De verdwenen Joodse gemeenschap

De Surinaamse vlag wappert voor eethuis Het Pleintje in de Indische buurt. Een moslima van begin twintig komt voorbij lopen. Haar lippen rood gestift, een flinke laag make-up op en op haar hoofd draagt ze een hoofddoek. Het is een buurt waar culturen van over de hele wereld samenkomen, maar bijna niets wijst erop dat er vroeger een florerende Joodse gemeenschap zat.

De eerste joden kwamen al in de vijftiende eeuw naar de Indische buurt. Ze waren gevlucht uit Spanje, waar ze vanwege hun geloofsovertuiging op de brandstapel zouden eindigen. Met de keuze tussen levend verbrand worden of ergens anders een toekomst opbouwen, was het vanzelfsprekend dat ze voor het laatste kozen. Aangekomen in de Indische buurt wilden de joden zo snel mogelijk integreren. De meeste begonnen daarom geen familiebedrijf, maar werkten samen met de lokale bevolking. Religieuze uitingen zoals het dragen van een keppeltje op het hoofd was eerder een uitzondering dan regel. Het geloof belijden deden de joodse inwoners wel, maar niet in grote statige synagogen met al hun pracht en praal. Maar in een Amsterdams bakstenen huis aan de Molukkenstraat. De bezoekers moesten naar binnen via een normale houten huisdeur en de enige aanwijzing dat het een synagoge was, waren de Davidsterren op de ramen van de begane grond.

Sterren aan de hemel

De houding van de joodse bewoners zorgde ervoor dat ze probleemloos opgingen in de buurt. De kinderen gingen zelfs naar openbare scholen tot de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Een vrouw die ten tijden van de oorlog op school zat met joodse kinderen vertelde aan Ephraim Goldstoff haar verhaal. Hij is bestuurslid van Stichting Eerherstel Joodse Begraafplaats Zeeburg. Zij zetten zich in voor herstel van de joodse begraafplaats grenzend aan de Indische buurt. Daar liggen ongeveer honderdduizend arme mensen verspreid over vijftien hectare overwoekerd grondgebied.

De vrouw vertelde hem dat toen zij een jaar of zes was zo’n tachtig procent van de joodse kinderen uit haar klas opeens een ster droegen. Zij besefte door haar jonge leeftijd niet waarom deze kinderen een ster droegen, maar wilde er zelf graag ook een dragen. Dit mocht natuurlijk niet omdat ze niet-Joods was. Plotseling verdwenen al die kindjes met sterretjes één voor één uit het klaslokaal. Uiteindelijk was het merendeel van de klas meegenomen en hielden ze een behoorlijk aantal lege tafeltjes over. Het was voor haar ouders te moeilijk om uit te leggen waar haar klasgenootjes naartoe waren. Haar vader zat bij het verzet en nam haar op een gegeven moment mee naar een begrafenis van een joodse onderduiker midden in de nacht en probeerde het uit te leggen. Haar vader zei: “Kijk eens naar boven. Zie je al die sterretjes? Dat zijn al jouw klasgenoten, die zijn nu in de hemel.”

De uitroeiing

Het was voor de Duitsers geen moeilijke taak om de joden in de Indische buurt op te sporen. Van de joodse raad kregen zij een lijst met adressen. Dit kwam omdat de Nazi’s dreigde alle joodse inwoners te vermoorden als ze de adressen niet zouden krijgen. Ze zouden gespaard worden en mogen werken voor de Duitsers. De realiteit bleek anders te zijn. In de nacht gingen Duitsers van huis naar huis en namen de joden mee. Ze werden naar station Muiderpoort gebracht en vandaar gingen ze naar doorgangskamp Westerbork. Velen zouden de concentratiekampen niet overleven. Omgebracht op de meest onmenselijke manieren mogelijk, van de gaskamer tot misschien wel gebruikt te zijn als ‘proefdier’ door een van de dokters in het concentratiekamp. Misschien dachten ze op de laatste momenten van hun leven wel aan de Indische buurt met de typische bakstenen huizen. Aan de veilige plek die het was voor hun voorouders, maar nu had de geschiedenis zich herhaald. De joodse gemeenschap was gebroken en na de oorlog zou de Indische buurt slechts nog een woonplaats zijn voor een klein aantal joodse mensen.

Reageer op dit artikel