“Genieten van mooie kunst houdt natuurlijk nooit op”

Als student-kloosterling had Richard Geerts het na enkele maanden wel gezien. Liever bouwde hij in de gewone wereld een leven op, dat om twee grote liefdes draait: zijn vrouw Bea en de schilderkunst.

Richard Geerts werd geboren op 12 april 1938 in De Mortel, een dorp vlakbij Gemert. Daar kwam hij ter wereld als derde en jongste zoon in een timmermansgezin. “Begin jaren ’40 verhuisden we naar Aarle-Rixtel, waar mijn zusje, het jongste kind, geboren is”, vertelt Richard. “De eerste tien jaren van mijn jeugd heb ik daar doorgebracht. De oorlog gingen grotendeels aan ons voorbij; we waren kinderen uit een klein dorp. In zekere zin waren die oorlogsjaren zelfs plezant, omdat we met Engelse soldaten konden voetballen.”

Richard vond zijn jeugd prettig. Armoede heeft zijn gezin niet gekend, al moesten zijn vader en moeder hard werken voor hun bestaan: “De eerste jaren van hun werkende leven hadden mijn vader en moeder het heel zwaar. Dat waren moeilijke tijden. Daarom maakte mijn moeder jarenlang als beroepscoupeuse manchesterbroeken voor een marktkoopman. Daardoor konden we het wel rond breien.”

Heimwee

Wanneer Richard een jaar of twaalf is, wordt hij door een aalmoezenier geronseld voor het kleinseminarie Christus Koning. Een kleinseminarie was een middelbare schoolopleiding die als voorbereiding op de priesteropleiding gold. Zoals veel kleinseminaries was ook Christus Koning een internaat.

“Het begin was moeilijk. In september ging je erheen en met Kerstmis mocht je pas voor het eerst weer naar huis. Dat was voor knaapjes van elf, twaalf een hele bedoening. De eerste periode had ik veel heimwee.”

“Wat mij heel dierbaar is bijgebleven is dat ik op Christus Koning een paar hele aardige vrienden had waar ik goed mee op kon schieten. We zorgden bijvoorbeeld voor elkaar wanneer iemand griep had; dan lieten we onze broers van huis uit fruit meebrengen zodat we dat aan medestudenten op de ziekenboeg konden geven.”

Zwarte pij

Na zijn tijd op Christus Koning vertrekt Richard naar een juvenaat (een eveneens op de geestelijkheid gerichte scholingsvorm) in Bergen-op-Zoom. Terwijl Richard daar de bovenbouw van het gymnasium aflegt, ontwikkelt hij twijfels over zijn toekomst als geestelijke. “In het laatste jaar sprak een van de begeleidende paters mij aan. ‘Ga maar naar Asten’, zei hij, ‘we zullen ervoor bidden dat je de opleiding daar een succes wordt.’”

“Gekleed in een zwarte pij hield ik het in dat Astense noviciaatsgebouw een kleine vier maanden vol”, vertelt Richard. “Ik merkte dat een kloosterleven mij toch niet goed zou liggen. Ik haakte naar een burgerbestaan met alle mogelijkheden die een normaal leven in de maatschappij biedt.”

Studeren en werken

De lokroep van de buitenwereld lonkt te sterk en Richard verlaat het noviciaat. Hij keert terug naar zijn ouders, die inmiddels naar Helmond verhuisd zijn. “Daar woonde ik in een door mijn vader aan het huis vast gebouwde serre, waar mijn bed en bureau stonden. Ik moest studeren omdat ik wilde werken. In die serre heb ik studies Franse en Engelse handelscorrespondentie gevolgd.”

Daarna begint zijn beroepsleven. Richard werkt onder andere op het vliegveld bij De Rips, bij de Helmondse textielfabriek Diddens & Van Asten en als inkoper bij een metaalfabriek. Daar blijft hij 22 jaar, tot aan zijn pensioen.

Koude handen

In de strenge winter van 1962 leert Richard Beatrix van Beeck kennen. Dat gebeurt op het ijs van de schaatsbaan van boer Kuijpers, die iedere winter zijn weiland nabij het kapelletje van Binderen liet bevriezen. “Bea en ik gingen schaatsen op die ijsbaan, maar dat deden we eigenlijk nog een beetje op eigen houtje”, herinnert Richard zich. “Toen we eenmaal aan het schaatsen waren, mopperde ik dat Bea toch wel erg koude handen had en dat leidde er weer toe dat ik die handjes vastpakte en zei: ‘Ik vind jou erg lief.’”

“Dat was de aanzet tot een verliefdheid die overging in een verlovingstijd, die in 1966 werd afgerond en opnieuw begon in een jong huwelijk. De eerste huwelijksdagen vonden plaats in een bovenwoning in de Margrietlaan in Helmond. Daar woonden we tot het bovenwoninkje te klein werd door de komst van onze twee zonen. Toen kregen we het huis waar we nu nog altijd wonen.” Daar werd de dochter van Richard en Bea, mijn moeder, geboren.

Tekenaar en schilder

Bij Richard en Bea in huis hangen veel schilderijen, waaronder een kopie op ware grootte van De aardappeleters van Vincent van Gogh. Op zolder staan rijen boeken over kunst en kunstenaars en een kamer op de bovenverdieping heeft jarenlang dienst gedaan als atelier. Richard is namelijk een begenadigd tekenaar en kunstschilder.

De liefde voor tekenen begon al vroeg. “Toen ik een jaar of negen was, zat ik op de stoep in de voortuin met een krantenknipsel in mijn hand waarin een reproductie van de Nachtwacht stond, die ik zat na te tekenen”, zegt Richard. “Ook op Christus Koning tekende ik graag en mocht ik vaak een tekening maken voor een jubilerende pater. Op een gegeven moment kwam er een deskundige kunstenaar uit Maastricht die tegen de rector zei: ‘Je moet zorgen dat Richard naar de kunstacademie gaat, want hij maakt hele mooie tekeningen.’ Toen ik in Asten afscheid nam van het noviciaat, wilde ik ook graag illustrator worden.”

In het begin van de jaren ’60 waren de mogelijkheden helaas niet zo rooskleurig; een tekencursus van 1200 gulden was eenvoudigweg te duur. “Ik heb nog altijd het foldertje van die cursus”, zegt Richard. “Indertijd speet het mij wel dat ik die cursus niet kon volgen.”

In zijn vrije tijd bleef Richard tekenen en schilderen. Jaren later heeft hij alsnog enkele cursussen kunnen volgen; in 1992 behaalde hij twee diploma’s voor illustratief tekenen.

Richard heeft in zijn leven talloze schilderijen gemaakt. Er is één doek waar hij bijzonder trots op is. “Dat is een schilderij waarbij ik de Nederlandse schilder Wim Schuhmacher honoreer. Ik heb een portret van hem en zijn vrouw nageschilderd, waarbij ik zelf al schilderend voor dat schilderij sta en met mijn linkerhand de rechterarm van Schuhmacher vasthoud, alsof ik hem als steun gebruik om zijn portret te kunnen schilderen.” Het schilderij, Magisch contact getiteld, werd in een wedstrijd uitgekozen om samen met andere winnende schilderijen in het Jan Cunenmuseum in Oss tentoongesteld te worden.

C’est la vie

Tegenwoordig schildert Richard niet meer; vanwege een ooghandicap kan hij de derde dimensie niet meer goed zien. “Een tijd geleden wilde ik een schilderij maken”, vertelt hij. “Ik bewoog mijn penseel richting het doek, maar toen stiet ik met mijn penseel tegen het doek aan omdat ik de afstand niet meer goed kon inschatten. Zo kwam ik tot de ontdekking: hé, vriend, je moet de penseeltjes nu maar aan de kant leggen en niet meer schilderen, want het lukt gewoon niet meer.”

“Nu kan ik alleen nog schetsen en is die periode ook afgesloten. Af en toe heb ik het er wel moeilijk mee dat ik niet meer kan schilderen. Maar er zijn ook schilders van grote faam geweest – Edgar Degas bijvoorbeeld – die op een gegeven moment ook niet goed meer zagen en het bijltje, of het penseeltje, er ook bij neer moesten leggen. Dat wordt wel eens door de Franse grote meesters aangeduid met c’est la vie.”

“Genieten van mooie kunst en schilderijen houdt natuurlijk nooit op”, zegt Richard. “Voor literatuur heb ik ook grote belangstelling. En ik vind het luisteren naar en genieten van muziek belangrijk, omdat muziek iets zo bijzonders is; het wijst naar iets meer dan het ordinaire leven hier op aarde.”

Reageer op dit artikel