere school haalde ik punten, die grensden tegen het ongelooflijke aan”, weet hij het weer mooi te verwoorden.

Vakman of niet?

Hij wilde alleen zo snel mogelijk aan de slag en belandde dus achter een freesmachine. Veertig jaar van zijn leven besteedde hij er. “Altijd aan de freesbank, anders deed Jantje niks.” Ik zeg: ‘Het was dus een beetje jouw levenspartner.’ Jan: “Ja, maar ik kreeg ooit wel eens een nieuwe, een moderne.” Hij denkt terug aan de tijd dat hij nog werkte. “Ik was echt een ouderwetse frezer.” Wat houdt een ouderwetse frezer in? “Ja, ja, hoe moet ik dat omschrijven. Met weinig middelen, veel kennen maken. Dan hedde wel eens ooit mensen die zeggen dat je een vakman bent.”

Jan vindt dat niet van zichzelf. “Dat hoor je mij niet zeggen. Dat gade niet opschrijven, denkt erom hè jongen.” Wat is dat dan? Is dat bescheidenheid? “Nee, want zo bescheiden ben ik niet. Ik deed een bietje wat ik zelf wou. Ik nam het allemaal niet zo nauw.” De frezer vroeg maar één keer opslag in zijn loopbaan. “Verder niet want ge wist toch al dat je er geen flikker bij kreeg.”

Ik vraag Jan of hij vond dat hij opslag verdiende. “Ik vond dat ik net zoveel moest verdienen als de directeur. Maar zo werkt het helaas niet”, antwoordt hij gevat. Mensen mogen volgens hem best wat meer geld opstrijken als ze ervoor geleerd hebben en slim zijn. “Maar niet ikke een gulden, en hij honderdduizend gulden.”


040

Hij accepteerde het wel. “Ja, wat moet ik dan. Had ik dan met de rooie jeugd molotovcocktails door de ramen moeten gooien. Die bliezen destijds in Eindhoven auto’s op en jaagden dingen tegen gebouwen aan.” Jan leeft al zijn hele leven lang in Eindhoven. Hij is er geboren en getogen. Niet ver van het huis waar ik nu met hem in gesprek ben. Zijn moeder beviel thuis van baby Jan. “Maar dat weet ik niet precies meer hoor. Het is al lang geleden.”

Jan is fijn opgegroeid in Eindhoven. Hij woonde in een gezellig volksbuurtje. Alles liep bij elkaar binnen en iedereen ouwehoerde met elkaar. “Dat is voort veel minder geworden.” Jan speelde ook veel met vriendjes uit de buurt op straat. Wat ze dan deden? “Alles wat God verboden heeft.” ‘Geef eens een paar voorbeelden’, verzoek ik aan hem. “Nee, dat gaan we niet doen Bas. Absoluut niet.”

Verschillende persoonlijkheden

Jan had lieve ouders, vertelt hij. Hij denkt dat hij van alle twee wat hed. “Ons moeder was zo groot”, houdt hij zijn hand net boven de tafel. “Maar die gaf nergens niks om.” ‘Was ze voor jullie streng’? , vraag ik. “Nou, nou, nou,”, begint Jan. “Dat zouden ze vandaag kindermishandeling noemen.” Hij rakelt een anekdote op. “Vroeger hadden ze een waspaal, zon platte. Die hed ze ooit op mijn pols doormidden geslagen.”

Waar de moeder van Jan nog wel eens een tik uitdeelde was de man des huizes vooral verbaal sterk. “Ons vader deed alleen preken.” Jan gaat op zoek naar een bidprentje en pakt zijn bril. “Opa moet zijn brilleke opzetten.” Hij loopt richting de kast en haalt er iets uit. “Dit is mijn archief. Dit zijn mensen die ik ken en er niet meer zijn.”

Voor den duvel niet bang’

De vader van Jan werd 65 jaar oud. “Er zijn er miljoenen op deze bol die het niet worden Bas. Ik zit er wel al overhinne. Mijn vader was de oudste in de familie, maar hij is het jongste gestorven.” Hij overleed aan een ziekte. Eerst kreeg hij darmkanker. Daarvan genas hij. ‘Tussen haakjes’, voegt Jan toe. “En later heeft hij een agressieve vorm van maagkanker gekregen. Toen is hij snel dood gegaan.”  

Ondertussen bladert Jan door het archief. “Godverdomme, heb ik nou geen prentje van mijn moeder. Dat gade toch niet meemaken.” Uiteindelijk vind hij toch iets. “Kijk hier hedde een voorbeeld van hoe ons moeder was.” Jan leest het prentje voor. “Ons moeder was een oma, een bijzondere vrouw, klein van stuk, maar met pit, voor de duvel niet bang. Ja dat was ons mam jonge.”

Ik lees ook dat ze niet van verandering hield en breng dat ter sprake bij Jan. Hij knikt instemmend. “Toen ik Mia leerde kennen, zou ze naar een flatje gaan. Dat was helemaal geregeld. Ze had de sleutel al kregen.” Maar de moeder van Jan heeft er nooit gewoond. Ze overleed. Of dat dan daar aan lag, was volgens hem niet het geval. “Ze vond het niet fijn natuurlijk, maar ons moeder was heel ziek.”

Jan: “Ik kwam op een gegeven moment thuis van het werk. Ze lag op de bank en zei: ‘Ik ga kapot jonge. Ik denk dat ik een hartinfarct heb gekregen of ga krijgen.’ Wat hedde dan? Pijn boven op haar handen en ze noemde nog iets.” Jan belde de huisarts op. Die kwam meteen. “Hebben ze haar vanuit hier naar het ziekenhuis gebracht. Toen nog geprobeerd te dotteren, maar dat haalde niks uit. En toen is ze gelijk gestorven.”

De dood

Jan hield aan het einde haar hand vast. Dat was bij zijn vader niet het geval. “Toen was ik op weg naar het werk. Zeiden ze dat ie overleden was op weg naar het ziekenhuis. Ja, wat heb ik daar aan, aan die flauwekul. Dat schiet niet op.” Door deze uitspraken vind ik Jan soms een beetje bot overkomen. ‘Maar dat is wel erg toch’?, vraag ik hem daarom ook. “Er is zoveel erg Bas daar moet je niet te lang bij stil staan”, adviseert opa mij.

“Ik heb trouwens ook totaal niks met dode mensen”, springt hij in op een ander onderwerp. Ben je dan bang voor de dood? Hij begint te schateren. “Nee joh Bas, kom op. Bang voor de dood dan bende er aan. Als je bang voor de dood bent dan moet je van een flat springen.”

Gemis

Jan laat zijn gevoelige kant zien. “Daar staat tegenover dat ik da vrouwke (oma Mia) verrekkes mis. Het is alweer vier jaar geleden, maar dat dus wel.” Het gemis wordt niet meer. Het leven gaat door voor hem. “Ik ben heel lang alleen geweest. Alleen, maar eigenlijk niet alleen. Ik kan heel erg goed tegen alleen zijn, al zeg ik het zelf.”

Jan begrijpt het begrip eenzaamheid ook niet zo goed. “Wanneer ben je eenzaam? Ik ben toch niet eenzaam. Ik ga een keer in de drie weken met John en Carola (tweelingzus van mijn moeder) eten en ik kom overal. Dan vind ik niet dat ik eenzaam ben.”

Ome John in het midden. Jan staat rechts kenmerkend met zijn handen in zijn zakken.

Wat mis je dan zo aan oma? “Ja, wij gingen altijd fietsen. En dan vaak was het ook nog zo dat oma elke dag op pad wilde. Dat doe ik dus niet.” Jan fietst nog steeds veel. “Ik heb er nog geen erg in. Je hebt mensen die gaan er kapot aan, maar dat werkt niet. Het gaat door”, herhaalt hij. Toch heeft hij verdriet. “We hadden nog jaren samen kunnen gaan fietsen als ze die kloteziekte niet gekregen had. Zo simpel is het.”

Ritueeltje

Die kloteziekte is borstkanker. Oma kreeg een aantal jaar geleden deze diagnose. Een zware klap voor ons mam, voor Jan, voor heel de familie. Haar haar viel uit, ze was erg moe en ze verloor haar smaak. “Allemaal vanwege die klotechemo”, zegt Jan. Ze genas als het ware wel van borstkanker. Maar daarna werd hartfalen vastgesteld bij oma. “Ze had al geen goed hart”, verklaart hij.

Denk je nog veel aan oma? “Denken doe ik er nog steeds aan, bij alles eigenlijk.” Jan wil iets vertellen. “Het klinkt misschien heel gek. Eigenlijk is het heel raar. Maar als ik wegga, zeg ik tegen de foto: ‘Ik ga even weg’. Dan spoor je niet.” Ook als Jan te bed gaat heeft hij een ritueeltje. “Dan zeg ik slaap wel. Dat ken nie, hè Bas. Ze ken niet slapen want ze is in de zee geflikkerd. Ik vind het raar. Maar andere mensen vinden het niet raar.”

Een wereldrecord

Want oma en Jan zijn toch best lang bij elkaar geweest. Hoelang precies? Jan is het even kwijt. “Oh ik heb geen zin om weer in het archief te snuffelen, maar ik doe het toch.” Hij struint opnieuw richting de kast. “Een jaar nadat opa gestorven is kwam ze bij mij inwonen. Van 2001 tot 2015. Zo lang ben ik nooit getrouwd geweest.” Hij is wel ooit eerder getrouwd geweest. Maar liefst negen hele maanden. “Bijna een wereldrecord”, grapt Jan.

Jan heeft zich wel eens afgevraagd waarom hij trouwde. “Om erbij te horen denk ik.” Jan zijn vader zag al dat het geen stand ging houden. “Ik zag het zelf ook wel.” Hield je van die vrouw? “Dat weet ik niet, misschien wel.” Paste oma veel beter bij jou? “Ik vind van wel. Oma zei altijd van niet:  ‘ik snap niet wat ik hier doe bij jou.’” Volgens Jan zat er dan maar een ding op. “Dan gade toch. Maar ze heeft me gefopt. Ze is stiekem gegaan.”

‘Nepopa’ en ‘echte’ opa Wim

We keren terug naar zijn werk. Veertig jaar duurde de verstandhouding tussen hem en de freesmachine. “Tot die ene dag, 68 man Basje, hup eruit.” Hij kreeg nog wel een schrale troost als bedankje mee, een oorkonde voor het 40-jarig jubileum. Jan staat op. “Dat ligt nog ergens op de zolder, helemaal diep achterin een kast weggestopt. Ik hecht daar geen waarde aan. Het geld dat we kregen vond ik veel belangrijker”, grapt hij. Hij stommelt de trap op. Ik roep naar boven of ik hem mee moet helpen. Hij komt terug met een zwart bordje. “22 april 63’ zijn we begonnen jouw opa en jouw nepopa.”

Ik vind het woord nepopa niet leuk en zeg tegen Jan dat ik hem ook niet zo beschouw. Maar mijn ‘echte’ opa Wim en Jan solliciteerden inderdaad op dezelfde dag en werden op dezelfde dag aangenomen. Veertig jaar werkten ze zij aan zij. Het werden goede vrienden van elkaar. “Ik kende Wim al voordat we daar begonnen”, verbetert Jan mij. Waarvan dan? Daar wil Jan geen antwoord op geven.

Oma Mia en Opa Wim

De twee hadden geen moeite met elkaar. Jan omschrijft Wim als een sportieve vrijbuiter. “Zoals het hem uitkwam, zo gebeurde het.” Ik schrijf mee. Het blijft stil. “Ik heb da altijd zonne peer gevonden”, steekt Jan zijn duim in de lucht. Hij pikte Wim jarenlang elke ochtend op om naar het werk te gaan. En dan zag Jan oma. Hoe ging dat toen tussen jou en oma? Jan doet het gebruikelijke gesprekje na. “Heey hoe is het? Goed, ja alles goed. Met jou ook jonge? Prima houdoe. Houdoe.” Hij heeft oma altijd leuk gevonden. “Je oma had wel iets Bas.” Hij kende door de korte bezoekjes de kinderen ook. “Jouw mammie en jouw tantes.”

Beste maat

Wim en Jan stonden samen in het onderhoudsgedeelte van de fabriek. Jan aan de freesmachine, Wim aan de schaafbank. Ook al was Wim zonne peer, Jan had een andere beste maat, een Hongaar. “We zijn elkaar ooit ergens tegen het lijf gelopen.” Toen klikte het gelijk? “Dat kun je wel zeggen ja.” Zie jij die nog wel eens ooit? “Die zie ik regelmatig. Wij hebben vaak contact als het nodig is. Dan ga ik een eindje varen met dat ventje in zijn speedbootje.” Heeft hij zijn eigen boot? “Er is niks wat ie niet hed Bas.”

Wanneer is het nodig? “Als het nodig is”, antwoord Jan droog. “We appen, we bellen, we eten samen een visje. Dat is ook een echte maat. Die zijn er voor u Bas. Is het ’s morgens, is het ’s middags, is het ’s avonds, is het ’s nachts, weer en ontij, ze staan er.” Mijn opa stond er ook voor Jan en alleman, vertelt Jan. “Iedereen vond hem een gouden vent. Niemand zal ooit zeggen: ‘die Wim wat een lul.’”

Geen moment getwijfeld

De klap was daarom ook groot toen Wim overleed. Jan zag het al eerder aankomen. “Hij kwam ooit werken, dan stond ie echt met een been in het graf. Bleekwit. We dachten dat hij ieder moment voor zijn bank om zou kunnen vallen.” Oma verloor dus haar partner. Jan zijn vriend. De twee vonden elkaar een jaar na zijn overlijden. “Ik heb er geen moment aan getwijfeld en nam het initiatief”, is Jan eerlijk. “Ik denk dat de kinderen wel hun bedenkingen hadden.”

Oma Mia trok in bij Jan. “Ze wilde graag een bad, anders was ze niet naar mij toe gekomen.” Ze leefden veertien jaar samen. De laatste drie jaar waren niet altijd even leuk. Oma werd ernstig ziek en Jan speelde mantelzorger. “Dat is drie keer kut. Maar ik heb het met veel liefde en plezier gedaan. Ik moest er overal voor zijn. Wat oma normaal deed, eten koken, de kiet bijhouden, dat kon ze niet meer.”

Jan raakt een tikkeltje geëmotioneerd. “Ze is ooit heel ziek geweest. Toen was ze zo blauw, alsof ze ieder moment de pijp water kon geven.” In 2015 stierf Mia in het ziekenhuis. Heel de familie was aanwezig. Jan ook. Oma zal altijd in zijn hart en zijn gedachtes voort blijven leven.

Reageer op dit artikel