Is een adoptie -met de wetenschap van nu- nog te verantwoorden?

Sinds begin jaren ’50 tot nu, zijn er duizenden kinderen interlandelijk geadopteerd, naar Nederland. Maar is een adoptie nu nog van deze tijd? En is het echt zo dat geadopteerde kinderen altijd een identiteitscrisis krijgen? Andreia da Silva, geadopteerd uit Brazilië op haar vijfde, zoekt in de vorm van catharsis het uit.

Foto die mijn adoptieouders kregen van stichting Wereldkinderen

Vijf jaar was ik toen ik geadopteerd werd uit Brazilië door een Nederlandse familie. Een moeder, vader en twee zoons haalden mij op uit het kindertehuis waar ik al een paar maanden woonde. Vanaf dat moment in het kindertehuis waren zij míjn familie. Ik herinner mij de eerste ontmoeting niet meer maar ik herinner mij nog wel de film die toen geschoten is. Een klein zongebruind meisje met een grote bos krullen dat hard huilt en om zich heen schopt en slaat. Alles wat ze vast kon grijpen probeerde ze vast te houden. Schreeuwend om de directrice van het kindertehuis en haar dochters. Maar ze moest mee met het nieuwe gezin en zo geschiedde. Om aan elkaar te wennen verbleven mijn nieuwe familie en ik, nog zes weken in Campo Grande, Brazilië. Met behulp van de overbuurvrouw werd het eerste echte contact met mij gemaakt. Snerend zou ik later tegen mijn adoptieouders hebben gezegd dat ik maar deed alsof ik ze niet begreep omdat ze me dan zieliger zouden vinden.

Nu ben ik een vrouw van 27 met de Nederlandse nationaliteit. In de afgelopen 22 jaar veranderde er veel. De familie die met ballonnen en spandoeken op Schiphol op mij wachtte, is al lang mijn familie niet meer. Ik zou ze niet herkennen als ze mij op een willekeurige plek weer zouden opwachten. Het moment dat ik in Nederland aankwam, herinner ik mij verbazingwekkend goed, al missen er flarden. Zoals ik nu nog steeds niet van grote groepen mensen houd, hield ik daar als kind ook niet van. Terwijl wildvreemde mensen mij aanschoten en mij wilde knuffelen, zocht ik onder de rok van mijn nieuwe moeder geborgenheid en warmte. Olaf, ‘onze’ hond, besnuffelde met zijn grote kop mijn lichaampje en deelde likken uit. Hij zag in mij meteen een nieuwe kameraad, ik zag enkel een groot wezen dat mij beangstigde. De reis naar huis is mij ontschoten. Maar ’s avonds was er een feest ter ere van mij waar ik jolig langs iedereen bleef gaan met mijn spaarpotje om een gulden te vragen.

Onvolledige adopties

Hoewel ik op mijn eerste basisschool het enige adoptiekind was, werden er in 1997 maar liefst 69 kinderen uit Brazilië naar Nederland geadopteerd. Hiermee was dat nog lang niet de laatste lichting uit Brazilië. Wereldkinderen de organisatie die de Braziliaanse adoptie regelde, stopte met ingang van 2007 met adopties uit Brazilië.

In de NRC van 19 oktober 2015 stelt Liza da Silva, directeur Pessoas Desaparecidas Brasil e Holanda (Verdwenen personen Brazilië en Nederland) dat van de dossiers die de organisatie onder ogen krijgt, zeker 80 procent vals of niet compleet is. Daardoor denkt da Silva dat de cijfers van de Nederlandse statistieken ook niet kloppen. Volgens die statistieken zijn tussen 1971 en 2000 iets minder dan dertienhonderd Braziliaanse kinderen naar Nederland gekomen, volgens haar liggen die cijfers acht keer hoger.

Een groot percentage van de Braziliaanse adopties tussen de jaren ’70 en ’80 is illegaal voltooid. Vrouwen vlogen met een kussen onder hun jurk naar Brazilië om daar zogenaamd te bevallen van hun kind. Eerder werd in de jaren ’80 al een politieonderzoek gedaan naar illegale adopties. In 42 van de 70 onderzochte gevallen werd toen vastgesteld dat er sprake was van strafbare feiten. Wonderbaarlijk genoeg werden deze zaken geseponeerd.

Het is heel lastig om te achterhalen of een adoptie volgens de regels is gegaan. Brazilië is een corrupt land waar alles te koop is, dus ook kinderen. Emeritus hoogleraar adoptie René Hoksbergen zegt in een artikel van de Telegraaf dat ‘regels er niet toe deden.’ Dit mag ik graag geloven. Als ik naar mijn adoptiemap kijk, voelt het als nattevingerwerk. Mijn adoptiemoeder kreeg bij het maken van mijn nieuwe geboorteakte de keuze om aan te geven of ik in het ziekenhuis of thuis geboren ben.

In het vliegtuig naar Nederland

Met een paar tikken op een oude computer werd mijn identiteit in enkele minuten vernieuwd, zonder dat ik daar weet van had. Al waren de roze Barbie-sandalen die ik erna als cadeau kreeg een goede omkoper. Maar de vraag of mijn adoptie volledig volgens de regels gegaan is, spookt met enige regelmaat door mijn hoofd. Mijn biologische moeder was weliswaar onbekwaam en verre van in staat om een kind op te voeden, maar volgens de regels moet er eerst gekeken worden of het kind niet door een ander familielid opgevangen kan worden. Nu weet ik inmiddels dat mijn moeder bij mijn oom en tante woont en dat versterkt de vraag in mijn hoofd.

Om een kind te adopteren, moet aan een aantal eisen worden voldaan. Hieronder vallen een verklaring van goed gedrag, een bewijs van de werkgever met de hoogte van het salaris, een verklaring van psychische en lichamelijke gezondheid en eigenlijk nog wel het belangrijkste: een afstandsverklaring van de biologische ouders. Nergens in mijn dossier kan ik dit belangrijke papiertje vinden. De plek waar haar handtekening zou moeten staan, is leeg.

De roze wolk niet die niet kwam

Laten we even vooruit spoelen, want dat er veel gesjoemel en misstanden zijn geweest bij (Braziliaanse) adopties, weet iedereen ondertussen wel. Welk effect heeft een adoptie op een kind? De filosofie dat je een kind uit een derdewereldland een beter leven geeft en een goede daad verricht, is nu achterhaald. In de jaren ’80 waren al de eerste verhalen te horen van adoptiefouders die klagen over de ernstige opvoedingsproblemen die een kind met zich meebrengt. Ik denk dat mijn adoptieouders die verhalen niet gelezen hebben of wellicht zichzelf sterker achten dan ze daadwerkelijk waren. Want net als andere adoptiekinderen was ik een kind met probleemgedrag. Dit is voor mijn adoptieouders dan ook een reden geweest om mijn adoptie niet te voltooien -ondanks dat ze voor Braziliaans recht hebben gezworen mij onherroepelijk te adopteren. De roze wolk waarop ze hoopten, kwam niet.

De afspraken die ze voor mij planden bij het Riagg, wierpen hun vruchten niet af. Ik bleef een boos kind dat snakte naar aandacht en liefde, dat maar één mechanisme kende: het overlevingsmechanisme. Van het natuurlijke vertrouwen dat ik in een volwassene had, was weinig over. Later zou dit helemaal verdwijnen – hier kom ik op terug. Ik stal eten, verstopte dit in mijn kamertje, loog veel, manipuleerde en deed alles voor aandacht. Heel vervelend gedrag maar ook verklaarbaar in mijn situatie. Mijn adoptieouders zagen dit anders en waren niet tegen mij opgewassen.

Hier mist nazorg vanuit de bemiddelingsorganisatie. Iets dat cruciaal is, zeker bij de adoptie van een ouder (onthecht) kind. Dit blijkt ook uit een Amerikaans onderzoek. Hoewel de adoptieouders in dat geval vooral rond de puberteit hulpvragen hadden over het gedrag van hun kind. Uiteindelijk hakten mijn adoptieouders, op mijn zevende na bijna twee jaar daar gewoond te hebben, de knoop door: ze deden afstand van mij. Er is eigenlijk nooit veel woede geweest jegens mijn adoptieouders. Jarenlang heb ik geprobeerd het te relativeren. Het enige waar ik boos om was, is dat ze mij niet meer wilde zien nadat ze afstand van me namen. En dat ik door hen een niet al te fijne jeugd heb gehad. Ik wil graag geloven dat mijn latere verzorgers alles hebben gedaan vanuit een overtuiging dat ze het beste met me voor hadden. Helaas ontbreekt het gevoel bij deze gedachte.

Het was rond mijn 18e dat ik mij realiseerde in wat voor een rotsituatie mijn adoptieouders mij hadden gebracht. Ondanks dat er al jaren geen contact met mijn adoptieouders was geweest, droeg ik nog steeds hun naam. Zodra het kon, heb ik mijn eigen achternaam, Da Silva, weer aangenomen. Mijn eerste contact na al die jaren met mijn adoptieouders, moest eigenlijk plaatsvinden op bureau Jeugdzorg in Den Bosch. Hier zouden ze de laatste papieren die ze van mij hadden, overhandigen. Zoals een echte Braziliaanse betaamt, was ik te laat omdat ik op de verkeerde locatie stond. Mijn adoptieouders en ik zijn nog steeds in een discussie verwikkeld waarin we het tegenovergestelde beweren: ik zou hebben gezegd dat ze niet op mij hoefden te wachten. In ieder geval, tot op de dag van vandaag heb ik ze nog niet ontmoet. De tweede poging tot contact volgde datzelfde jaar. Ik wilde Nederlands worden, maar mijn geboorteakte werd afgekeurd. Ik was immers volgens de Braziliaanse wet geadopteerd, niet voor de Nederlandse wet. Dat had wat voeten in de aarde.

Het gesprek met hen ging niet zoals ik gehoopt had. Er was minder empathie dan ik verwacht had en de koude woorden dat ze mij bewust hadden afgestaan, volgen me nog steeds. Het feit dat ik in deze situatie zat door hun toedoen, deerde hen niet. De kosten voor mijn naturalisatie waren ook hun probleem niet. Niets in het gesprek duidde erop dat deze mensen met hun volle verstand, dertien jaar eerder rond de 40.000 gulden hadden neergelegd omdat ze mij als dochter wilden. Nu is de naturalisatie uiteindelijk goed gekomen en mag ik mij sinds 2011 Nederlandse noemen. Maar dit is enkel te danken aan de Braziliaanse overheid en gemeente Nijmegen, die mij stapsgewijs hielpen de documentatie op orde krijgen en zelfs meebetaalden aan mijn proceskosten.

Officieel Nederlandse

Identiteit

In mijn beleving wordt er vaak geschreeuwd dat geadopteerde kinderen beschadigd zijn en later last krijgen van hun identiteit. Er bestaan natuurlijk niet voor niets programma’s zoals Spoorloos en organisaties zoals het FIOM die deze kinderen helpen. ‘Maar tal van wetenschappelijke studies en meta-analyses hebben aangetoond dat adoptiekinderen een verrassend grote inhaalslag maken op alle terreinen van de kinderlijke ontwikkeling: lichamelijke groei, gehechtheid, verstandelijke en sociaal-emotionele vaardigheden.’ Zo is er te lezen op de website van de Universiteit van Leiden. Ook zou in een recent onderzoek van ADOC (Adoptie Driehoek Onderzoekscentrum) verreweg de meerderheid van de interlandelijk geadopteerden aangeven tevreden te zijn met hun leven. Iets waar ik na een kort telefonisch gesprek met filmmaker In-Soo Radstake wel in kan komen. Zoals hij zei: “De cijfers worden gebaseerd op gegevens van zorgorganisaties. Je eigen kind zou je niet zo snel naar een psychiater sturen. Maar omdat een adoptiekind vaak een rugzakje heeft, wordt er veel sneller de aanname gedaan dat er wel iets mis mee zou zijn. Dat beïnvloedt deze cijfers enorm.”

Het is misschien het Baader-Meinhof fenomeen (dat je na het herkennen van iets, het steeds terug ziet komen) dat juist ik, meerdere leeftijdsgenoten ken die ook wat op- en aanmerkingen hebben over hun adoptie. Op de middelbare school had ik een vriendinnetje, Maaike, zij had weer een vriendinnetje dat ook geadopteerd was. Maar dat vriendinnetje had net zoals ik moeite met hechten. En ook haar ouders konden er niet mee omgaan. Maar in plaats van haar volledig uit hun leven te bannen, kozen zij ervoor om het vriendinnetje in een tehuis te plaatsen, waar ze ’s weekends en in vakanties van thuis kwam. Ik heb altijd een jaloezie gevoeld dat dat blijkbaar ook een optie was. Ook heb ik een kennis die samen met haar (niet-biologische) zusje uit Brazilië geadopteerd is. Zelf zegt ze ‘dat ze niks te klagen heeft gehad’ maar haar gevoel zegt volgens haar anders. Haar zusje dat heftige gedragsproblematiek heeft, eiste veel aandacht van haar ouders. Ze stelt ook dat het haar ouders zijn, maar dat het nooit zo heeft gevoeld. Dat ze connectie miste met een bloedverwant. Dit was voor haar zo doorslaggevend, dat ze zonder weten van haar ouders op zoek ging naar haar biologische familie en die vond. Haar moeder voelde zich gekwetst, maar omdat haar ouders haar niet wilde helpen, had ze geen andere keuze. Door het contact met haar biologische familie via Facebook, heeft ze rust gevonden.

Die onrust die zij voelde, herken ik bij mezelf. Het deel identiteit was en is nu nog steeds heel belangrijk voor me. Het Braziliaanse Consulaat-Generaal wist haar binnen tien dagen op te sporen, en dat met alleen mijn moeders naam en verder geen gegevens. Ik weet nu hoe ze eruitziet, en dat is voor mij nu voldoende. Iets waar mijn tante moeite mee leek te hebben. Maandenlang ontving ik berichten waar ik niks mee kon, tot het kwartje ook bij mijn tante viel: ‘Contact blijven zoeken heeft geen zin’. En daarmee verdween op dat moment -tijdelijk- mijn honger naar mijn eigen identiteit.

Reageer op dit artikel