‘IJmuiden was als de Jordaan in Amsterdam’

Het bruisende leven in de vissershaven van IJmuiden is niet meer als vroeger. Boegbeeld van de stad Jan Zwanenburg (72) heeft 58 jaar in de viswereld gezeten en is er nog steeds niet weg te slaan. Volgens Jan dreigt de vishandel echter kleiner te worden.

Jan zit aan een tafel in restaurant Kop van de Haven – het restaurant is ook daadwerkelijk de kop van de haven. In zijn linkeroor hangt een gouden ringetje. Zijn blauwe ogen hebben bijna dezelfde kleur als die van de zee. Hij zit met zijn rug naar de pier gekeerd, daar schuinrechts ligt het Forteiland. Links van hem staat een booreiland, voor hem ligt een groot schip dat naar New Castle vaart, genaamd ‘King Seaways’. Uit de keuken van het restaurant komt een heerlijke visgeur. Ik kijk uit op de pier en de oneindige Noordzee. Af en toe verschijnt uit het niets een schip. “Is het hier altijd zo mistig?”, vraag ik. “Ja, bijzonder sfeertje geeft dat, hè?”

Minder vishandel
“Nederlanders zijn intelligent met vissen”, zegt Jan. Samen met zijn broer heeft hij zijn eigen bedrijf gerund. In 1974 werd het een goed lopend bedrijf. “Zie je die groene boot daar in de verte?” Hij steekt zijn vinger in de lucht en wijst. “Die boot heeft een soort bomen, boomkorvisserij.” Aan alle twee de ‘bomen’ hangt een net. “Zo’n boot wordt gebruikt voor pulsvisserij, om platvissen als schol en tong te vissen.” De meeste vissers in IJmuiden zijn pulsvissers. De huidige pulsvisserij, waarbij vissen elektrische schokjes krijgen waardoor ze van schrik in de netten zwemmen, dreigt nu verboden te worden. “De vishandel is al met zo’n 65 procent gedaald. Als de pulsvisserij wordt verboden blijft er niks over.”

Echte IJmuidenaar
Als jongetje ging Jan vaak naar de Visafslag. “Mijn familie woonde daarachter, vlakbij de haven”, hij  wijst. “Ik wilde altijd bij de vis kijken.” Gek is dat niet, zijn hele familie zat in de vishandel. Hoewel Jan als boegbeeld van de stad wordt gezien, is hij geboren in Bloemendaal. Zijn familie moest weg uit IJmuiden in de Tweede Wereldoorlog. “Ik ben de enige uit mijn familie die niet in IJmuiden is geboren. Veel mensen van mijn generatie zijn door de oorlog niet in IJmuiden geboren”, er volgt een stilte. “Maar ik ben wel een echte IJmuidenaar hoor, ik was twee jaar oud toen we weer terugkeerden”, voegt Jan er gauw aan toe met een glimlach op zijn gezicht.

Vishaven

Stille haven
De vishaven ligt er verlaten bij. Het is middag dus de vissers zijn er niet, die zijn alweer op zee en de mensen die de vis verwerken, zijn net klaar. Het enige sprankje kleur in dit tafereel zijn de gekleurde boten in de haven en de graffiti tekeningen op de muren, één van een visser en één vrolijke smiley met de tekst ‘Blijmuiden’ erboven. Gids en schrijfster Marlenne Schrijver van Oud-IJmuiden maakt me wegwijs in de stad. Ze vertelt dat de leegstaande panden tegenover de graffiti muren een reconstructie zijn van de hal van Lely, de eerste vishal in IJmuiden. Er zitten nu hippe tentjes in, maar het idee is niet helemaal gelukt. “De helft van de pandenstaat leeg.”

Waarom de vishandel zo erg gekrompen is, komt volgens Jan door de vangstquota die in de jaren vijftig van de vorige eeuw werden ingesteld. De vangstquotum is een maximale hoeveelheid vis wat een schip per jaar mag vangen. “Veel vissers konden hun kop niet boven water houden en stopten of gingen over op de pulsvisserij.” Hij trekt zijn wenkbrauwen omhoog terwijl hij hierover praat. “Er moet naar een alternatief worden gezocht, maar het lijkt me ook niet goed als alle vissers blijven vissen. Dan is er op een gegeven moment te weinig vis over”, zegt Jan.

Begin Noordzeekanaal
De lucht is grauw en de wind voelt ijzig koud aan. Marlenne vertelt over de plek waar Tata Steel is gevestigd. Tata Steel is de vroegere Hoogovens waar de productie van hoogwaardig staal plaatsvindt. Daar was eerst een duinvallei. IJmuiden bestond toen nog niet. “Het was een buurtschap met boerderijen”, vertelt Marlenne Schrijver. IJmuiden ontstond door het graven van het Noordzeekanaal, waardoor Amsterdam aan zee kwam te liggen. We lopen naar een trapje, vanaf daar heb je beter zicht op de sluis en Tata Steel. Zodra ik het trapje op klim, komt een penetrante zeelucht mijn neus in. “Dat komt van het zeewier hier beneden.” Ik kijk over de stenen rand omlaag en zie de glazige, donkergroene planten op de stenen. Marlenne gaat verder met haar verhaal. “Rond 1870 vonden vissersboten beschutting tussen de pieren om aan te leggen en ontstond er spontane handel met de arbeiders van het kanaal.” Dit werden de eerste IJmuidenaren.

Er werd hier veel gedronken en gevochten. De mensen hadden grote monden, maar kleine hartjes

Hard werken op de Visafslag
“Mijn IJmuiden was als de Jordaan in Amsterdam; er werd hier veel gedronken en gevochten. De mensen hadden grote monden, maar kleine hartjes”, vertelt Jan. In de jaren ‘50 voeren hier zo’n driehonderd schepen en waren er dertig tot veertig cafés langs de haven gevestigd. Ik kijk om me heen, maar zie weinig cafés. “Ja, dat is er nu allemaal niet meer”, knikt Jan. Hier aan de kade wordt de vis van de boot gehaald, gesorteerd, gewogen, gefileerd en verkocht. “Toen ik jonger was begon ik om twee of drie uur ’s nachts, als koper moet je er vroeg bij zijn. De visschepen worden vannacht om twaalf uur al gelost op de kaai.”

We lopen langs verschillende vishallen op de Visafslag, moderne, grijze containerachtige gebouwen met platte daken. Elk containergebouw heeft een naam die te maken heeft met vis. Voor deze gebouwen liepen vroeger rails, IJmuiden had een station, zodat de vis in treincontainers direct weg kon worden gevoerd. Het spoor heeft plaats gemaakt voor een autoweg en de vis wordt nu met vrachtwagens vervoerd. We komen aan bij een loods met een blauw bord waarop in witte letters ‘N. Visser’ en daaronder ‘groothandel’ staat afgedrukt. Onder het bord zit een grijze deur met blauwe posten er omheen, daar loopt Jan naar binnen. “We gingen hier vis inkopen, vooral kabeljauw, wijting en schelvis.” De vissers zitten meestal een week op zee, de handel gaat altijd door. Van zondagnacht tot donderdag. “Zodra de schepen aangelegd hebben, wordt alles van de boot gehaald en een motorencontrole gehouden. “En dan weer de zee op. Het is een zwaar beroep.”

Lugubere moordscène
Een grijze vloer met hier en daar een plas water, tl-verlichting, een sterke visgeur en twee mannen met blauwe schorten – hetzelfde blauw als buiten om de deuropening – en een blauw haarnetje vatten de ruimte samen. “Hoi!”, roept Jan naar een van de blauwe mannetjes. “Hé, Jan! Hoe is-ie?”, Jan wordt meteen herkend. Aan de andere kant van de ruimte staan blokken ijs op elkaar gestapeld op houten pallets, in het ijs zit bevroren vis. “Dat moet ontdooien en dan bewerken ze het morgen.” De ruimte lijkt zeer geschikt voor een lugubere moordscène van Flikken Maastricht. De mannen zijn nog bezig met het ontleden – althans zo ziet het eruit – van de laatste vissen en zonder pardoes wordt de vis in een rode, plastic bak vol ijs en andere soortgenoten gegooid.

“Hier stond ik dan normaal rond een uur of vijf uur ’s morgens”, Jan maakt een groot gebaar met zijn handen. Als inkoopbedrijf keek Jan ’s ochtends vroeg naar de kwaliteit van de vis en besloot hij bij welk schip de vis ingekocht zou worden. “Niet alle vis wordt overal even goed verzorgd. De vis moet gestript worden, waarbij de buikholte wordt opengesneden en zo de ingewanden eruit worden gehaald. Verder moet het goed worden schoongemaakt en moet er niet te veel vis in een kist, dan blijft de vis beter.” Jan wist welk schip met kop en schouders boven de rest uit stak. “En zo ging dat dan, elke dag. Niet tot vervelends toe hoor, ik vind het prachtig om een goed product te maken waar ik trots op kan zijn.”

“Morgen om half 4 ’s nachts ga ik de schippers helpen met schoonmaken, niet betaald hoor, en dan neem ik wat vissies voor mezelf mee.

Vissie halen
Ik krijg verschillende vissen te zien. “Kijk die daar, een kabeljauw, die is ook zo mooi.” De vis wordt met twee handen opgepakt en twee grote, glazige ogen staren me aan. Jan is helemaal in zijn element en krijgt er pretoogjes van. “Mist u het leven in de vissershaven?” “Ik heb er gewoon nog mee te maken hoor!”, zegt de IJmuidenaar met een lach. “Morgen om half 4 ’s nachts ga ik de schippers helpen met schoonmaken, niet betaald hoor, en dan neem ik wat vissies voor mezelf mee. Wie appelen vaart, die appelen eet.” We lopen weer naar buiten. Het valt me nu pas op dat het binnen veel kouder was dan buiten dus de temperatuur valt mee. “Morgen komen ook wat oude mensen van vroeger een vissie bij me halen, voor een klein prijsje. Leuk hè?”, een brede glimlach verschijnt op zijn gezicht.

Stad van contrasten
Marlenne laat mij nog wat plekken in IJmuiden zien voordat ze me met de auto afzet bij het station. Het is nog steeds grauw weer, maar de zon komt af en toe tevoorschijn. Het IJmuiden van Jan is er niet meer, maar dit stadje heeft wel iets. Ik kijk nog eens uit over de sluis, naar het mooie uitzicht over het water en de grote, lelijke fabriek van Tata Steel. De oude sluiswachtershuisjes en ernaast een modern, obscuur bedrijfspand. Ik kijk naar de IJmuidenaren die bekend staan als afwachtend volk, terwijl ik ze juist spontaan vind overkomen. Een stad vol contrasten. Een stad die ontstaan is door vishandel en waar die vishandel nu weer bedreigd wordt. Daar wil Jan liever niet aan denken, hij laat de visserswereld voorlopig nog niet los. En ik kijk weer naar het mooie uitzicht op de Noordzee.

Reageer op dit artikel