Hoe voetbalclub Quick 1888 na meer dan honderd jaar bijna ten onder ging

 

Als één van de oudste voetbalclubs van het land was Quick 1888 uit Nijmegen een zeer gerespecteerde vereniging. De club stond bekend als deftig en droeg zelfs de bijnaam de ‘dame van Nijmegen’ tientallen jaren met zich mee. Dat veranderde. Nadat de club verhuisde naar de huidige locatie aan de Dennenstraat, kreeg het te maken met een grote toename aan allochtone leden. Dit leidde tot zoveel problemen dat zelfs faillissement een reële angst werd.

Bij aankomst op sportpark De Dennen voelt de sfeer gelijk magisch. Een oude poort, vergelijkbaar met die aan de Vetkampstraat bij Go Ahead Eagles of het Anfield Road van Liverpool. Helaas is de poort dicht. Cultureel erfgoed. Met respect loop ik met een voorzichtige bocht om de poort heen en betreed het terrein van deze 129-jarig oude club. De rust van een stokoude voetbalvereniging is merk- en voelbaar. Af en toe een passerende, vriendelijk groetende voetganger, de herfstblaadjes die langs je heen waaien en in de verte voetballende kinderen. De volgende, minder voorstellende poort die ik tref staat wagenwijd open. “Dit object wordt beveiligd door beveiligingsbedrijf Isis”, lees ik. Ik schiet in de lach. Ironie. Ik heb namelijk een afspraak met voorzitter John Peters, om het eens haarfijn te hebben over het ‘allochtonenprobleem’, waar de club jarenlang tegenaan hikte.

 

 

 

‘Witte uitvlucht’

‘Quick wil allochtonen bij de poort tegenhouden’. Dit was een kop uit een artikel van De Gelderlander in 2010, die Peters het vuur aan de schenen legde nadat hij het nieuwe beleid van ‘zijn’ Quick 1888 bekend maakte. Voortaan werden allochtone spelers op een wachtlijst gezet, totdat er een team kon worden samengesteld dat voor minimaal de helft uit Nederlandse spelers bestond. Als er niet voldoende autochtone spelers waren, mochten de allochtone spelers wel lid worden en deelnemen aan de trainingen en activiteiten, maar niet aan de competitie. Dat klinkt al iets genuanceerder dan de titel uit het stuk van De Gelderlander deed vermoeden, zo beaamt Peters. “De kop van De Gelderlander was niet zoals ik het bedoelde, ik heb dat niet zo gezegd. Dat betekent echter niet dat het allochtonenprobleem niet speelde.”

Tussen 2000 en 2010 kreeg Quick te maken met een ‘witte uitvlucht’, zoals Peters dit noemt. “Heel veel mensen die van origine ‘Quicker’ waren, vertrokken. Zij voelden zich niet meer thuis bij het Quick van toen, door het grote aantal allochtonen. Het beeld van onze club veranderde compleet. Nadat iedereen vertrok, hadden we nog maar acht jeugdelftallen. De allochtone toestand was goed zichtbaar. Je zag enkel donker op het veld, jongens van Marokkaanse en Turkse afkomst.”

Verhuizing

Een belangrijke oorzaak van de allochtonenstroom was de verhuizing van Quick. De club ging in 1960 van het sportpark aan de Hazenkamp naar de Dennenstraat, wat betekende dat de bevolkingssamenstelling rondom de club veranderde. “Tot vroeger, zo’n twintig jaar geleden, hadden we een jeugdafdeling van 1500 leden. We waren echt een grote club. Nu hebben we een prachtig sportpark, maar de wijk hierachter; dat is echt een allochtone wijk. Neerbosch-Oost heet het. Daar staat een school die voor 98 procent allochtoon is. Veel kinderen die daar zitten, komen bij ons voetballen. Toen wij hier in 1960 gingen wonen, was het gebied nog kaal. We hadden het niet kunnen voorzien dat we uiteindelijk zo’n twintig jaar geleden met allochtonen te maken zouden krijgen bij de club. Uiteindelijk was de verhouding allochtoon/autochtoon zo’n 70/30. Totaal scheef en het liep uit de hand.”

Geen begrip voor clubcultuur

Naast de verhoudingen herstellen, had Quick onder het beleid van Peters ook nog een ander streven: steeds meer vrijwilligers werven, voornamelijk onder allochtonen. “Dat ging moeizaam, kan ik je vertellen. Die mensen snapten de cultuur van een amateurvereniging niet. Ze kwamen hier voor een contributiebedrag of via het geld van de stichting Leergeld van Nijmegen voetballen, maar over het algemeen merkten we hetzelfde: ze kwamen hun kind afleveren bij de club, wij moesten zorgen dat hij goed kon trainen en wedstrijden kon spelen en daarna werd hij weer opgehaald. Deze ouders spraken we steeds meer aan. Wij legden meer persoonlijk contact met hen, onder andere langs de zijlijn. ‘Hé, zou jij dit niet een keer willen doen?’, vroegen we bijvoorbeeld.”

‘De Turken van Quick’

Peters zelf was tijdens de roerige periode lid van Quick, maar niet bepaald actief. Dat betekent niet dat hij de ontwikkelingen van de club niet meer meemaakte. “Onze kinderen, hoe klein ze ook waren, gingen hier voetballen. F- of E-pupil, het maakte niet uit, maar bij wedstrijden kregen de kinderen altijd hetzelfde te horen: ‘Hé, daar komen de Turken van Quick weer aan.’ Ach germ. Dat beeld ontstond. Als er iets gebeurde op het veld wat niet leuk was, was het altijd de schuld van de allochtonen. Er ontstond onrust bij de club. De paniek sloeg niet toe, maar we waren bang voor de beeldvorming dat Quick helemaal afgeschreven zou worden. Dat ging er nogal pittig aan toe. Uiteindelijk lichtten we de gemeente en de KNVB in. Zij hielpen ons vooral met personele faciliteiten om het probleem te verhelpen en om er bovenop te komen.”

Hulp

De hulp vanuit de KNVB en de gemeente kwam niet vanzelf. Vanuit beide kampen was kritiek op het nieuwe beleid van Peters. “Uiteindelijk wees de KNVB ons een functionaris toe. Die ging ons helpen en begeleiden met hoe wij intern de zaak op konden lossen. Dat ging zo goed dat diezelfde persoon zelfs lid van ons bestuur werd. De gemeente hielp door bijvoorbeeld de wijk en relaties met scholen te onderzoeken. Uiteindelijk moesten we ons beleid weer zelf gaan regelen. Die draad hebben we opgepakt. Elk jaar ging dat steeds beter. Tegenwoordig heeft de club opvallend genoeg geen contact meer met de KNVB en de gemeente over deze kwestie. “We krijgen ook geen terugkoppeling. De gemeente vraagt ook niet: ‘Hoe is het eigenlijk met jullie?’ Ik denk daar nu pas over na. Het zou normaal zijn, maar dat zeg ik nu pas voor het eerst.”

Discriminatie en spanningen

Met het nieuwe beleid van Quick kreeg de club veel beschuldigingen van discriminatie te verwerken. Dat is nu verleden tijd. “Het gevoel is weggeëbd, wat er pakweg tien jaar geleden was. De eerste weken na dat interview waren wel enorm lastig. Alles en iedereen kwam over je heen.” Nadat Peters het nieuwe beleid had uitgesproken, werd hij ook niet bepaald geholpen door andere clubs. “Wat we merkten is dat de club Blauw-Wit, ik noem het even een ‘witte’ club, toentertijd allochtonen die zich aanmeldden doorverwezen naar ons. Dan wil je graag goede collega’s zijn als clubs onderling, maar dat wekte wel wrevel op. Ik vraag me af of het nog steeds gebeurt.”

Gerotzooi

Een ander probleem die de allochtonen volgens Peters met zich meebrachten, was hun gedrag. “Sommigen maakten er echt een puinhoop van. Toen hadden we die oude meuk hier ook nog, oude kleedkamers en een oud clubhuis. Er werd letterlijk ‘gerotzooid’ en er vonden zelfs vernielingen plaats. Het kantelpunt om alles te veranderen was de enorme aandacht in de pers. Toen dachten we, er moet écht iets gebeuren. Nu krijgen we ook al de pers over ons heen, dan kunnen we echt niet zo blijven, want dan zijn we er straks echt niet meer. Die publiciteit opende onze ogen.”

 

Serieuze zorgen

Het ging slecht met Quick en dus waren de zorgen groot. Alles wat was opgebouwd in meer dan honderd jaar, leek binnen enkele jaren te zijn afgebroken. Zelfs een faillissement behoorde tot de mogelijkheden. “Als wij niet ingrepen en we deden er niks aan gingen we van acht jeugdelftallen naar nul. Dat konden we als Quick niet maken, we zijn één van de oudste clubs in Nederland! Er was echt angst, er moest iets gebeuren. Platliggen en geen voetbalclub meer zijn, was dichterbij dan ooit”, zegt Peters terwijl hij zijn vuisten balt en passievol vertelt. “Destijds heb ik die angst niet kunnen delen omdat ik bestuurlijk toen nog niet zo actief was. Ik was op afstand, maar ik ben hier opgegroeid met mijn opa en mijn kleinzoon van drie jaar is nu ook al lid. Dan moet je er niet aan denken dat de club verdwenen zou zijn. Heftig.”

Dat de club imagoschade heeft opgelopen, erkent Peters. Daarentegen haalt hij ook positieve dingen uit de roerige periode die de club doormaakte. “We hebben als club veel geleerd. Je moet ook als club niet denken aan de vroegere zogenaamd deftige tijd. Het is 2017”, terwijl hij in snel tempo op de tafel klopt. “Je moet als je deze bevolking op je veld hebt staan in kansen denken, niet denken om het beeld van vroeger terug te krijgen. Dat heeft geen zin meer. Daar komt ook ‘de volwassen wereld’ van Quick steeds meer achter. Er waren een paar hardnekkige mensen die vonden dat Quick wit en deftig was.” Opnieuw slaat Peters zijn vuisten op tafel. “Er is wel een deuk gegeven aan de echte Quick familie. Er is nog heel wat van over, maar het was een hele hechte familie. Sommigen waren 40 tot 50 jaar lid, maar konden zich niet meer verenigen met het toenmalige beleid van het bestuur. Die vonden dat het toenmalige bestuur veel eerder in hadden moeten grijpen. Die hebben het laten gaan, te ver laten komen.”

Gekrompen door alle problemen

Inmiddels is de rust op sportpark de Dennen wedergekeerd. De club heeft nu in de jeugd een ‘70/30’ autochtonen/allochtonen verhouding, het tegenovergestelde van vroeger. “We zijn de afgelopen twintig jaar kleiner geworden, door de issues rondom allochtonen.” Om dit te duiden, maakt Peters gebruik van een vergelijking uit zijn eigen ervaring. “Ik ben directeur geweest op een basisschool in Groesbeek. Tussen 1990 en 2000 hebben we asielzoekerskinderen gehad die daar in de buurt in een groot bungalowpark zaten. Zo’n veertig à vijftig kinderen. In die tienjarige periode kregen wij geen wit publiek meer binnen, die gingen namelijk naar de buurman.”

Na het aannemen van de asielzoekers, kreeg Peters wisselende reacties. Zo waren er ouders die het mooi en goed vonden als hun kind in een multiculturele klas zat. “Het merendeel dacht echter anders. Na tien jaar ging dat bungalowpark dicht, alle asielzoekers waren ineens weg. Toen gingen we weer stijgen ten koste van de buurman. Na tien jaar was het dus weer andersom. Wij stonden bekend als goede school, maar in die tien jaar blijkbaar niet”, lacht hij. “Om terug te komen op de club, hier is exact hetzelfde gebeurd. Hier zijn het echter geen asielzoekers, maar permanent wonende allochtonen die naar de club kwamen. Dan zie je dat het invloed heeft op de omgeving. Daarom durf ik te zeggen dat de club kleiner is geworden door het allochtonenbestand, omdat de autochtonen weggingen. De witte vlucht, waar ik het al over had.”

Meer clubs met problemen

Peters is ervan overtuigd dat er meer clubs zijn die deze problemen hebben of hebben gehad. “Die clubs hoor je alleen niet. Waarom weet ik niet. Wellicht heeft het te maken met het bang zijn voor beschuldigingen van discriminatie. Ik heb altijd een beetje medelijden met die kinderen als er discussies over worden gevoerd. Het zijn letterlijk de randverschijnselen, ouders die bijvoorbeeld moeilijk doen. Die kinderen, die spelen over het algemeen gewoon leuk een balletje. Helaas verpesten sommigen het voor de rest.” Ook bij een andere Nijmeegse club, SV Hatert, spelen veel allochtonen. “Daar hoor je nooit iets van. We kennen de club, want we komen als voorzitters elke twee maanden bij elkaar, maar dat onderwerp gaan ze bij overleg altijd uit de weg. Ze zijn blij genoeg dat ze er geen last van hebben. Dat klinkt negatief, maar het is wel zo. Ik ben blij dat alles nu bij ons weer goed is.” SV Hatert wil, na navraag, niet ingaan op de opmerkingen van Peters.

Stijgende lijn

Dat de club qua ledenbestand (veel) kleiner is geworden, maakt Peters niet zoveel uit. “De sfeer is beter. Dat merk je op het complex, in de kantine. Dat de accommodatie en het clubhuis nieuw zijn helpt ook enorm.  Daarnaast merken we dat de netheid en de regels die we aangespannen hebben, een aantrekkingskracht heeft. Heel wat mensen melden zich nu weer aan. Ondertussen tikken we alweer bijna twintig jeugdteams aan en groeien we weer.”

Om de club verder vooruit te helpen, zijn vrijwilligers nodig. Ook dat vraagt dus nu om een iets andere aanpak. “We gaan waarschijnlijk, nog niet vastgesteld, gebruik maken van een aanmeldingsgesprek, in plaats van alleen dat aanmeldingsformuliertje. Tijdens zo’n gesprek kunnen we aangeven dat we vrijwilligerswerk verlangen. Weigeren ze, dan is verhoging van de contributie een optie.” Dat lijkt een soort dreigement. “Clubs hebben hier gewoon behoefte aan, door het gebrek aan vrijwilligers. Zodra ouders zich daar niet aan houden, moeten we conclusies trekken en ze eventueel verzoeken de club te verlaten. We maken geen verschil of het dan om autochtonen of allochtonen gaat. Als je nu beleid op gaat zetten moet je consequent zijn, of het lid nu wit of zwart is.”

Bij het verlaten van het complex kijk ik nog één keer op in de kantine. Op een groot scherm kijkt ongeveer een tiental voetbalfans naar de KNVB-Bekerwedstrijd tussen N.E.C. en Achilles ’29. Mijn oog valt echter op een muur met een metershoge- en brede foto, genomen in 1988. “Quick 1888 – Real Madrid, 2-8-1988”. Fucking Real Madrid. De grootste club ter wereld. Onder andere Bernhard Schuster en met name Hugo Sánchez pronken op het plaatje. Grote voetballers, legendes. Niet op het veld van Estadio Santiago Bernabéu met 80.000 mensen op de tribunes, maar sportpark de Dennen in Nijmegen. Het tekent de grootte en historie van de amateurclub, die na alle problemen weer fier overeind staat en midden in de bloei zit van een nieuwe, multiculturele toekomst.

 

Reageer op dit artikel