Flevoland: een mix van rust met herrie en tractors met luxe sportwagens

Ik stap uit de auto en ik voel dat de mensen hier aanvoelen dat ik hier niet vandaan kom. Een gescheurde broek, een leren jack, nét wat meer make-up dan dat mijn gezicht hebben kan en een lading sigaretten in mijn jaszak. Goed voorbereid voor de meest kerkelijke gemeente van Nederland: Urk.

“Tuurlijk mag je de auto pakken, maar houd er rekening mee dat vrijdagen hoe dan ook een hel zijn in het verkeer. Bovendien is ‘pechvogel’ jouw tweede naam, dus denk er even over na of je echt met de auto wilt gaan, Tesla.” Ja ja, pap.   
Google Maps voorspelde een reis van 95 minuten, daar waar de NS me niet minder dan 223 minuten durfde aan te smeren. Keuze makkelijk gemaakt, zou je denken.

Het eerste deel van de rit verliep vlot. Zonnestralen streken uit over de vrachtwagens die ondanks het inhaalverbod toch bleven domineren op beide rijstroken. Wie wil er nou honderddertig kilometer per uur rijden als je ook gewoon verplicht tachtig kunt rijden? Idioten.

Naarmate Flevoland meer en meer een gezicht kreeg op het scherm van mijn navigatiesysteem, hoe lelijker de omgeving naast de – perfect geasfalteerde – weg werd. Er waren alleen maar bomen, nog meer bomen, windmolens en lelijke gebouwen die nog net dragelijk voor het oog bleven door het zonlicht. Ik moest van deze weg af. De eerstvolgende afslag is voor mij. 

Een paar kilometer voor de afslag, míjn afslag, ging het mis. Vijf auto’s op de A6 richting Lelystad spanden door middel van een ongeluk samen om mijn reis zo lang en pijnlijk mogelijk te maken. 
Urenlang stond ik nagenoeg stil. Ramen open, waardoor de sirenes van de constant passerende politieauto’s mijn trommelvlies aantastten. 

De A6 was een lange rechte snelweg, waardoor goed te zien was hoe oneindig de file was en lang bleef. Het laatste sprankeltje hoop in het leven verdween toen ik op mijn telefoon las dat de snelweg afgesloten was. Dicht. Niet verhinderd, maar dicht.

De langste 26 kilometer ooit


Ik sla mijn hand harder dan goed voor me is tegen mijn voorhoofd en in de auto naast me beginnen mensen te lachen. “Ik lees net dat de verongelukten lichtgewond zijn, maar jij nu ook”, roept de man van het stel naar me. Ondanks mijn nog niet verwerkte agressie op het slechte nieuws, weet ik er toch oprecht gelach uit te brengen. Mijn rijstrook bleef steeds wat naar voren schuiven, waardoor ik ze helaas snel weer uit het oog verloor.
Na achter het stuur geluncht te hebben, kon ik aan het begin van de avond eindelijk weer door. Het enige nadeel was dat de weg afgesloten bleef. Nu moest iedereen míjn eerste afslag af. 

Wegen die normaal gesproken rustig zijn, zaten nu vol met wanhopige bestuurders die toch wel graag naar huis wilden. Ik reed door een landschap met niets anders dan open velden en rotondes. Heel veel rotondes. Na een stuk rijden kwam ik op van die weggetjes waar maar één auto tegelijkertijd kan rijden; die moest ik hebben. 
Rond etenstijd speelde de honger op en moest ik improviseren. Supermarkten waren in de verste verte niet te bekennen. Na weer een weg met twee rijstroken per richting te hebben gevonden, reed ik eindelijk langs een voedselbron. De Shell, maar dan meer de Madurodam-versie. Aan de zure, scherpe lucht van koeienmest – als dat het was – was geen ontkomen aan. In mijn woonplaats Dordrecht heb je dat ook wel eens, maar dit was anders. Puurder.

Linksachter de Shell lag een prachtige wijk. Ontiegelijk grote villa’s. Geen hond op straat. Geen televisie stond aan. Geen geklets in tuinen. En dat voor een van de laatste zomerdagen dit jaar. Het leek wel geëvacueerd.

De wijk ‘het Waterland’


Ik pakte een te dure en viezig voorverpakte sandwich met gehakt en rekende af bij de caissière. 
“Sorry, maar waar ben ik nu eigenlijk precies?”
“Emmeloord.”
“O.”
“Dat was niet je plan, begrijp ik?”
“Ik wilde naar Urk, maar nu improviseer ik maar wat.”

We kletsten een tijdje over de omgeving en volgens de caissière viel Emmeloord qua volk goed met Urk te vergelijken. Vooral wat betreft de invloed van het Christendom. Het lag ook maar een kilometer of tien bij elkaar vandaan. 

Ik besloot na het wandelen door de wijk nog naar het centrum te rijden. Ook daar viel de stilte op. Geen fietsende jongeren of toeterend tuig. Geen mensen die door rood liepen of mensen die kletsten op straat.
Bij aankomst in het ‘centrum’ viel een grote Kerk, die leek op een soort vuurtoren, direct op . Er lag een klein winkelcentrum naast wat volledig was opgebroken en er zo bij lag als de huidige situatie naast de LocHal achter het station. Zodra ik de auto verliet en ging wandelen, voelde ik me erg ongewenst. Kwam dit door mijn vooroordelen, of doordat ik gewoon echt ongewenst was? Even vragen. 
Ze vertelde dat er niet veel jongeren wonen in Emmeloord. Mijn verschijning ervoer ze niet als onpasselijk, maar wel als opvallend. Oké, daar kan ik mee leven.
De vrouw was al wat ouder en liep kreupel. Had ze rugproblemen? Of maakte haar strakke rok normaal lopen onmogelijk?
Ze wilde overduidelijk van me af en liep gauw door. 

Na wat (Koninkrijks)zalen van Jehovah’s Getuigen gepasseerd te zijn, moest ik echt weer richting huis. Google Maps liet me op de terugweg niet zitten, gelukkig. 95 minuten. 

Reageer op dit artikel