Het dorp ter grootte van een walvis

De internationale walvisvaart is haast uitgestorven. Alleen Japan, de Faroër-eilanden en IJsland jagen nog op de zeezoogdieren. Het is daarom moeilijk voor te stellen dat er 50 jaar geleden nog zo’n veertienhonderd walvissen aan wal werden gebracht in De Rijp, een dorpje dat zijn bestaan dankt aan de walvisvaart.

Het is 13 april, 1670, een zilte zeewind raast over de smalle binnenwateren van De Rijp, een minisicuul dorpje in Noord-Holland. De rondcirkelende meeuwen en de geur van zoute haring verraden al snel de primaire inkomsten van het dorp: de zeevaart. Een eenzame visser staart roerloos in het water naar zijn dobber, hij is een van de weinig aanwezige mannen in het dorp. Momenteel zijn de inwoners van het dorp namelijk nog altijd in de greep van een walvisexpeditie, ondernomen door de rederij Boon. Onder leiding van scheepscommandeur William Barentsz voeren een vijftigtal vissers uit het dorp een week geleden richting het hoge Noorden, daar waar zij met harpoenen potvissen, blauwe vinvissen en grienden trachten te vangen. In afwachting van de vangst bereiden veel huisvrouwen zich in spanning voor op de terugkeer van hun partners, uit ervaring weten zij namelijk dat deze expedities niet zonder risico zijn. Het zou niet de eerste keer zijn dat er minder zeelieden terugkomen dan er vertrokken of dat de buit ‘slechts’ bestaat uit enkele jonge potvissen.

Weinig walvissen, veel inwoners
‘Het is niet meer voor te stellen’, zegt Gervien Pielage, bestuurslid van Museum In ’t Houten huis uit De Rijp. ‘Terugkijkend op een tijd waarin een compleet dorp het moest zien te rooien van haringvisserij en walvisvaart kunnen we concluderen dat de walvisvaart weliswaar rigoreus is veranderd, maar het dorp De Rijp niet zo bijster veel.’
Ondanks dat het dorpje destijds afhankelijk was van deze inmiddels uitgestorven bedrijfsstak, heeft het tegenwoordig nog altijd een relatief hoog inwonersaantal. Maarliefst vierduizend mensen zijn –nog- woonachtig in het pittoreske gehuchtje. Omringende dorpen die ook ontstonden door walvisvaart zoals Jisp (1000 inwoners) en Huisduinen (500 inwoners) stroomden echter wel leeg na de gloriedagen van de walvisvaart.

Uitgestorven
Die aftakeling begon in de jaren zestig van de vorige eeuw, Nederland hervatte na de Tweede Wereldoorlog de walvisvaart en hoopte hiermee op broodnodige inkomsten. De realiteit was echter anders: ‘lege’ zeeën door overbevissing wachtten de Nederlandse walvisrederijen op. ‘In het begin van de walvisvaart waren er soms scholen te zien van wel tweehonderd walvissen, op het laatst gebeurde het zelfs vaker dat we vier dagen lang geen enkel teken van leven zagen’, verklaart oud-traankoker Anton Schols tegenover televisiepogramma Andere Tijden.
Het is 16 april, 1670. In de tuinen van De Rijp, afgebakend met hekjes gemaakt van walvisribben, hangen verschillende vrouwen de was op terwijl er een luide scheepsbel rinkelt, verderop roept iemand uitgelaten: ‘ze zijn terug!’ Opeens komt het dorp tot leven; de straten die eerst verlaten oogden stromen opeens vol met joelende kinderen, schoorstenen van traanstokerijen aan de waterkant beginnen te roken en hijskranen worden opgebouwd. De statige deuren van commandeurshuizen (woningen van de hoogste officieren binnen de walvisvaart) zwaaien open, verschillende vrouwen gehuld in een schort komen opgewonden naar buiten rennen. Allemaal richting de haven waar zojuist een schip aanmeerde met aan boord maarliefst twee reusachtige grienden, diens vlees, botten en lichaamssappen goed voor een maand aan inkomsten en eten voor het dorp.

Laatste sporen van walvisvaart
Tijdens de hoogtijdagen van de walvisvaart, vandaag de dag zo’n vierhonderd jaar geleden, floreerde De Rijp en diens visserij en bijbehorende nijverheid. Het octrooi dat de Noordsche Compagnie kreeg op de vangst van robben en walvissen zorgde namelijk voor een alleenrecht op walvisvangst. Naast de West-Indische Compagnie (WIC) en Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) werd de Noordsche Compagnie hierdoor de op twee na grootse nationale handelsorganisatie.
De sporen van de walvisvaart zijn tegenwoordig echter nagenoeg gewist. ‘In dit dorp zijn er nog herinneringen aan die tijd te vinden, maar dat is nog maar op weinig plekken in Nederland’, zegt Pielage. Vooral de kleine scheepswerven en mini-fabriekjes aan de waterkant herinneren aan een tijd van intensieve visserij. Hier werden bakken vol walvisbotten en tonnen levertraan omgetoverd tot smeerolie (in de volksmond knekelolie genoemd) voor machines. Op de nabijgelegen velden herbergden de rederijen hun vangsten; de stank van de walvislijven was vaak te ondraaglijk om in het dorp te worden versneden.

Een ander overgebleven bewijs van de vissershistorie van De Rijp staat aan de waterkant: een man kijkt met gepaste focus toe hoe zijn dobber de stroom trotseert. Naast hem staat een bakje met mais. Zuchtend werpt hij zijn hengel nog eens in, hopend op een goede vangst, hopend op een griend of vinvis.

Reageer op dit artikel