Het waait er altijd

Reportage Leens

In het Groningse Leens vergeet men de contrasten tussen centrum en periferie, die het journalistieke etablissement vanuit hun Randstedelijke zetel zo naarstig probeert te duiden. Ten eerste omdat de Groninger uit Het Hogeland niet zit te wachten op Randstedelijke input. Ten tweede omdat men voor contrasten niet eens de vergelijking hoeft te maken tussen stad en platteland. Jong en oud, vroeger en heden, conservatief en progressief: in Leens, dat nog geen 2000 inwoners telt, zijn de verschillen tussen deze tegenpolen voelbaar. Het geruis over ‘de ander’ is op de Groningse wierden even luid als dat van de wind.

Het Hogeland, de gemeente waar Leens onderdeel van uit maakt, is een van de vele krimpregio’s in Nederland. Het bereikte zijn hoogste inwoneraantal al in 1990, toen er nog 51.324 mensen woonden in plaats van de huidige 47.834. Die leegloop lijkt voor de meeste inwoners echter geen belangrijk onderwerp van discussie. De leegte, of rust, wordt eerder geprezen dan gehekeld, zo ook door Coby (72), zelf afkomstig uit Apeldoorn: “Ik vind de rust hier heerlijk; het was voor mij een van de redenen om hierheen te verhuizen. Ik merk eigenlijk ook niet veel van de leegloop. De zoon van mijn buurvrouw is al op zoek naar een huis zodat hij na zijn studie hier terug kan komen.”

De notie dat een dorp als Leens achter zou blijven bij landelijke ontwikkelingen, wordt dan ook niet gedeeld. “We hebben hier alles wat we nodig hebben: de bibliotheek waar we nu zijn, twee supermarkten, een bakker, een huisarts, drie kerken”, zegt Coby, “al ga ik daar zelf niet heen,” voegt ze op een merkbaar zachtere toon toe. “O ja, we hebben alleen geen tandarts meer. Die is begin dit jaar overleden. Maar één dorp verder zit er wel een, dus dat is ook geen probleem.” “We zijn hier niet achterlijk hoor”, voegt de meeluisterende bibliothecaresse licht geïrriteerd toe.

Drie kerken voor 2000 inwoners, dat is één kerk per 667 personen, om voor de hand liggende redenen naar boven afgerond. Ter vergelijking: in Nederland zijn er 7000 kerken (waarvan een groot deel in onbruik geraakt) voor 17,18 miljoen inwoners. Dat is in het gunstige geval één kerk per 2454 personen.

Daaruit valt in ieder geval te concluderen dat er aan religieuze ontmoetingsplaatsen geen gebrek is in Leens. Hetzelfde kan niet gezegd worden over recreatieve ontmoetingsplaatsen. De enige plek waar er op een donderdagmiddag drinkende dorpelingen te vinden zijn is de plaatselijke snackbar. Dat was vroeger wel anders, vertelt Hendrik (46): “Vroeger waren er hier nog twee cafés. Dat werd er één, en nu is er niet eentje meer. Vind je het gek dat de jeugd hier zich kapot verveelt?” De overgang van het in rook gehulde bruine café naar de naar frituurlucht ruikende snackbar is niet de enige onaangename verandering voor de dorpelingen. Hendrik zet zijn biertje op de plastic tafel, wendt zich af van zijn drie vrienden en vervolgt: “Toen ik jong was hadden we altijd geld om handen. Het uitgeven daarvan begon op zaterdag in de voetbalkantine (bij een voetbalvereniging die ook niet meer bestaat, red.). Als we daar genoeg van hadden, trokken we richting kroeg 1. Vervolgens kroeg 2. Een BOB hadden we toen bijna nooit maar dat was geen probleem: we hadden altijd wel geld voor een taxi naar Groningen-stad. Én voor een taxi terug. Zo deden we makkelijk 4 plekken aan voordat we weer thuis eindigden.” “Of in de sloot”, voegt iemand lachend toe terwijl hij zijn biertje in de lucht heft. Jan (72) herkent zich in de heimwee in bevestigt dat de tijden veranderd zijn: “Een taxi naar Groningen kost nu makkelijk 80 euro. Dat kan geen jongere hier betalen, zeker niet elke week.”

Dat heeft volgens de heren in de snackbar meer ernstige gevolgen dan verveling: “Als je cocaïne of andere harddrugs wilde moest je in onze tijd naar Groningen-stad, en zelfs daar nog je best doen”, aldus Hendrik. “Nu gaan er hier ook steeds meer verhalen rond over jongeren die aan die troep zitten.” Met toestemming van een van zijn vrienden, die wel liever onbekend wil blijven, voegt Hendrik voorzichtig toe: “Zijn dochter is een tijdje betrokken geweest bij een drugsdealer. Die klootzak verwachtte dat zij hem aan extra klanten zou helpen. Dat is nu gelukkig opgelost, maar dat zijn bijna loverboypraktijken: dat was ondenkbaar toen wij jong waren.”

Vanzelfsprekend zou harddrugsgebruik in iedere kleine gemeente tot reuring leiden. Dat is eens te meer zo in Het Hogeland: “Je moet wel beseffen dat we in de regio zijn waar Hendrik de Cock zijn leer ontwikkelde”, legt Jan uit. Deze Hendrik de Cock was een van de hoofdverantwoordelijken voor de Afscheiding van 1834, die tot het bestaan van de ‘strengere’, meer conservatieve, gereformeerde kerken leidde, naast de Nederlands Hervormde Kerk. De Cock heeft na vele eeuwen nog altijd een grote invloed op de Leense identiteit. Dat is historisch duidelijk te observeren. In zowel de 19e als 20e eeuw was Groningen het toneel voor geschillen tussen vermogende herenboeren en landarbeiders. Een van de gevolgen hiervan was dat het communisme en het socialisme veel aanhang wonnen in Oost-Groningen, dat vandaag de dag de enige regio is met een communistische partij (de VCP). De Hogelandse bevolking leek echter meer aandacht te hebben voor de werken van De Cock dan voor die van Marx: de rebellie van het communisme kreeg nooit echt voet aan de grond in Leens en diens omringende dorpen.

Zo heeft Leens nu nog twee protestants gereformeerde kerken, en één vrijgemaakte kerk. “Die zijn nóg strenger”, zo vat Hendrik eenvoudig samen. De aanwezigheid van die geloofsgemeenschap leidt tot botsingen tussen oud en modern: “Het dorp was in rep en roer toen de Jumbo hier een tijd geleden besloot om ook op zondag open te gaan. Dan gaan mensen letterlijk de straat op om te protesteren.” Hendrik meent dat enkelen van deze gelovigen niet ontkomen aan een stuk hypocrisie: “Een van de gasten die ik toen het meeste hoorde-en die trouwens ook nog met anderen door de straat marcheerden toen we hier op zondag zouden gaan voetballen-, zit ook aan de drugs. Die snuift zichzelf op zaterdag de ellende in en zit op zondag braaf te bidden voor de heer. Een beetje scheef, niet?”

Het meest pijnlijke voorbeeld van de wrijving tussen het nu en tijden van weleer, is misschien wel het verhaal over een actief lid van de vrijgemaakte kerk en zijn dochter. Hendrik: “Die man leefde compleet volgens ‘het boekje’. Toen kwamen ze erachter dat zijn dochter lesbisch was. Een deel van de kerkgemeenschap heeft actief geprobeerd om zijn dochter te verbannen uit het dorp. Uiteindelijk heeft de vader de kerk verlaten en is daarmee genoegen genomen, maar het blijft natuurlijk triest.”

“Zo erg is het hier allemaal ook weer niet, hé Hendrik”, maant een andere snackbarbezoeker Hendrik toe. “Nee, maar die dingen gebeuren hier wel gewoon. Natuurlijk doen de meesten van ons gewoon nog ons eigen ding.” Toch kan hij het niet laten om ook daarbij een kanttekening te plaatsen. “Maar niet zo erg als vroeger. Toen hield lekker niemand ons nog in de gaten.” Hendrik en zijn gezelschap proosten, en vervallen al snel weer in anekdotes over hun kwajongensstreken van de vorige eeuw.

De haast cowboyachtige achtergrond van deze verhalen in het Groningen landschap lijken soms afkomstig uit een ander tijdperk. De scholieren in de bus naar Winsum, waar de dichtstbijzijnde middelbare school is, knauwen niet meer zo als hun ouders, die niet meer knauwen als hún ouders. Ze dragen merkkleding waarmee ze in Amsterdam niet zouden opvallen, en gebruiken woorden zoals kill en bro, zoals iedere andere leeftijdsgenoot die toegang heeft tot YouTube. Dat is niet anders in de leegte van het Hogeland.

De jongere generatie voelt die leegte, bewust of onbewust; dat wordt op station Winsum treffend geïllustreerd . Een groep tieners, stuk voor stuk omhuld in capuchon, verzamelt zich rondom een kleine speaker met een verrassend harde bas. Steen blaast uit de speaker. Steen, de Nederlandse grondlegger van kadaverrap, die het gebruik van het woord kanker als belangrijkste stilistische kenmerk heeft, die shockeren en het omschoppen van heilige huisjes als belangrijkste doel heeft. Het is al bijna een decennium geleden dat de populariteit van Steen op zijn hoogtepunt was, maar klaarblijkelijk blijft het dé muziek van de rebellerende puber. In ieder geval in Het Hogeland. De muziek voor de verloren, of verveelde jongere, die zich maar wat graag wil afzetten, zelfs al weet hij of zij niet waartegen. Een vijftal tieners steekt amicaal hun middelvinger op naar een afscheid nemende vriend. De middelvinger wordt bijna trots langer dan nodig omhoog gehouden. Iedereen mag hem zien.

In Leens lijkt de gemiddelde inwoner het leven te leven op eigen voorwaarden, zoals overal in Nederland. Wat ‘de rest’ denkt wordt wel besproken, maar niet serieus genomen, omdat men niet anders kent of niet anders wil kennen. Zoals overal in Nederland. Toch lijkt de geest der tijd met rap tempo grip te krijgen op Het Hogeland. De identiteit van de regio van Hendrik de Cock lijkt dan ook niet voor eeuwig solide te zijn. ‘Het waait er altijd’, schreef dichter C.O Jellema in een gedicht dat te zien is bij de trappen van de Leense Petruskerk. Het nog ongewis of de aankomende generaties het waaien op de wierde nog net zo zullen koesteren. In de afsluiting van het gedicht vangt Jellema zijn onzekerheid:

voor als dat hele

idee van idylle

ondergronds gaat,

wat dan,

op zo’n wierde, in

hij blaast waarheen hij wil

en gij hoort zijn geluid

maar gij weet niet vanwaar

die eeuwige wind?

Reageer op dit artikel