Een hutje op de hei is het enige wat Leon Kools nodig heeft

Afbeelding van Janusz Nowak via Pixabay

Een tengere man trekt een pluk shag uit z’n pakje Brandaris en verspreidt het nauwkeurig over zijn vloeitje. Hij draait er een boomstammetje van. Zodra de peuk brandt, stopt hij het in zijn mondhoek en begint met bladeren door de boeken die naast zijn fauteuil liggen. Met een bruin hondje naast hem leest hij over Noord-Brabant, vogels en waterbeheer. Als het maar over de natuur gaat, dan is het interessant.

Het liefst is Leon Kools urenlang buiten. Hij doet vrijwilligerswerk in de pastorietuin, op het bloemenveld van het Zundertse bloemencorso, fietst en vist. Dat laatste al zo’n zeventig jaar. Als zesjarig jongetje hoopte Leon vis te vangen met een stok. Hij trok een tak uit de heg, knoopte er een vliegertouw aan, boog een speld om en noemde het een hengel. Hij plukte een madeliefje om als aas te gebruiken. Het enige wat hij ving was padden. “Dat maakte me niet uit, ik wilde gewoon bezig zijn”, zegt Leon. 

Maar dan wel bezig zijn in de natuur. Leren vond Leon niet erg, zolang het maar op zijn eigen manier kon. School, met al het stilzitten, werkte niet. “Het was belangrijker om de Catechismus uit je hoofd te kennen dan om de rekensommen te snappen, maar ik heb niks met het geloof. Als je dood bent, dan houdt het op.” Hij twijfelt even. “Misschien is er toch wel iets.”  

Leren over het geloof ging hem toch goed af. Terwijl zijn klasgenootjes van de basisschool urenlang de verzen van het Bijbelse boek in hun hoofden probeerden te stampen, las Leon het eens door bij zijn pap ‘s morgens. En dan zat het volledig in zijn hoofd geprent.  

Een knap koppie is hij wel. Leon leerde zichzelf lezen, bijvoorbeeld. De woorden in de krant snapte hij al op zijn zesde. Toch wilde hij niet studeren. Zijn interesse lag bij het buitenleven en hij was na zijn basisschool tenslotte nodig op de boerderij, waar hij van zeven tot zeven bezig was met het melken van de koeien en het ploegen van het land. In de avonduren volgde hij een cursus land- en tuinbouw, maar stress kende hij niet. “Met je handen bezig zijn is het meest ontspannende dat er is.”  

Op zijn achttiende wordt Leon opgeroepen om het leger in te gaan, maar ziet de dienstplicht niet zitten. Om uitstel en uiteindelijk afstel daarvan te krijgen, neemt hij het familiebedrijf over. “Ik baalde, want het zou te weinig verdienen en mijn vader kon het bedrijf niet in zijn eentje houden”, zegt hij. “Ik heb ook niet graag een baas boven me, dan voel ik te veel druk.” 

Als Leon loopt, doet hij dat voorovergebogen. Het harde werk heeft zijn rug aangetast. Hij sloft van zijn stoel naar de houtopslag in de serre. Hij pakt twee stukken en gooit deze in de houtkachel naast zijn fauteuil. Stukjes schors en splinters knisperen zodra het vuur de deeltjes aanraakt en tot as verbrandt. De blokken vatten langzaam vlam.

De houtblokken heeft hij zelf gehakt. Het is iets wat hij wonderbaarlijk genoeg op zevenenzeventigjarige leeftijd nog zonder problemen doet. Sjouwen doet-ie ook. Als je hulp nodig hebt bij het snoeien van je heg staat Leon de volgende dag in je tuin met een trap, kettingzaag en kruiwagen om het afval in zijn truck te laden. Hij is een man gericht op het praktische, niet het emotionele.  

Zodra het gaat over zijn vader die overleed toen Leon vijf was, zegt hij: “Ik weet niet beter dan met mijn stiefpa op te groeien, daarom noem ik hem mijn vader.” Als het gaat over de tijd toen hijzelf zó ziek was, op zevenjarige leeftijd, dat hij kantje boord in leven bleef vertelt hij dat te ziek was om bang te zijn. Hij noemt zijn vrouw mooi. Zijn trouwdag ook, want het was mooi weer. De geboorte van zijn enige kind: mooi. Het moment waar hij een succesformule voor zijn bedrijf blijkt te hebben is net zo goed simpelweg mooi.  

Als Leon in zijn dertiger jaren is, gaan de dieren van de boerderij weg en is het vooral een tuinderij met onder andere spruiten, bonen en ‘biezemen’ ofwel bessen. Hij start met zaadplukken bij een boomkwekerij om een ziekteverzekering te kunnen houden. Zo’n tien jaar later begint hij zelf een boomkwekerij. Binnen drie jaar bedenkt hij met zijn collega’s een unieke formule die bepaalt wanneer je het zaad van de ratelpopulier het beste kunt plukken. “Het is heel specifiek. Het weer en tijdstip hangen heel nauw samen.” Leon begint iets sneller te praten. “We hadden het eerste bedrijf in Nederland en Duitsland dat dit voor elkaar kreeg.” 

“Collegakwekers waren heel benieuwd hoe we het voor elkaar kregen, maar wij zeiden uiteraard helemaal niets!”, lacht hij. Leon is blij met het succes. En hoewel hij zijn groene vingers prima kon plezieren bij dit werk, stond geld op de eerste plaats. “Als je dan toch hard werkt, kun je er net zo goed veel mee verdienen.” Trots is-ie niet echt. Leon noemt de ontdekking vooral… mooi.  

Leon heeft niet veel nodig om iets mooi te vinden. Op vakantie is hij nooit geweest, verhuisd is hij ook niet. Zijn hele leven speelt af op hetzelfde stuk grond in Achtmaal en omgeving. Hij schiet je te hulp zodra je hem nodig hebt en is dan blij dat zijn groene vingers van pas komen. Maar Leon zal niet over zichzelf zeggen dat hij mooi is. Daar is hij te bescheiden voor. 

Reageer op dit artikel