De verstekeling van Egmond-Binnen

Wanneer ik met één schoen aan en een boterham in de knuist door mijn huis hinkel om de kat binnen te schreeuwen en vervolgens het zonnescherm in topsnelheid omlaag te doen, verschijnt in mijn ooghoek een rond ding met wijzers. De klok en ik hebben regelmatig ruzie en ook vandaag werp ik hem een boze blik. Geconfronteerd worden met slechte eigenschappen is nooit leuk, vandaag voelt mijn status als notoire laatkomer wederom terecht.

Het is voor niemand in de directe omgeving een verrassing dat ik graag gebruik maak van het Brabants kwartiertje, maar vandaag moet ik scoren. Ik verruil namelijk mijn stadse betonnen bubbel voor een locatie tussen bloemvelden en duinen. Voor een dag verlaat ik de stad Tilburg van bijna 215000 inwoners voor Egmond-Binnen, ongeveer 2600 inwoners. Ik vertrek in aller hectiek om mezelf te kunnen verwijderen van de stadse fijnstof en stress in ruil voor de retraite-vibe van een klooster. De NS is meedogenloos als het aankomt op mijn vertragingstalent en ik ren het zweet op mijn rug om de trein te halen.

Het is maandag, begin van een nieuwe werkweek en ik val buiten toom. De dresscode vroom bedekt en zakelijk lijkt enkel bestemd aan de kantoortijgers. Terwijl ik stil zit en ook voortbeweeg lijkt het onvermijdelijk. Het licht van de zon valt door het vierkante raampje en het verblind me. Als groot fan van die gele warmtebron aan de hemel is dit geen belediging aan zijn kant, in tegendeel. Wat me verblind is de reflectie van de harige melkflessen die onder de camelkleurige bermudabroek van mijn buurman steken. Nog een kwartier tot de overstap, een kwartier geconfronteerd worden met het naakte vlees dat bij mij vanmorgen verdween bij het aantrekken van een zwarte pantalon en dito sokken. Ik wissel een sippe blik met een driedelig kostuum aan de andere kant van de vierzits.

Per uur passeer ik een nieuwe provincie. Wanneer de blikkerige toon van de omroep “Amsterdam! Station Amsterdam” schelt, wordt het me pas duidelijk dat ik vandaag noordelijker ga dan ooit tevoren. De schreeuw van de hoofdstad zoeft voorbij naar een oase van Hollandse rust. Als toerist in eigen land komt het fototoestel uit de tas bij het naderen van Zaandam met zijn felgekleurde huisjes. Eenmaal in Castricum stap ik uit en verruil ik de NS voor Connexxion als routebepalende leider.

In een minuscule bus met beenruimte en zitcomfort waar een goedkope vliegtuigmaatschappij jaloers van zou worden, verorber ik mijn geplette mueslibolletjes met zweetkaas terwijl de buschauffeur aan het rietje van een pakje sap leurt. In mijn hoofd vervolgen we de soundtrack van de vroege lunch met de inzet van een a capella “potje met vet” waarbij het dieseltje meezingt in de vorm van een zucht en kreun onder het gewicht van 6 passagiers. Een langpootmug zoemt uit frustratie terwijl hij met zijn lijf probeert door het glas te vliegen. Onderweg zijn is nooit zo leuk geweest.

Met een reistijd van 3 uur eindig ik de vervuiling van de aardbol door mensvervoerende machines en nader mijn bestemming door de ene voet voor de ander te zetten. Die voeten verzetten zich de verkeerde kant op en marcheren een verdwalend spoor. Een fietser komt op me af en ik benader hem, maar de man kijkt me aan alsof ik knettergek ben en trapt vervolgens nog harder op zijn pedalen. De bushalte is vernoemd naar het klooster van mijn bestemming, hoe moeilijk kan het zijn?!

Na een halfuur zoeken druk ik dan eindelijk op de bel en wijst de intercom mij de weg naar een kapel. De kapel is leeg en donker met uitzondering van het licht dat schemert door het bruingele glas-in-loodraam. De angst van onwennigheid zet aan: wat nu? Ga ik zitten? Waar moet ik wachten? Ik besluit mezelf te verstoppen in een donker hoekje op een houten bank. Voetstappen naderen en gedimde lampen verlichten de kapel. Een zuster betrapt me in mijn hoekje waar ik mijn beste onzichtbare zelf poog te zijn, ze fluistert boos: “Heb je geen boek gepakt?!”. Fout één is gemaakt.

Opgevoed door een engel die het geloof ervoer als ketenen die doorbroken moesten worden, ontbreekt me de kennis van kerketiquette wat vanaf dit moment voelt als een grote handicap. Wanneer een klas van de katholieke PABO de kapel betreed zie ik de volgende tekortkoming waar ik aan heb voldaan. Buigen naar het door metersgrote kaarsen belichte altaar is niet iets wat ik heb gedaan. Deze studenten lijken te weten waar ze mee bezig zijn waardoor mijn morele kompas zijn wijzer op hen richt. Uit beleefdheid zal ik deze dienst elke stap nabootsen om niet uit de toom te vallen.

Meer dan 14 in sopraanhoge zusterstem gezongen “Halle-lu-jahs” komen voorbij, inclusief een staan-zit tempo waar menig stoelendansdeelnemer jaloers op zou worden en een buiging richting altaar bij elke uitgesproken “God” uit de Bijbelteksten. Ik nuttig het Lichaam van Jezus, een knapperige vers gebakken brood dat blijft plakken aan mijn gehemelte en spoel het weg met het Bloed van Jezus. Tot mijn grote verbazing is dat geen water en ook geen rode wijn, maar een lauwe Sauvignon Blanc. Voor de middag alcohol nuttigen is een wet die ik tot vandaag nimmer heb gebroken. Tot veel ben ik in staat om ergens bij te horen, te voldoen aan een beleefdheidsnorm terwijl elke porie van mijn lijf het woord ‘indringer’ uitscheidt.

Eindelijk komt er iets aan bod waar ik bekend mee ben. We gaan bidden. Terwijl we in stilte bidden voor wereldvrede galmt een sirene door de ruimte. Het maandelijkse luchtalarm van maandag maakt luidruchtig zijn entree en wijst me er nog even haarfijn op dat we nog steeds oefenen voor een tijdperk van oorlog en calamiteiten.

De dienst komt tot een einde. Ik stap uit het klooster het weide weiland in en voel mezelf opgeslokt in een legioen van vrolijk roodgekleurde tulpen. Waar dankbaarheid voor deze ruime horizon terecht was geweest, besef ik me dat niet alleen een trein of klooster of zelfs mijn eigen appartement vrijheid limiterend zijn. Ook de wijde wereld is begrenst, deze keer in normen en waarden. Als een klein kind had ik de vrijheid tegemoet willen rennen; het stuifmeel doen opvliegen en met mijn benen waden door een zee van bloemen. Ik begrens mezelf om de drang onbevredigd te behouden, want op de in klomp gehulde tenen van de boer trappen is niet mijn ambitie.

Via een landweggetje die me wederom tot een indringer laat voelen, deze keer van een bedrijfsterrein, maak ik rasse schreden om terug in een bewoonde wereld te komen. De eerste en beste bushalte zie ik als een verlosser. Terwijl ik wacht in de zengende zon die de atmosfeer in een sauna heeft veranderd, neemt een oudere dame plaats zoals alleen ouderen dat kunnen doen. Achteruit parkerend met de rollator, het voertuigje op de rem, en rustig doch onzeker door de knieën om met piepende longen op het bankje te ploffen. We kletsen over van alles en niks. Met Egmond-Binnen wil ze zich niet identificeren. “Er is hier nog net een supermarkt en verder niks te doen, mijn kinderen zijn allemaal naar Heiloo vertrokken. Ik kom uit Den Haag en heb ook een tijdje in Amsterdam gewoond, op een woonark.” Mijn oma komt uit Den Haag en dat gevoel van saamhorigheid doet mijn status als indringer wegebben. Eindelijk ben ik vrij.

Reageer op dit artikel