‘Ik was gewoon muzikant, klaar’

De één is 19 en speelt in een band, de ander is 18 en studeert klassiek piano en de derde is 69 en begeleidt zichzelf op gitaar. Maar Veerle, Stan en Armand hebben één ding gemeen: ze zijn singer-songwriters. Maar wat is dat nou eigenlijk?

‘Doorbraak’.
Veerle Winkelmolen won dit jaar de landelijke finale van de Kunstbende. “Ik weet niet of je het echt een doorbraak kunt noemen, maar met mijn deelname aan de Kunstbende dit jaar heb ik wel heel wat meer bekendheid gekregen”, vertelt ze.
Het begon met een optreden dat ze in november 2013 gaf op haar middelbare school. “Tijdens een soort voorspeelavond zong ik een nummer van Tom Odell: Another Love. Daarbij begeleidde ik mezelf op de piano. Voor mijn gevoel stelde het helemaal niet zoveel voor, maar toen ik klaar was met spelen kreeg ik een staande ovatie van het publiek.”

Veerle stond perplex, dit had ze nog nooit eerder meegemaakt. “Mijn vriendinnen zeiden allemaal dat ik er iets mee moest doen. Toen raadde mijn muziekdocent Sander Ruijters me aan om mee te doen met de Kunstbende.”
Zo gezegd, zo gedaan. Met haar eerste zelfgeschreven nummer Dragon en het nummer Gone van Lianne Lahavas won ze de voorronde in Venlo, waarna ze ook de finale van Limburg in Sittard won.

Op 3 mei 2014 vond de landelijke finale plaats in Amsterdam. “Normaal gesproken ben ik nooit nerveus voor een optreden, maar deze keer gierde de spanning door mijn lijf. Ik ben drie kwartier voor aanvang van mijn optreden backstage gaan zitten. Daar heb ik mijn handen warm gewreven zodat het piano spelen probleemloos zou gaan en ben ik gaan springen om de spanning kwijt te raken.” Toen moest ze op. “Ik legde het eerste akkoord neer en het leek alsof er een waas van rust over me neer daalde. Dat gevoel had ik nog nooit eerder gehad. Ik was zó zeker van wat ik aan het doen was, vooral omdat het helemaal mijn ding was.”

De concurrentie wist haar nog even bang te maken. “Iedereen was zó goed. Ik dacht, daar win ik nooit van.” Het tegendeel was waar. “Vanaf het moment dat ze zeiden ‘de eerste plek is voor Limburg’, voelde het aan als een soort van roes. Binnenkort mag ik zelfs met Alain Clark optreden, dat vind ik echt supergaaf. Zonder de Kunstbende had ik dat nooit gehad.”
Ook voor Stan Smeets, student aan de Rockacademie in Tilburg, is de Kunstbende een opstap naar meer bekendheid geweest. Samen met zijn band Hard2Get won hij de landelijke finale in 2012.
“Mijn wereld stond echt op zijn kop na het winnen van die finale. Het werd een soort achtbaan, we hadden opeens zoveel optredens.” Het winnen van de Kunstbende leverde Stan en zijn band echter niet alleen maar positieve dingen op. “De vele optredens gingen met zoveel stress gepaard dat we het alle drie niet volhielden. We hadden ook verschillende ideeën over wat we met de band wilden. Uiteindelijk is mijn broertje Tom er als eerste mee gekapt.”
Drie maanden later stopte ook de drummer van de band ermee. “Ik wilde echt doorgaan met de band, en mijn broertje eigenlijk ook.” De broers besloten een oproep op Facebook te plaatsen in de hoop zo een nieuwe drummer te vinden. “Twaalf minuten later hadden we een nieuwe drummer”, lacht Stan. “Vanaf dat moment voelde ik dat het goed was. Dit was de bandsamenstelling waar we iets mee konden. Alle neuzen dezelfde kant op, en gaan.”
In februari 2013 nam de band haar eerste EP op: Love and Passion. “En dat vat meteen samen waar het voor mij om draait. Muziek is mijn passie, mijn allergrootste liefde.”
“In mijn tijd was dat wel anders”, grinnikt Armand, oftewel Herman George van Loenhout, bekend van onder andere de single Ben ik te min. Wel speelde hij ook al jong in een bandje, de Jumping Strings uit Best. Daar zong ik covers van Buddy Holly, Cliff Richard, Eddy Cochran, Little Richard en andere rockers uit die tijd.” In zijn vrije tijd speelde Armand ook gitaar en schreef hij zijn eigen nummers. “Die gebruikte ik voor het schrijven van liedjes en om die te laten horen aan de meisjes die ik wilde versieren op de hei of in het park.”

Toch wilde hij ook graag zijn eigen nummers aan publiek laten horen. “Ik struinde een aantal talentenjachten af, in de hoop dat zij mijn muziek meer zouden waarderen dan mijn eigen band. Die hadden er geen goed woord voor over.”
De tip om eens in het Nederlands te gaan schrijven bleek een gouden te zijn. Het nummer En Nou Ik werd een succes en al snel was er vraag naar meer. “Mijn eerste single kwam uit op 17 december 1965. Het werd geen hit.” Wel ging het Armand voor de wind. “Opeens had ik geen band meer maar stond ik in mijn eentje op het podium, met gitaar en mondharmonica. Voor ik het wist werd ik gebombardeerd tot de Nederlandse Bob Dylan.”

Met het uitbrengen van zijn singles kreeg Armand ook voor het eerst te maken met censuur. “Je kon nog geen ‘blote tiet’ op de radio zeggen. Omdat mijn liedjes nogal recalcitrant waren en ik tegen de maatschappij aan schopte omdat ik voor de legalisering van softdrugs ben, werd mijn muziek regelmatig geweerd door radiostations. Van de in totaal 32 singles die ik heb uitgebracht zijn er 20 geboycot.”
Het nummer Een Van Hen Ben Ik kwam op de A-kant van zijn LP te staan, waarna hem werd gevraagd of hij nog een nummer voor de B-kant van de plaat had. “Nou ja, die had ik wel. Hij was alleen nog niet helemaal af, dus dat heb ik toen maar even snel gedaan. De producer vond het ‘goed genoeg voor een B-kant’.” Schip Veronica draaide zijn plaat en voor hij het wist stond het nummer Ben Ik Te Min 14 weken lang in de Top 40. Het nummer werd als controversieel gezien en zo werd Armand bekend als Nederlandse protestzanger. “Opeens was ik supportact van de Stones en Pink Floyd, ik wist niet wat me overkwam.”

Dat hij niet goed wist wat hij met zijn plotselinge faam aan moest, blijkt uit de periode die daarop volgde. “Mijn complete gebrek aan zelfdiscipline zorgde ervoor dat ik aan de oppeppende middelen ging. “Dat ik dit nog kan navertellen, komt doordat ik niet dronk, daar kreeg ik het benauwd van en dan kon ik toch niet zingen.”
Uiteindelijk maakte hij zelf een einde aan de achtbaan van succes. “Ik was zo gesloopt door de speed dat ik besloot om met een blocnote op de hei te gaan zitten en het spelen te vergeten.” De enige gewoonte uit die tijd die hij nooit heeft opgegeven is het blowen. “Maar dat is op medicinale basis. Ik heb astma. Zonder mijn dagelijkse blowtje krijg ik het benauwd.”
Armand treedt nog steeds drie à vier keer per week op. “Dat blijf ik doen tot ik er letterlijk bij neerval.”

Muziek schrijven.
“Ik hou ervan om schrijnende zaken in de maatschappij, zoals discriminatie, aan de kaak te stellen. Ik haal mijn inspiratie dan ook ‘from anywhere’.” Armand vertelt dat hij niet op een bepaalde plek hoeft te zijn of met bepaalde mensen hoeft te zijn om inspiratie op te doen.

“Ik schrijf nog steeds vrijwel dagelijks nummers. Als ik iets op tv zie of ergens iets hoor wat tegen mijn gevoel indruist, schrijf ik het op. Al is het op een bierviltje. Later schrijf ik er dan een nummer over. Dat is meestal binnen een dag gebeurd.”
De doorgewinterde muzikant geeft aan tot aan zijn dood te willen blijven strijden voor een betere wereld met zijn muziek.

Stan schrijft zijn muziek altijd weer op een andere manier. “Ik ga niet systematisch te werk, zo zit ik ook niet in elkaar. Ik ben een enorme chaoot, dat blijkt ook wel uit de manier waarop ik liedjes schrijf. Soms zit ik op de fiets naar huis en schiet me opeens een tekst te binnen, een andere keer zit ik hier met mijn gitaar op het steigertje en speel ik plotseling een nieuwe melodie.”
‘Het steigertje’ ligt in de Piushaven in Tilburg. Hier brengt Stan veel tijd door om tot rust te komen en zijn nummers uit te werken. Via een gehavende houten loopbrug kom je bij de steiger, die zachtjes heen en weer beweegt op het ritme van het water. Er vliegen groepjes meeuwen over het water en de eenden in het kanaal liggen luidkeels te kwaken. Toch heerst er een bepaalde rust op het water.

“Mijn nummers heb ik meestal snel af. Als me een idee te binnen schiet wil ik het ook meteen uitwerken en niet nog wekenlang wachten voor het een keer af is. Mijn inspiratie haal ik voornamelijk uit mijn eigen leven en de dingen die ik meemaak.”

“Het duurt meestal wel een tijd voordat ik een nummer helemaal af heb”, vertelt Veerle. “Ik kan maandenlang met een deuntje in mijn hoofd rondlopen, tot er een moment komt dat ik denk ‘nu móét ik er iets van gaan maken’. Dan pak ik mijn blocnote en schrijf ik de tekst uit. Daarna zet ik er akkoorden onder met mijn piano. Of andersom natuurlijk, dat verschilt.”
Vaak krijgt Veerle hulp uit haar omgeving bij het schrijven van haar nummers. “Mijn moeder bedacht de titel voor mijn tweede nummer Long Way Home, omdat ik zelf niet goed wist wat ik ermee moest. Bij het schrijven van mijn eerste nummer Dragon heb ik veel hulp gehad van Sander Ruijters.”

Verschil.
De singer-songwriters van nu zijn niet veel anders dan die van vroeger volgens Stan, al zijn er wel degelijk een aantal verschillen.
“Singer-songwriter is een heel breed begrip geworden, maar er is volgens mij nog steeds een bepaalde groep over die precies hetzelfde is als de singer-songwriters uit de jaren ’60. Zij willen hun verhaal vertellen, dat is belangrijker dan wat dan ook. Hoe de uitvoering dan uit de verf komt maakt niet zoveel uit.”
Hij vindt het jammer dat het begrip nu ‘zo onnoemelijk hip’ is. “Het wordt te commercieel; alles wordt uitgedacht en gepland waardoor de puurheid van de muziek verdwijnt. Dat vind ik heel jammer.”

Veerle vindt de singer-songwriters van nu sneller saai dan die van vroeger. “Ik heb het gevoel alsof het tegenwoordig te makkelijk wordt. De nummers zijn oppervlakkig, zowel qua tekst als qua muziek. De focus wordt te veel gelegd op de uitvoering, terwijl juist het verhaal wat de singer-songwriters vertellen het belangrijkste is. Of ze mooi kunnen zingen is daarbij niet zo heel belangrijk. Maar dat idee is tegenwoordig een beetje verdwenen.”

“Als ik naar mezelf kijk denk ik dat er weinig is veranderd tussen de jaren ’60 en nu”, vertelt Armand. “Ik draag nog steeds met elk nummer dat ik zing een bepaalde boodschap uit; love, peace and happiness. Zolang er nog zoveel ellende in de wereld is zal ik dat ook blijven doen.”
Maar de muzikant sluit zich ook aan bij Stan. “Het wordt zo commercieel allemaal. De reclame heeft je dromen gestolen om ze je terug te verkopen. Mensen verliezen hun identiteit, en dan kun je ook geen goeie muziek maken.”
Wel moedigt hij jongeren aan om eigen muziek te maken. “Ga op de hoek van de straat staan, zet het op YouTube. Die mogelijkheid had ik vroeger niet, mijn muziek werd geboycot als ik het volgens bepaalde mensen te bont maakte.”
Doordat er nu veel meer mogelijkheden zijn om muziek te verspreiden kunnen jongeren hun stem laten horen volgens Armand. “Vecht voor je idealen. Laat horen wat er mis is in de samenleving, zodat er iets verandert. Muziek is het enige buitenparlementaire protest wat je hebt. Liever een leven vol teleurstellingen dan een leven zonder idealen.”

Waarom singer-songwriter?
Veerle is door de Kunstbende min of meer tot singer-songwriter gedoopt. “Vanaf het moment dat ik aan de Kunstbende meedeed zijn mensen mij eigenlijk zo gaan noemen, zelf gebruik ik die naam nooit. Ik voel me niet thuis in het hokje singer-songwriter.” Daarnaast vindt ze dat ze helemaal niet zo genoemd kán worden omdat ze pas drie nummers zelf geschreven heeft. “Ik studeer klassiek piano en dat is ook wat ik later wil gaan doen. Mijn droom is niet om bekend te worden als singer-songwriter, maar om concertpianiste te worden.”
“Het schrijven en spelen van mijn eigen nummers is eigenlijk meer een uitlaatklep die ik vorig jaar heb ontdekt; ik vind het fijn om de dingen die me dwars zitten te vertellen met een liedje.”

Stan schreef al een tijd lang nummers voor zijn eigen band Hard2Get, maar had eigenlijk nog nooit iets alleen gedaan. Totdat hij verliefd werd.
“Het gebeurde vorig jaar, ik zat net op de Rockacademie in Tilburg. Ik vond een meisje uit mijn klas leuk, maar zij had al een relatie. Na een avond stappen zette ik haar thuis af, ze woonde bij mij in de buurt, en fietste ik door naar huis. Dat was het moment dat het liedje mijn gedachten in schoot. Ik ging slapen en ’s ochtends toen ik wakker werd dacht ik; ik moet het nú opschrijven, anders ben ik het kwijt.”
Het nummer Already Taken werd zijn eerste solonummer. “Het nummer paste totaal niet bij de band. We hebben het samen gerepeteerd, maar merkten al snel dat het niet werkte. Daarom bedacht ik dat dit misschien iets was wat ik alleen moest doen; een middel om spanning kwijt te raken.”
“Na 40 jaar word ik opeens, voornamelijk door de media, singer-songwriter genoemd”, vertelt Armand. “Beetje vreemd.” Armand begon al op zijn dertiende, rond 1960, met het schrijven van eigen muziek. “Ik wilde een meisje versieren maar had geen flauw idee hoe. Dus schreef ik een liedje voor haar.” De versierpoging mocht niet baten.
“In die tijd had hier nog nooit iemand van singer-songwriters gehoord hoor”, vervolgt Armand zijn verhaal. “Ik was gewoon muzikant, klaar. De term singer-songwriter is nu in de mode, over een aantal jaar zullen ze er wel weer een andere naam voor bedenken.”
Hij heeft er dan ook geen moeite mee om zo genoemd te worden. “Het gaat om wat ik uitdraag met mijn muziek, niet welke stempel ik opgedrukt krijg.” Armand gelooft in love, peace and happiness. “Het enige verschil tussen mensen en dieren is dat wij liefde kennen en kunnen voelen. Liefde faalt nooit. Of je nou van een mens houdt of van een hond of van je fiets, er is geen verschil. Alles is liefde. Dat wil ik de wereld vertellen.”

Reageer op dit artikel