‘Ik word honderd jaar, let maar op’

Oma Truus in Florence: 'de mooiste vakantie uit haar leven'

‘’10: dat zijn de kinderjaren, 20: ga je aan het sparen, 30: moet je zijn getrouwd, 40: is daarvoor te oud, 50: ga je aan het zakken, 60: krijg je ongemakken, 70: daal je het leven af, 80: hoor je in het graf, 90: kan je nog wel leven, 100: zij je door God gegeven.’’

Oma dreunt het versje op zodra ik haar vertel dat we haar levensverhaal gaan behandelen. Het versje is een van de vele dingen die Gertruda van de Camp (88) nog goed helder heeft uit haar jeugd. Het is mijn oma’s favoriete gedichtje om te vertellen aan haar kinderen en kleinkinderen. Gertruda is haar officiële naam, maar die vond ze toen ze klein was al niks. ‘’Nee joh, wat een zeiknaam: Truus is veel gezelliger.’’

10: de kinderjaren
Truus groeide op in Haren, een klein dorpje vlakbij de Maas. Als enigste meisje (ze had zes broers en twee broertjes) werd het ‘lot van de verzorgster’ haar niet bespaard. ‘’We waren een leuk, Katholiek en alledaags arbeidersgezin. Haar vader werkte en moeder was huishoudster. Met haar ouders had ze een goede band en ook haar broers waren gek op hun kleine zus. ‘’Tuurlijk was er af en toe wel ruzie. Zo kwam het regelmatig voor dat de duiven, die mijn broertje verzorgde in de achtertuin, los waren en op de ramen kakten die ik net uren had staan wassen. Vreselijk vond ik dat soort momenten. Zeventig-plus jaar later kunnen mijn broertje en ik er nu vaak om lachen.’’

Ramen lappen was een van Truus’ vele klusjes: ‘’Jarenlang smeerde ik elke ochtend alle boterhammen. Heb er nu een pesthekel aan. Vier à vijf boterhammen voor mijn vader en broers die werkten of naar school gingen.’’ De enige scholing die Truus heeft gehad was de basis-en de huishoudschool. Toen ze twaalf was ging ze naar laatstgenoemde bij de zusters in het klooster. In twee jaar tijd leerde ze naaien, breien, schoonmaken, wassen en nog meer vaardigheden ‘om een goede huisvrouw te worden’. ‘Ik heb daar een hele leuke tijd gehad. De nonnen waren lief en ik had fijne vriendinnen. We hadden een clubje van vijf meiden, die nog jaren contact hielden met elkaar. Ik ben de enige die over is. De andere vier zijn jaren geleden al gestorven.’’Ambitie om zich verder te scholen had Truus destijds niet. Simpelweg omdat het niet tot de mogelijkheden behoorde. ‘’Ik vind het ook niet erg: ik was namelijk meer dan wat op mijn denkbeeldige cv stond. Ik was een verzorgster, naaister, schoonmaker, een manusje van alles.’’ Als ze vrije tijd had deed ze korfbal en zingen in het kerkkoor. ‘’De kerk interesseerde me weinig, ik vond zingen gewoon heel leuk.’’ Toch speelde het Katholieke geloof een grote rol in Truus haar jeugd. ‘’Elke zondag naar de kerk, bidden, biechten, ik deed braaf mee zoals dat destijds van je verwacht werd. Ik ben blij dat ik in de loop van de jaren uit het geloof ben gerold.

”Ze vertelden me dat ze het jongetje netjes hadden begraven, maar meer weet ik niet”

20: aan het sparen
Als twintiger sparen kon ze alleen van haar zakgeld. ‘’Al was het sparen soms moeilijk met leuke dingen doen’’, lacht Truus blozend. Ze verwijst naar die ene dansavond in de zomer van 1953, althans ze denkt 1953. ‘’Het zou ook later kunnen Anouk, al die jaartallen weet ik niet meer uit mijn hoofd’’, verontschuldigt ze zich onnodig. ‘’In de danstent op de Kermis heb ik Piet Fransen, jouw opa ontmoet. Ik was zo onder de indruk. Piet was een enorm knappe man met geweldig zwart haar. En hij vond mij ook leuk.’’

‘’Maar niet denken dat er toen al iets gebeurde hoor, we waren heel netjes en wisselden alleen gegevens uit. Tegenwoordig duikt iedereen meteen op elkaar, lacht Truus hardop om haar eigen opmerking.’’ Uiteindelijk moest Piet nog een paar maanden hard werken voordat Truus officieel ‘zijn meisje’ werd: ‘’Hij versierde mij en ik viel al snel op zijn mooie en lieve karakter, dat hij altijd heeft gehouden. Hij was mijn eerste en mijn laatste liefde.’’

Samenwonen voor het trouwen hebben ze nooit gedaan. Oma geeft daar de tijdsgeest de schuld van. In hun verkeringstijd werkte hij in een fabriek en Truus hielp thuis bij haar ouders. Trots vertelt ze over hoe goed opa kon leren. De fraters kwamen persoonlijk aan zijn ouders vragen of hij alsjeblieft mocht doorstuderen. Maar daar was jarenlang geen sprake van. ‘’Elke verdiende tien gulden is welkom’’, had mijn overgrootvader Fransen gezegd volgens oma. Piet dacht daar anders over. Hij wilde doorstuderen en spaarde samen met oma al het geld bij elkaar om meerdere cursussen te kunnen betalen. Typdiploma’s, boekhoudings- en administratiestudies, in alles slaagde hij met vlag en wimpel. Hij kon daardoor gaan werken bij een groot transportbedrijf. ‘’Ik werd daar soms onzeker van en was er zelfs een beetje jaloers op. Ik had alleen die domme huishoudschool. Maar je opa gaf daar niks om. Hij liet mij in mijn waarde.’’ ‘Ik houd evenveel van je’, zei opa altijd.’’    

”Hij was mijn eerste en mijn laatste liefde”

30: getrouwd
Weer voldeed Truus aan het versje want op haar 30ste was ze verloofd met haar negentwintig-jarige Piet. ‘’We trouwden op 30 mei 19….’’Er valt een stilte bij oma. ‘’Oe jeetje in welk jaar toch?’’ Met moeite schuift ze haar trouwring van haar mooie gerimpelde handen. Met strakke ogen kijkt ze naar de goud-gegrafeerde cijfers. 30-05-63 staat er. ‘’Och ja dat is waar. We zijn komende mei 57 jaar getrouwd.

Piet en Truus wilden maar wat graag een gezin stichten. En rond augustus 1963 kwam die droom uit: Truus was zwanger van hun eerste kindje. ‘’Die eerste drie maanden waren vreselijk. Ik was zo ziek.’’ Haar moeder zei: ‘Och meid, als je die eerste maanden hebt gehad, wordt het alleen maar beter.’ Maar het werd niet beter: bij een controle in het ziekenhuis bleek het kindje niet meer te leven. ‘’Ik was daar kapot van. Ik was letterlijk ontroostbaar. De arts zei: ‘Mevrouw droog alstublieft uw tranen want uw kindje had ontzettend veel geleden als het wel ter wereld was gekomen.’

Truus weet het nog als de dag van gisteren: ‘’Ik werd meteen opgenomen in het ziekenhuis. De televisie stond aan en op het journaal was te zien dat President Kennedy was vermoord.’’ Maar veel was ze er niet mee bezig: ‘’Ik moest bevallen van een dood kindje, dat was heel eng en moeilijk. Het kindje, een jongetje, heb ik ook niet gezien. Toen ik vroeg wat ze met hem gedaan hadden, vertelden ze dat ze hem netjes hadden begraven. Maar waar weet ik niet.’’       

Truus heeft er geen verdriet meer van omdat ‘het al zo lang geleden is’. ‘’De eerste jaren had ik wel moeite met het verlies en met mijn eigen lichaam. Ik was het vertrouwen in mijn lijf kwijt. Ik kreeg het gelukkig terug toen ik je tante Elly in 1965 en je moeder Jolanda in 1967 gezond ter wereld bracht. Het voelde eindelijk als een compleet gezin.’’

Als ze praat over die tijd begint ze helemaal te stralen. Ze vertelt over de zomervakanties naar Duitsland en Luxemburg en hoe ze genoot van hun meiden die fijn opgroeiden. “Ze deden het goed op de basis – en later ook middelbare school. We woonden in een leuke buurt en de meiden hadden fijne vrienden. Ik heb geloof ik half atheneum in de middagpauzes op bezoek gehad. Iedereen wilde blijkbaar graag altijd naar Huize Fransen. Dat was echt een hele leuke tijd’’, vertelt oma Truus. 

”Daar stond Jolanda in haar trouwjurk, omringd door apparatuur en beademingsmachines, naast zijn ziekenhuisbed”

40 en 50 : aan het zakken
De leeftijden tussen de 40 en 50 heeft ze nooit beleefd zoals het versje. Zeker dat zakken niet: ‘’Alles ging goed. Het hele gezin was gezond en ze beleefden ‘mooie en grappige tijden met elkaar’. Eigenlijk was er volgens oma maar één ding dat niet goed ging: ‘’De meiden bleven maar zeuren om een hond. Jolanda liet zelfs op een gegeven moment haar konijntje aan een rood riempje uit’’, lacht oma. ‘’Naast dat het een komisch gezich was, was het volgens Truus weer een aanleiding om te zeuren over die hond: ‘’Ga jij hem dan uitlaten Jolanda? Ook in de regen? Beloof je dat? Echt waar? Nou goed dan. En raad eens wie uiteindelijk jarenlang hondje Wimo in de regen heeft uitgelaten. Juist, je oma’’

Ook had ze nog steeds veel lol met haar Piet. ‘’We waren nog even gek op elkaar als in het begin van de verkering’’, bloost oma. Ondertussen ging het leven gewoon door. De meiden kregen zelf verkering, gingen samenwonen en Elly kreeg samen met haar man een zoontje. ‘’Ons eerste kleinkind. Dat was werkelijk prachtig. Ik ben heel blij dat opa dat nog heeft mogen meemaken’’, vertelt oma kijkend naar de zwart-wit foto van opa aan de muur.

60:  ongemakken
Van ongemakken leek in het begin geen sprake. Het leven lachten naar haar en het gezin. Met haar kinderen en haar man ging het goed. Zeker toen Piet na 35 jaar trouwe dienst met vervroegd pensioen ging bij het transportbedrijf waar hij meerdere malen promoties had meegemaakt. ‘’Eindelijk had ik hem weer voor mezelf. We gingen plannen maken en leuke dingen ondernemen. In het voorjaar gingen we op vakantie, in de zomer een paar daagjes weg, en dan in de herfst pakten we weer de koffers. Het was zalig’’, vertelt Truus.

Helaas hebben ze niet veel ‘zalige’ jaren meer gekend samen. Tijdens hun laatste weekje weg naar Limburg ging het mis. Opa, zo actief als hij normaal was, had weinig puf om iets te doen. ‘’Hij wilde niet meer wandelen, niks’’, legt oma met een sip gezicht uit. Opa had erg last van zijn longen. Hij ging in twee maanden tijd hard achteruit en belandde een dag voor mijn moeders trouwdag in het ziekenhuis. ‘’Ik zal nooit vergeten hoe we op die dag in onze feestkleren naar opa in het ziekenhuis zijn gegaan. Daar stond ze dan in haar trouwjurk, omringd door apparatuur en beademingsmachines, naast zijn ziekenhuisbed. Dat vond ik heel moeilijk.’’

Opa heeft nog eventjes geleefd. ‘’Je ouders waren op huwelijksreis en kwamen halsoverkop eerder terug. Gelukkig waren ze nog op tijd.’’ Opa Piet stierf eind januari 1997 op zijn 63ste. ‘’En in oktober 1997 werd jij geboren. Toen kwam het verdriet nog eens extra hard aan. Piet had zijn eerste kleindochter, en hij was er niet om het mee te maken. Ik vond het geweldig voor je ouders, maar ik kwam verdrietig thuis. Hij had er bij moeten zijn.’’

De eerste verjaardag na zijn dood zaten Truus en haar dochters in de kerk. Ook op zijn sterfdag een jaar later ‘betaalde oma trouw aan de pastoor zodat hij Piet zijn naam zou uitspreken. Tot die keer dat hij zijn naam vergat. ‘’We werden er alle drie verdrietig van. ‘Mam, papa zou ons toch voor gek verklaren dat we hier nu zitten? Ga iets leuks doen’, zeiden mijn dochters. En ze hadden volkomen gelijk. Vanaf die dag besloot ik om elk jaar op de verjaardag van opa een familie-uitje te organiseren.’’

‘’Op mijn 69ste was ik inmiddels vijf kleinkinderen rijk. Ik was zo trots op jullie en paste graag op jullie op’’, vertelt oma met een lach. ‘’Ik miste je opa vreselijk en had ik het hem heel erg gegund.’’ Maar oma besefte zich dat ze daardoor niet minder mocht genieten van ‘al het moois wat ze had’. Ze wilde zich wennen aan een nieuw motto. Het leven is een feest, maar je moet zelf de slingers op hangen. ‘’En zo is het meiske’’, knikt oma instemmend.

”Mijn negentigjarige broer is dementerend. Die weet niet eens meer dat zijn vrouw overleden is”

70 en 80: afdalen in het graf
Toen oma zeventig werd, moesten de vlaggen ook groots opgehangen worden. ‘’We gingen met z’n allen een paar dagen naar Disneyland Parijs. Achteraf helemaal niet handig. Jullie mochten bijna nergens in en jullie waren overal bang van. Zelfs van Mickey Mouse in pak liepen jij en je zusjes nog weg. Ik heb er om geschaterd hoor. Tot met de terugreis in de bus lagen we in een deuk.’’

Maar lachen duurde bij thuiskomst niet lang. Oma voelde zich beroerd. ‘’Het is cru maar het versje lijkt toch te kloppen meid’’, stelt oma, ‘’Want ik daalde letterlijk af. Ik had erg last van buikpijn en at heel weinig. Zelf zocht ik er niet zoveel achter maar van je moeder moest ik toch de huisarts bellen.’’ Oma Truus bleek darmkanker te hebben. Haar endeldarm moest acuut verwijderd worden. Ze heeft drie maanden lang in het ziekenhuis moeten herstellen. ‘’Niemand van de familie had er vertrouwen in dat ik beter zou worden, maar ik ben er sterker uit gekomen en nog dankbaarder dat ik gezond ben.’’

Toen ze uit het ziekenhuis kwam, verhuisde ze naar een flat. ‘’Ons oude huis was zo groot en met het oog op de toekomst was het prettiger om toch makkelijker te gaan wonen. Maar in het begin vond ik het maar niks. Al die nieuwe mensen. Het alleen-zijn viel me daardoor extra zwaar.’’ Na een tijdje wende het goed en sloot ze zich aan bij een ouderenverenging waar ze ‘allemaal leuke reisjes mee ondernam’. Ook leerde ze onder andere haar buurvrouw Tonnie kennen. Zij is tot op de dag van vandaag haar beste vriendin.

De leukste herinnering is voor oma toch wel toen ze op haar 75ste verjaardag werd verrast door haar dochters met een stedentrip naar Florence. ‘’Ik was nooit verder dan Duitsland gekomen dus Italië was een hele onderneming. Jolanda spreekt Italiaans waardoor we in allerlei bijzondere situaties terecht kwamen. Bijvoorbeeld de ontmoeting met de marktman vlakbij ons hotel. Hij vond het zo bijzonder dat we daar waren met zijn drietjes. ‘Ciao la mama, la mama’, wuifde hij elke dag naar mij. Ik vond het werkelijk fantastisch. Het was de mooiste vakantie uit mijn leven’’, geeft oma glunderend te kennen.

Oma Truus in Florence

‘’Het afdalen tussen je 70ste en je 80ste spookte nog altijd door mijn hoofd Anouk. En ik denk dat mijn operatie onbewust een extra herinnering was dat het leven veel te leuk is om niet te leven’’ Vandaag de dag is ze zich daar nog elke dag bewust van. Ze geniet van wekelijkse kappersbezoeken, wandelingen, pedicures, winkeluitjes en koffieafspraken met vriendinnen die verspreid wonen over de flat.

Ook is oma trots op het feit dat ze nog zelfredzaam is. Ze doet alles nog zelf: van wassen tot schoonmaken, van strijken tot wandelen naar het winkelcentrum voor boodschappen. ‘’Ik haal alleen de gordijnen niet meer af om te wassen. Dan moet ik met mijn 1 meter 54 op een kruk staan en ben ik bang dat ik val’’, lacht oma.

90 en 100: zij je door God gegeven
Over de toekomst denkt ze niet pessimistisch. ‘’Ik voel me kiplekker en slik geen medicijnen. Het zou dan ook fantastisch zijn als ik hier nog jaren kan blijven wonen. En als ik naar een verzorgingstehuis moet, dan doe ik dat want ik wil nog heel veel meemaken. Ik hoop nog een achterkleinkind te krijgen. Ik zou zo’n klein ‘hummelke’ nog heel bijzonder vinden om mee te maken.’’ Dat oma daar hoogstwaarschijnlijk nog wel een paar jaar op moet wachten, vindt ze geen punt. ‘’Ik word honderd jaar, let maar op.’’

”Ik denk dat mijn operatie onbewust een extra herinnering is geweest dat het leven veel te leuk is om niet te leven”

Maar honderd wil ze alleen worden als ze gezond van geest blijft: ‘’Mijn negentigjarige broer is dement. Die weet niet eens meer dat zijn vrouw overleden is. We brengen hem al jaren naar haar grafje om te zeggen ‘Kijk Wim, hier ligt ze’. Ik hoop dat ik dat nooit meemaak. Want als ik mijn eigen kinderen of kleinkinderen niet meer herken, dan hoeft het voor mij allemaal niet meer.’’

Ze hoopt dat ze opa Piet ooit nog terugziet. ‘’Vroeger werden de verhalen over het hiernamaals tussen het bidden en biechten door, ons telkens ingepeperd. Ik geloof niet zo sterk meer in God en ik betwijfel of miljoenen mensen in de hemel passen. Maar als het bestaat, dan is je opa er zeker. Hij is de liefste, zachtste en fijnste man die ik ooit heb gekend. Zeker weten.’’

Haar speech over opa doet haar tenslotte uitleggen waarom ze in die 23 jaar nooit meer een nieuwe liefde heeft willen krijgen. Haar familieleden, die inmiddels bijna allemaal zijn overleden, moedigden haar altijd aan: ‘Kom op nou Truus, je kunt toch niet alleen blijven.’ ‘’Ze zeiden dat ik lekker op reis moest gaan, en dan wel iemand zou ontmoeten. ‘Rot op’, zei ik dan. Ik heb daar helemaal geen behoefte aan. Het wordt nooit zo mooi als wat ik had met Piet. En ik ben niet alleen, want ik heb mijn kinderen en kleinkinderen.’’  

”We moeten het versje aanpassen want er klopt geen reet van”

Oma moet lachen. ‘’Ik ben gelukkig met mijn leven en ik heb nog lang geen zin in doodgaan. Daarvoor staan er nog heel veel leuke dingen op de planning.’’ Oma kijkt voor zich uit. “Anouk, we moeten dat versje aanpassen, want er klopt geen reet van’’, lacht ze hardop. Na een paar minuten denken, passen we samen de laatste zinnen van het gedichtje aan:

70: daalde mijn leven even af,  80: lag ik nog lang niet in het graf,  90: ben ik nog steeds heel fief, 100: zie ik hopelijk weer mijn lief.‘’

En zo is het meiske’’, knikt oma instemmend.

Reageer op dit artikel