‘Elke zomer hangt hier een koe in de toren’

Vier treinen, drie keer overstappen en twee vervoerders. Dat alles in slechts twee uur en een kwartier, want zo lang duurt het om van Tilburg naar Kampen te gaan. Kampen ligt in Overijssel, de provincie waarvan je zo weinig hoort dat je bijna gaat twijfelen of het wel bestaat. Het enige tekenen van leven die ik ooit van Overijssel heb gezien is PEC Zwolle – als je dat een teken van leven kan noemen. En vier NS treinen met de tekst erop ‘in opdracht van de provincie Overijssel’ die als sinds mensenheugenis staan te verpieteren op station Nijmegen. Ja ik zei zojuist ‘station Nijmegen’ waarmee ik waarschijnlijk alle Gelderse lezers boos maak, maar dat zal me een worst wezen. Station Nijmegen heeft het achtervoegsel ‘centraal’ nooit verdiend. 

Terwijl ik op de eerste van vier treinen sta te wachten bedenk ik me wat ik al van Kampen weet: oh wacht, helemaal niks. Om eerlijk te zijn heb ik nog nooit van het plaatsje gehoord. Gelukkig is daar het zevende rijk, de technologie. En ondanks dat ik meestal achterloop met dit soort dingen zit er een iPhone in mijn zak waarmee ik zonder toverkracht wat informatie over gehucht ‘Kampen’ kan opzoeken. Want ook ik doe graag net alsof ik mij goed heb voorbereid op deze ‘Reporeis’. Als eerste valt het mij op dat het er op de foto’s best gezellig uitziet. Maar in de tijd van influencers en social media zijn foto’s net zo betrouwbaar als berichten over stijgende koopkracht en Frits Wester die zegt dat hij nuchter is. Voor de rest staat overal op het internet dat mensen uit Kampen dom zijn. Toch was het in de middeleeuwen een van de meest prominente steden in het noorden, dus waar is het misgegaan? 

Inmiddels heb ik Brabant via Den Bosch verlaten en arriveert mijn trein in Utrecht. ‘Mocht het allemaal mis gaan in Kampen, dan is dit het laatste stukje bewoonde wereld die ik ooit zal zien’ dacht ik. Wanneer ik in de intercity richting Zwolle stap mark ik vrij snel dat de airco het niet doet. Dat kon er ook nog wel bij. Tot slot van rekening gaat er een vrouw naast mij zitten die de uitvinding van de koptelefoons en oortjes heeft gemist. Zonder schaamte zet mevrouw op de speaker de Netflix serie Suits op die ik ooit, gedwongen door mijn vriendin, ben gaan kijken. Nu zou je kunnen beargumenteren dat het geluid van een Netflixserie niet erger is gelijk staat aan ander geluid zolang het op een acceptabel niveau is. Echter ben ik pas bij het begin van seizoen drie en is de kans op spoilers nu toch wel erg groot. 

Eenmaal aangekomen in Zwolle en verlost van de spoiler-mevrouw moet ik de laatste keer overstappen. De laatste trein die mij rechtstreeks naar Kampen moet vervoeren zal vertrekken van perron 12. Zelf stap ik uit op station 10 dus logischerwijs ga ik er vanuit dat perron twaalf de aanliggende opstap plaats is. Als ik naar links kijk is daar perron 8 ‘dus zal perron twaalf wel rechts liggen’ hoor ik mezelf nog denken. Maar nee, zo’n plek is Zwolle niet. Hier doen ze er letterlijk alles aan om de reiziger hun trein te laten missen. Want blijkbaar ligt het twaalfde perron nog voor het eerste perron. Ook hier heeft de mensheid allang een trucje voor bedacht: het gewoon een onmogelijk hoog cijfer toekennen, maar niet in Zwolle.

Na tegen alle verwachtingen de trein toch nog gehaald te hebben ben ik voor het eerst vandaag blij verrast. Een trein met rolluiken tegen de zon, tafels en ik ben nog maar tien minuten verwijderd van de heilige graal: Kampen. Waar de mensen dom zouden zijn, maar de middeleeuwse schoonheid nog overal zichtbaar. Wanneer ik even later weer uit diezelfde trein stap ben ik blij verrast. Het station ligt niet op een industrieterrein aan de rand van de stad, zoals bij mijn eigen dorp het geval is. Het ligt tegen het centrum aan, ik hoef alleen nog maar een brug over te steken. Een brug die twee totaal verschillende straatbeelden verbindt. Aan de overkant een stad gebouwd aan het water, met oude sloepen die voor anker liggen en kerktorens die op verschillende plekken boven de huizen uitsteken. Ik ben verbaast, de foto’s zijn echt. Er ligt een kleine parel verbogen in de Overijsselse anonimiteit.

Wanneer ik wat vissers onder die brug zie zitten lijken het me mooie doelwitten voor een kort interview. De kortste weg naar beneden is echter geblokkeerd. Bouwvakkers timmeren aan de weg, het lijkt wel Duitsland. Wanneer ik het via de andere kant probeer voel ik een stel ogen branden. Ik kijk naar links en zie drie oudere mensen. Twee mannen die op een bankje zitten en daarnaast een vrouw die op haar scootmobiel zit. Normaliter zou na een dergelijke staarwedstrijd  tussen mijzelf en de oppositie resulteren in een partij die toch maar besluit zijn blijk af te wenden. Staren is immers niet netjes. Maar geen van de partij is zoiets van plan. Ik besluit op ze af te stappen, ‘veel interessanter dan de vissers’, dacht ik. Voor hen kwam het waarschijnlijk over als een soort oorlogsverklaring, wanneer ze opeens benaderd worden door de vreemde jongen die ze durfde aan te kijken. ‘Mag ik jullie iets vragen?’ De kleinste en tevens oudste man zegt vrij vriendelijk ‘ja’ terwijl hun gezichtsuitdrukkingen niet veranderen – dat zou de rest van het gesprek ook niet meer gebeuren. ‘Hoe komt het dat mensen zeggen dat Kampenaren zo dom zijn?’ Er waren op dat moment twee uitkomsten mogelijk: of ze denken dat ik met ze loop te sollen en de mevrouw in de scootmobiel gaat voor een charge of ze hebben daadwerkelijk wel eens van de mythe gehoord en laten me leven. ‘Geen idee’ zegt dan man lachend, ik was opgelucht. ‘Het zal wel met het verleden te maken hebben, we waren een groot dorpje vroeger en hoge bomen vangen veel wind.’ Oké, dat was niet letterlijk wat hij zei, maar vertaald naar het Nederlands komt het daar wel op neer. Ik wist oprecht niet dat ze hier als Achterhoekers klonken. Na een kort gesprek merk ik dat ik niet echt antwoorden op mijn vragen ga krijgen. Wel is het duidelijk dat deze mensen van Kampen houden en het voor geen goud zouden verlaten. Wanneer ik vraag of er ooit iets in Kampen te beleven valt zegt de man ‘Ja! Koningsdag.’  Als dat geen onvoorwaardelijke liefde is weet ik het ook niet meer. 

Via een klein steegje naast de bank van de oudjes bereik ik het centrum. Veel mooie, oude gebouwen. Het is duidelijk dat Kampen historie heeft. Ik spreek wat mensen aan, maar niemand die trekt heeft in een verdwaalde toerrist. Totdat ik Dickie tegen kom. Een man van rond de vijftig met veel tatoeages op zijn arm en gekleed gaat als een soort Hells Angel. Ik stel hem dezelfde vraag: ,waarom zouden Kampenaren dom zijn.’ ‘Nou’ zegt Dickie ‘ Dat komt omdat wij ooit een burgermeester hadden die een koe in de kerktoren had gehesen met een touw. Dat zat namelijk zo: er was geen geld meer om die toren af te bouwen en dus was er gras tussen de stenen gaan groeien en hebben ze de koe dat gras weg laten grazen.’Ja, en dan is opeens heel Kampen dom.’ Maar we hebben er meteen een traditie van gemaakt, elke zomer hijsen we een plastic koe die toren in.’ Wanneer ik vraag wat Kampen zo mooi vraagt begint Dickie een lang verhaal. Iets over met elkaar op de vuist gaan, maar altijd met respect; Iets over een motorclub en de prachtige omgeving maar het kwam er op neer: ‘Kampenaren houden van Kampen, we blieven hier en komen terug als wie ooit vertrokken zien.’ 

Dat vond ik een mooie afsluiter van de dag. Als ik ooit mijn leven haat en nog op vakantie moet… Geintje natuurlijk, Kampen is verrassend mooi en zeker een aanrader om een keer heen te gaan. Ik ga sowieso een keer terug, alleen dan eis ik wel dat Station Zwolle iets doet aan de nummering van de perons.

Reageer op dit artikel