“Ze gooien bommen”, riep ik tegen mijn moeder

Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog was Bets den Ouden slechts 10 jaar oud. Hier vertelt ze vanuit haar perspectief over de oorlog, de luchtaanvallen die huizen verwoestte, mensen in haar dorp die werden opgepakt en vermoord en de enorme honger die de oorlog met zich meebracht. Alle knipsels en foto’s toegevoegd aan dit artikel, zijn eigendom van haar.

“Ik was nog maar tien jaar oud, toen ik op een vroege vrijdagmorgen in 1940 werd gewekt door een luidruchtig geluid. Het was twee dagen voor Pinksteren. De voorbereidingen voor een grote maaltijd waren thuis in volle gang.  Met mijn ouders, broertje en zusje rende ik naar buiten. Boven ons hoofd krioelde het van de vliegtuigen. Niet zomaar vliegtuigen: Duitse vliegtuigen. Ze vlogen zo laag, dat we de hakenkruizen konden zien.”

“Oorlog? We wisten niet eens wat dat was.” Terwijl Bets hieraan terugdenkt, loopt ze met een lichtgebogen rug naar de keuken en pakt een fles cassis. Ze schenkt met trillende handen een glas vol. “Oorlog betekende toen slechts voor mij dat ik niet naar school hoefde.” Bets glimlacht een beetje. “Ik woonde in die tijd in Lekkerkerk, een dorpje onder de rook van Rotterdam. Het besef van oorlog kwam pas toen die stad op die beruchte dinsdag 14 mei werd gebombardeerd.”

Brand
“Volwassenen waren in die tijd zo naïef. Ze dachten dat de waterlinie ons wel zou beschermen tegen de Duitsers. Bij ons in het dorp geloofden ze daar niet zo in en ze besloten op Pinkstermaandag een schuilkelder in het dorp te bouwen. Dat deze nog gebruikt ging worden, had niemand kunnen raden. Dat besef kwam toen twee dagen later een zwager van de buren, die toentertijd politieagent in Rotterdam was, in paniek ons dorp binnenkwam. Ik weet nog precies wat hij riep: ‘Rotterdam staat in brand. Overal liggen brokstukken en puin. Je moet je eigen leven zien te redden!’ Zijn vrouw en kinderen had hij nog achtergelaten, maar die kwamen vrij snel hierna ook over.”

“Het bombardement van Rotterdam en de bezetting door de Duitsers had voor ons dorp gevolgen. We kregen te maken met evacuees. Bij ons thuis mensen opvangen ging niet, want wij waren al met z’n vijven. De buren hadden wél een vrouw met haar kinderen in huis genomen. En dit was nog maar een van de vele dingen waaraan wij ons leven moesten aanpassen.”

Ontevreden
“Naast naïviteit – wij hadden soldaten op fietsen, de Duitsers kwamen met enorme tanks – was er ook ontevredenheid over koningin Wilhelmina die naar Londen vertrok. Veel mensen vonden dat zij het volk in de steek liet. Ze liet ons hier achter. Daarnaast moest ook de burgemeester van ons dorp met spoed onderduiken. Hij weigerde namelijk mensen in te rekenen als er volgens de Duitsers een fout werd begaan. Zijn zwangere vrouw bleef achter. Zij werd ondergebracht bij de lokale dokter. Daar is zij toen ook nog bevallen.”

“Ons dorp kon natuurlijk niet zonder burgemeester zitten, maar al snel werd er nieuw gezag aangesteld. Een NSB’er kwam aan de macht. Ik weet zijn naam niet meer, maar een verkeerde man was het niet.” Bets strijkt met haar hand door haar lichtgrijze haar. “Hij heeft niemand verraden. Hij wilde gewoon wat ze in Duitsland ook hadden: financieel sterk staan. Uiteindelijk is de beste man na de oorlog wel opgepakt. Ik geloof dat hij niet heel lang heeft gezeten: een jaar ongeveer. Daarna is hij gewoon aan de slag gegaan als onderwijzer.”

Inleveren
“Met een NSB’er in het dorp en Duitsers aan de macht in Nederland, veranderde er wel wat in Lekkerkerk. De radio werd bij iedereen afgenomen. Ze waren natuurlijk bang dat we stiekem naar de Engelse radio zouden luisteren. Ook alle koperen bezittingen moesten we afstaan aan de Duitsers.”Weer lacht Bets een beetje. “We hebben niet alles meegegeven. Mijn nicht uit Rotterdam had bij ons een koperen paraplubak gestald, deze wilde ze absoluut niet kwijt. Mijn vader heeft toen nog een gat gegraven onder het kippenhok en de bak begraven. Na de oorlog was deze lang niet zo mooi meer als toen. Het vocht was erin getrokken.”

“Ook andere dierbare spullen werden bij ons thuis achtergelaten. De trouwuitzet van mijn nicht kreeg gedurende de oorlog een mooi plekje bij ons in huis. Ik weet nog dat ze ermee aankwam, want ja, trouwen in de oorlog wilde ze niet. In Rotterdam was het onveilig en ze wilde haar spullen daar niet laten.  Niet dat het bij ons veel veiliger was. Dat bleek later wel.”

“Mijn moeder zat op een zaterdagochtend spinazie te snijden in de tuin. Mijn vader was bezig bij de burgerbescherming. De datum weet ik niet precies meer. Een jager uit ons dorp had een Duits vliegtuigje uit de lucht geschoten. Dat ging niet onopgemerkt voorbij. Mijn opa zat toen buiten in de tuin en zag de kogels vanuit de Duitse tegenaanval naast hem wegkaatsen. Veilig was het dus zeker niet.”

Verzet
“De jaren na het bombardement op Rotterdam, waren niet makkelijk. Er woonden geen joden in ons dorp, maar dat betekende niet dat er geen mensen zijn vermoord. Ik weet nog heel goed dat het nieuws zich verspreidde dat achttien mensen uit het dorp waren doodgeschoten door Duitsers. Dit allemaal omdat ze in het verzet zaten.”

Bets zucht even en denkt weer terug aan dit moment. “Een van hen was de Lekkerkerkse George den Boon. Hij zat in het verzet en werd samen met de 15 mensen doodgeschoten op de Waalsdorpervlakte. Mijn vader zei altijd: ‘als een van hen hierover had gepraat, was het grote deel van het dorp er niet meer geweest.’ De Waalsdorpervlakte is nu een van de belangrijkste herdenkingsmonumenten van de Tweede Wereldoorlog.”

De Geuzen
George den Boon behoorde als luitenant tot verzetsgroep de Geuzen. “Bernard IJzerdraat was de oprichter van de groep”, vertelt Wendy Broer-van der Hak van Vereniging Erepeloton Waalsdorp. Hij spoorde de groep aan om Duitsers te bespioneren. Veel acties kwamen er niet. De lichtkabel van de zoeklichtbatterij in Rotterdam werd doorgesneden, net zoals de telefoonleidingen in Hoek van Holland. Voornamelijk in Vlaardingen werd veel gepraat over deze acties. Ook de Duitsers kregen al snel weet hiervan. De Geuzen werden opgepakt en ter dood veroordeeld. “15 leden van de Verzetsgroep zijn op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd. Dit was op 13 maart 1941.”

Schuilen
“Net na Dolle Dinsdag in september 1944, het moment dat Nederland te horen kreeg dat de geallieerden in hoog tempo terrein hadden terugveroverd, rukten er boven onze hoofden ook Engelse gevechtsvliegtuigen op. Mijn moeder zat buiten appels te schillen voor de winter en ik hielp haar. Toen ik doorkreeg wat er aan de hand was, gilde ik: ze gooien bommen! De Engelsen beschoten alle boten die op de nabijgelegen Lek voeren, in de hoop de Duitse troepen te raken. Maar tijdens deze actie werd ook ons dorp geraakt. Ik vluchtte met mijn moeder naar de kelder van ons huis en waar we minutenlang plat op de grond bleven liggen. Dit leek op dat moment het veiligst. Ik hoorde het rekje met kruiden vallen. De glazen potjes kletterden op de grond in duizenden stukjes. Ook de ruiten van ons huis hoorde ik sneuvelen. Mijn moeder bleef in pure angst roepen om mijn broertje en zusje. Die waren op dat moment niet bij ons. ‘Waar zijn mijn kinderen?’ bleef ze als een mantra herhalen. Achteraf bleken zij op tijd in veiligheid gebracht bij de buren.”

“Aangezien ons huis na deze ‘goedbedoelde’ aanval onbewoonbaar was geworden, waren we genoodzaakt om een week lang bij buren te logeren. In een week tijd werd ons huis, met hulp van anderen, weer bewoonbaar gemaakt. Dat moest ook wel, omdat de herfst eraan zat te komen.”

Ruilen
“Tot ruim na de bevrijding was het belangrijkste dat we elke dag wat te eten hadden. Dit was een lastige klus, aangezien er steeds minder producten uit Indië kwamen. Alles was surrogaat. Simpele dingen als thee en bananen waren niet meer te verkrijgen. We kregen wel voedselbonnen. En op het moment dat ik maar dacht dat er íets te halen viel, ging ik naar de winkel. Ook hadden wij thuis niet zo veel geld, dus de meeste bonnen werden weer geruild voor tabak. Wat betreft eten moesten het doen met wat we zelf teelden. In ons geval waren dat wat aardappels en groenten.”

voedselbonnen
De voedselbonnen die Bets na de oorlog bewaard heeft.

Ze pakt ondertussen een grote pan vers gemaakte groentesoep van het vuur. Het is bijna genoeg om een weeshuis te voeden. “Warm eten doe ik nog steeds tussen de middag. Dat ben ik gewend. Ook gooi ik wat ik overhoud niet weg hoor. Dat is iets wat ik wel geleerd hebt: altijd bewaren.”

In de voorraadkast van Bets staat dan ook een dozijn aan bewaardoosjes. Oude Becel-doosjes en ijsdozen die zijn schoongemaakt. Hierin wordt de soep verdeeld. Voor één persoon in de boterverpakkingen, voor een groter aantal eters in de ijsdozen. “Het gevoel om honger te lijden heb ik namelijk gekend. Onze aardappelvoorraad slonk tijdens de oorlog enorm. Om me heen zag ik kinderen hun truien ruilen voor een handjevol aardappels. Dat gebeurde gewoon. Mijn moeder heeft zelfs nog alle babyspullen geruild. Ze zei toen: ‘als ik nog een kind krijg, zie ik het dan wel weer.’”

“Met mijn broertje Jan werd ik ook op pad gestuurd om in het dorp aan te bellen en te vragen om aardappels en andere groente. Aan melk konden we wel regelmatig komen, omdat er veel melkboeren in onze omgeving woonden. Meer dan dat, was er ook niet. We liepen in de stromende regen langs de huizen en ik had alleen een regencape over mijn kleding aan. Dat beschermde natuurlijk helemaal niet.” Bets denkt even na en dan denkt ze terug aan iets wat haar toentertijd boos maakte. “Ik hoorde via de buren dat anderen mensen in het dorp een eigen aardappelput hadden, een soort van opslag. En ik ben geen voorstander van stelen. Mensen deden dat niet. Ook al had dat in dit geval wel geoorloofd geweest.”

“Tijdens de oorlog werd ik ook nog eens ziek. Zes weken lang lag ik op bed met enorm hoge koorts. De dokter wist niet waar het vandaan kwam. Wellicht omdat ik vaak buiten liep in veel te koude kleding. Ook moest ik het maar doen met een paracetamol. Iets anders was er namelijk niet. Als geluk bij een ongeluk werd toen de ‘Kinderkeuken’ opgestart. Een initiatief in het dorp waarbij iedereen onder 14 elke dag te eten kreeg. Elke week werd een koe geslacht zodat deze gebruikt kon worden in een maaltijd met bonen. Zo kregen kinderen toch een goedgevulde maaltijd binnen. Met een bakje en eigen lepel moest je je dan melden bij de dichtstbijzijnde school, daar kreeg je dan te eten. Je moest het ook per se daar op eten. Ik weet ook nog heel goed dat het eten in enorme melkbussen? werd geleverd. En als andere kinderen hun bord niet leegaten, dan deed ik dat wel voor ze. Hoe vies ze ook waren, op dat moment maakt je dat echt niets uit.”

“Veel kleding hadden we ook niet. Maar dat veranderde tijdens de wapendroppings. Er werden wapens door de geallieerden naar beneden gegooid. Aan parachutes landden ze bij ons in de polder. Ik was meer bezig met de parachutes. Ik heb van die stof een blouse gemaakt. Je moet gebruik maken van de middelen die je hebt.”

Wapendroppings
De Britse luchtmacht dropte vanaf augustus 1944 wapens en andere materialen op verschillende plekken in Nederland. Deze werden ’s nachts met een parachute uit een vliegtuig gegooid. Van tevoren werd dan afgesproken hoe laat en waar de dropping was, zodat de mensen in het verzet deze ongezien konden vervoeren. In Lekkerkerk is in 1998 een monument onthuld, dat herinnert aan de wapendroppings.

Bevrijding
“De dag van de bevrijding weet ik me ook nog goed te herinneren. Het was natuurlijk het beste nieuws dat we ons op dat moment konden wensen. Het moest gevierd worden. Dit wilde we doen met eten, maar we hadden eigenlijk niets in huis. Ik liep door het dorp, langs alle huizen met de Nederlandse vlag uit, vragend om wat te eten. Van de buren kreeg ik toen wat rogge. Hiermee heeft mijn moeder toen roggepap gemaakt. Zo hadden we toch een feestmaal. “

krant-5-mei
De eerste krant op Bevrijdingsdag

Invloed
“Nu ik erover nadenk, speelt de invloed van de oorlog nog steeds mee in mijn leven. Ik schaam me namelijk soms enorm dat ik sta te neuzen tussen alle broden in het schap van de supermarkt, op zoek naar dat ene specifieke. Vroeger hadden we alleen witbrood en tarwebrood en dat was toen voldoende. Ik bedenk me dat ik slecht ben in weggooien. Hier kwam ik dan ook wel achter toen ik anderhalf jaar geleden moest verhuizen.” Een blik in de flat van Bets laat dan ook zien dat ze veel dingen bewaard. Zo heeft ze een houten kastje vol vingerhoedjes. Jarenlang heeft ze deze bij elkaar gespaard, maar nu vindt ze het wel genoeg. Maar weggooien gaat nooit gebeuren. Ook de luie stoelen met houten leuning, de eettafel- en stoelen en het houten klokje met gouden wijzerplaat dat op de kast staat, heeft ze al jaren. Alleen de luie stoel, waar ze momenteel in zit, heeft ze nog niet zo lang. Ook Bets is, gezien haar leeftijd, op zoek naar meer comfort. Dus vandaar een stoel die te verstellen is. “Kleding en andere spullen gooi ik ook niet snel weg. Vroeger was het heel normaal om van gordijnstof broeken te maken.”

“Ook denk ik nog vaak terug aan de oorlog en hoe ik dat niemand gun. Ik denk er niet elke dag aan hoor, maar ik maak me wel zorgen. Wat als het weer gebeurd? Wat moeten mijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen dan? Ik probeer met een positieve blik naar de toekomst te kijken, maar dat gaat niet altijd. Toen in 1940 was de oorlog voor mij al heftig, maar wat als er nu een nieuwe uitbreekt? Nu met al die nucleaire munitie die veel landen paraat hebben staan. Volgens mij zou dat hele provincies wegvagen. Dat is niet te vergelijken met toen. Die angst blijft me bij.”

foto-oma
Jonge Bets in de bevrijdingstijd in mei 1945. De kinderen kregen op school soep te eten uit grote melkbussen, zoals ook eerder in het artikel genoemd.

 

Reageer op dit artikel