De trotse Friezen van Sexbierum

Nederland is in verhouding met de rest van Europa en klein land. Dat klopt helemaal, maar dat gevoel verdwijnt snel wanneer je naar de andere kant van het land moet reizen. Daar ben ik wel achter gekomen. In mijn geval moest ik van het zuiden van Brabant naar het noordwesten van Friesland reizen. Een reis van zo’n 320 kilometer en door vijf provincies, namelijk Brabant, Gelderland, Overijssel, Drenthe en Friesland. Althans, de route die ik koos. Dit om de geleidelijke verandering van cultuur en landschap van zuid naar noord te ontdekken. We zijn immers een klein land, maar de verschillen zeker niet. 

Je zal je vast afvragen wat mij naar het mooie Friesland brengt. Nou, dat is een klein dorpje met een originele en een tikkeltje humoristische naam, namelijk: Sexbierum. Voorafgaand aan mijn roadtrip probeerde ik me een voorstelling te maken van wat Friesland en met name Sexbierum me zou gaan brengen. Dit is voor mij als geboren en getogen Brabander immers de eerste keer dat ik voet zet in de noordelijke provincie. Ik zag het voor me als een oase van rust, met veel ruimte en natuur. Het enige wat te horen zou zijn waren de tjirpende vogels en de razende wind. Maar er kwam met name één woord in mij naar boven: trots. Friesland is de enige provincie met een eigen taal en dus een duidelijke identiteit. Iets waar ik, als ik mag zeggen bescheiden Brabander, niet echt bekend mee ben. Maar hoe trots zijn de Sexbierummers op hun provincie en dorp? 

Het plan was om om 9 uur ’s ochtends te vertrekken, maar al snel gooit het fijne Nederlandse verkeer roet in het eten. Ongelukken bij Tilburg en ’s-Hertogenbosch en files bij Arnhem en Nijmegen zorgen ervoor dat ik mijn reis een klein uurtje moet uitstellen. Maar dat had ik stiekem al wel een beetje verwacht. Ook op het moment dat ik vertrek en door Brabant en Gelderland rijd is er nog grote drukte op de weg, maar ik merk dat naarmate ik verder het noorden inga, het steeds rustiger wordt. Wat een verademing. Waar ik tussen s’-Hertogenbosch en Nijmegen nog met alle macht een idioot in een iets te grote Mercedes moest ontwijken die me met grote haast van rechts inhaalde en kramp in mijn voet kreeg van het filerijden, heb ik de snelwegen in Friesland nu vrijwel voor mezelf. En de mensen die er rijden, ondanks het feit dat ze alle ruimte hebben, rijden precies de toegestane snelheid. Vaak zelfs nog een paar kilometer te langzaam. Alle tijd van de wereld. 

En na bijna vier uur, twee verkeerde afslagen en een hoop slingerwegen door weilanden kom ik dan eindelijk naast een rij enorme landhuizen bij het bord uit: Sexbierum, en daaronder Seisbierrum. Ik zet mijn auto bij de dichtstbijzijnde parkeerplaats voor een klein rijtjeshuis waar een vrouw nieuwsgierig door het raam kijkt en kom tot de ontdekking dat mijn verwachtingen er niet heel ver naast zaten. Het is er leeg, letterlijk geen mens op straat. Onder een klein bruggetje door loopt een riviertje met aan de oevers hoog riet, en eenmaal over het bruggetje kom ik aan bij de ‘hoofdstraat’ van het dorp. En die aanhalingstekens staan daar niet voor niets. Het is een hoofdstraat met een bakker, een slager, een supermarkt en een café waar je een goede vijf minuten doorheen kan lopen totdat je ineens al in een ander dorp staat.  En die hoofdstraat wordt omringd door een doolhof van kleine, erg op elkaar lijkende straatjes die namen als ‘Hottingabur’ en ‘Dukerstrjitte’ bevatten. Ik ben in een compleet andere wereld. 

Het is een trots dorp. Dat is aan alles te zien. Al lopend door de hoofdstraat zie ik overal om me heen Friese vlaggen hangen bij de winkels en Friese wimpels bij de huizen. De sierlijke, goedverzorgde huizen met fiere, spitse daken en bij vrijwel allemaal een mooie auto op de oprit. Geen enkele Nederlandse vlag te bekennen, en geen enkel Nederlands woord te horen. Terwijl ik richting de terpen aan het einde van de hoofdstraat loop, hoor ik drie kinderen achter me spelen met een walkie talkie. Eentje schreeuwt: ‘No gean ik offline!’ De Engelse taal heeft het dorp dus in ieder geval wel bereikt. 

Maar hoe kijken de Sexbierummers zelf tegen hun Friese identiteit aan? Het antwoord vinden op deze vraag wordt nog een hele opgave. Er is namelijk niemand op straat, op een paar verdwaalde bouwvakkers en wandelaars na. Doodstil. Na ruim een uur door het dorp in rondjes te hebben gelopen, zie ik in mijn ooghoek een oudere vrouw in de tuin werken. Jackpot. Voorzichtig loop ik naar haar toe en stel ik me voor. Ze hoort dat ik uit Brabant kom en begint gelukkig Nederlands tegen me te praten. ‘Kom anders maar even binnen, dan zet ik wel een kop thee. Je hebt zo lang gereisd!’ Dit was het begin van een gesprek van anderhalf uur dat ik met Marie Dijkstra zou hebben. Een geboren en getogen Sexbierummer die sinds haar 32e weduwe is. Ze is nu net een jaar met pensioen, voorheen was ze verpleegster. ‘Je hebt de perfecte persoon uitgekozen voor je verhaal’, vertelt ze me aan de eettafel. ‘Ik ben een echte troste Fries.’ Volgens haar heeft geen enkele provincie in Nederland zo’n eigen identiteit als Friesland, en dat komt met name door de eigen taal.

Maar er zijn twee begrippen die het voor haar allemaal samenvatten: ‘mienskip’ en ‘gearhing’, ofwel gemeenschap en saamhorigheid. Om dit te illusteren vertelt ze een mooie anekdote: ‘Toen mijn man ernstig ziek was en vaak naar het ziekenhuis in Amsterdam moest, waren er altijd mensen uit het dorp die hem ernaartoe wilden brengen, zodat ik op de kinderen kon passen. Het ziekenhuispersoneel wisten niet wat ze zagen! Dat konden ze niet begrijpen, maar zo zitten wij in elkaar.’ 

Om een nog beter beeld te krijgen van de identiteit en de trots van de Sexbierummers raadt Marie me aan om met haar buren te gaan praten, Ivan en Roeselinde Pakan, die later als ‘import’ naar het dorp zijn gekomen. Ze loopt met me mee naar binnen en stelt me aan haar buren voor als ‘het meisje uit het zuiden dat een heel eind voor ons heeft gereisd’. Marie neemt afscheid door me een stevige handdruk te geven en te zeggen: ‘Misschien tot ziens, dat zou ik erg leuk vinden’. Terwijl ze de deur uitloopt ga ik met Roeselinde aan tafel zitten. Ivan is druk aan het werk achter de computer, samen hebben ze het creatieve communicatiebureau Gull design & media. Ze zijn beiden geboren in Friesland, maar komen niet uit Sexbierum. ‘We waren wel een beetje vreemde eenden. Van buiten, hè. Maar wij zijn zelf heel erg open en dat zagen de mensen ook. Daardoor werden we ook snel geaccepteerd.’ In het gemeenschapsgevoel en de saamhorigheid die Marie benoemde kan zij zich wel vinden. Het geeft haar een gevoel van veiligheid. ‘Iedereen let op elkaar hier in het dorp, en dat bedoel ik positief. Iedereen kent elkaar en vooral toen de kinderen klein waren vond ik dit heel fijn. Ik wist dat er niets met ze zou gebeuren, en als dat wel het geval was, dat ze hulp zouden krijgen. Dat is wel echt wat Sexbierum is.’

En dit laatste heb ik zelf ook gevoeld tijdens mijn reis door Sexbierum en door de gesprekken die ik met de mensen daar heb gehad. Er hangt een sfeer van gemoedelijkheid, kalmte en zorgeloosheid. Alsof alle ellende die er in de wereld speelt het dorp nog niet heeft bereikt. Het enige wat ertoe doet is of de bakker in de ochtend nog wel genoeg brood heeft en het weer goed genoeg is om te wandelen. Daar kunnen we in ons drukke stedelijke leven nog wel iets van leren. Voldaan loop ik over het bruggetje terug naar de parkeerplaats waar ik aan het begin van de middag mijn auto had geparkeerd. Met de vrouw die me nog steeds vanachter het raam nakijkt, rijd ik de files richting het zuiden weer tegemoet. Oant sjen, Sexbierum! 

Reageer op dit artikel