Jannie Wirschuleit-Botter: “Het leven gaat niet altijd over rozen”

Een afbeelding van het huis waarin Jannie Wirschuleit Botter opgroeide

Mijn oma heeft al een aantal jaar de ziekte van Alzheimer. Het enige voordeel daarvan is misschien wel dat ze er zelf niet bij stilstaat. Ik interview haar in haar kamer in verzorgingstehuis de Sterrelanden in Dordrecht. Daar zit ze op een gesloten afdeling met vijf andere ouderen die leven met een vorm van dementie.

DOOR DENNIS BOOM

Jannie Wirschuleit-Botter zit in haar oude fauteuil voor zich uit te staren, haar blik iets naar beneden gericht. Wanneer ze mij ziet, veert ze op en zegt: “Wat leuk!” Bijna direct gevolgd door: “Wat kom je doen? Wandelen?”, vraagt ze met sprankelende ogen. Een wandeling – familieleden en vrienden mogen de mensen van de afdeling meenemen – is vaste prik geworden wanneer ik bij haar langsga, meestal met mijn moeder – haar dochter – erbij.

Deze keer schuif ik de enige andere stoel in de kamer bij die van haar. Een paar jaar terug vertelde oma weleens vaker wat over haar verleden. Dat was ook waar ze het makkelijkst over kon praten, toen ze haar geheugen begon te verliezen. Haar korte termijngeheugen is ze nu bijna  helemaal kwijt. Als je haar een paar minuten na het eten vraagt wat ze gegeten heeft, weet ze dat niet meer. Het verleden kan ze zich beter herinneren.

Om met een vraag te beginnen waar ze het antwoord ongetwijfeld van weet, vraag ik haar waar ze is opgegroeid. “Rogat A 314, gemeente de Wijk”, antwoordt ze direct. Haar mondhoeken trekken zich op, blij dat ze direct zo gedetailleerd kon antwoorden. Rogat is een dorpje in Drenthe, ten oosten van Meppel.

Het gezin Botter woonde daar in een vrijstaand huis. Oma’s ouders waren dan ook vrij rijk. Haar vader, Hendrik Botter, had een brandstoffenhandel en bezat naast een luxe auto twee vrachtschepen en twee vrachtwagens. Hij voer de turf van de veenderijen per schip naar hun huis, om het daarna per vrachtwagen naar een deel van de klanten te rijden. Het andere deel van de klanten waren boeren en zij kwamen het zelf halen met paard en wagen.

Het gezin Botter is tamelijk groot. Jannie heeft vijf zussen en zes broers. Ze vond het fijn om in haar gezin op te groeien. “Er was nooit ruzie. Het was hartstikke gezellig, maar wel hard werken. Ik moest helpen om de manden met turf van onderaan het schip in de vrachtwagen te gooien. Dat is hoog hoor. Ik geloof dat er vijfentwintig turfblokken in zo’n mand zaten. Ik was vijftien of zestien. De klanten zeiden wel eens: ‘Baas, dat is geen werk voor je dochter.”

Ook het dorp vond ze een fijne plek om in op te groeien. “Het was een leuk dorp. Alles was goed onder elkaar. Er liep een kanaal in het midden, aan weerskanten stonden huizen. Als kind deden we touwtje springen, hoepelen, tollen, tikkertje, verstoppertje. Wij zwommen ook weleens in het kanaal. Zo gauw als we konden lopen, moesten we leren zwemmen.”

Op haar zestiende gebeurt er toch iets naars in haar anders zorgeloze kindertijd. “Het zusje onder mij (het elfde kind), dat twee jaar jonger was dan ik, is op 14-jarige leeftijd overleden. Ze had gewrichtsreumatiek. Tijdens het eten hadden we vaste plekken en toen ze was overleden ik kon niet verdragen dat die plek naast mij leeg was. Maar die moest open blijven.”

In films over vroeger zie ik weleens dat kinderen op de vingers werden getikt met een liniaal als ze ongehoorzaam waren, maar oma heeft dat nooit zien gebeuren. “Als wij straf kregen, moesten we strafregels schrijven. Maar ik heb nooit geen strafregels geschreven. Wij kwamen niet toe aan kattenkwaad. We werden streng opgevoed.”

Na de basisschool gaat ze, net als haar zussen, naar de huishoudschool. Daarna leerde ze voor kleuteronderwijzeres, wat ze zo’n vier á vijf jaar heeft gedaan. “Ik trouwde met Piet Vergeest en verhuisde met hem naar Den Helder. Hij zat bij de marine, maar aan wal, in de haven daar. Hij was door zijn opa en oma grootgebracht en koos er daarom voor bij de marine te gaan. Hij dacht: als zij komen te overlijden, heb ik in ieder geval een plek.”

Oma vergeet hier te vertellen dat ze eerst twee jaar met Piet in Giessenburg woonde, voor ze naar Den Helder vertrok. In 1956 wordt hun eerste dochter, Jannie Vergeest, geboren in Giessenburg. Oma is dan 25 jaar. Twee jaar later, wanneer ze in Den Helder wonen, volgt Joke Boom – mijn moeder – en een jaar daarna Ria Verkijk.

In 1962 verhuist het gezin naar Amsterdam. “We kwamen in de Krügerstraat in een buitenwijk van Amsterdam. Daar kon ik niet wennen. We kregen geen zon in huis.” Een paar maanden later, inmiddels is het 1963, verhuizen ze naar Dordrecht. Daar zal zij 53 jaar in hetzelfde huisje wonen. Nu woont zij twee jaar in het tehuis. “Ik kan hier best aarden. Je bent onder elkaar en het is gezellig.”

Twee jaar geleden was ze minder positief toen haar dochters haar vertelden dat ze voortaan in het tehuis zou wonen. In de aanloop naar de verhuizing was ze steeds wisselend voor en tegen. De ene keer was ze het er mee eens, de andere keer vond ze dat ze nog makkelijk alleen kon komen en dat haar dochters haar wilden ‘lozen’. Dat ze er al mee ingestemd had, was ze dan weer vergeten.

Toen de dochters haar aan de grote tafel in de gedeelde afdeling vertelden dat ze vanaf dat moment in dat tehuis zou wonen, sloeg ze met haar vuist op tafel. Met toegenomen emotie en volume in haar stem herhaalde ze dat ze best voor zichzelf kon zorgen. Ziedend brieste ze dat ze de dochters nooit meer wilde zien. Ze liep richting haar kamer, maakte eerst de deur van de kamer naast die van haar open, waarop de dochters haar wezen op haar vergissing. Ze stapte de juiste kamer binnen, liep direct naar het raam aan de andere kant van de kamer en bleef erdoor heen staan kijken.

De eerste weken, misschien zelfs maanden, raakte ze door het lint wanneer een van de dochters op bezoek kwam. Na verloop van tijd wende ze aan haar nieuwe thuis en vergat haar vorige woning. Tegenwoordig vraagt ze uit gewoonte nog weleens of ze niet naar de Marianne, de straat waar ze woonde, moet worden gebracht. De straatnaam is alles wat ze nog weet. Hoe het huis eruit zag, is ze – ondanks dat ze er 53 jaar heeft gewoond – allang vergeten.

In haar kamer staat bij het raam een houten beeld van een vrouw, in een glazen vitragekast naast het raam staan onder elkaar meerdere kleine beelden, aan het voeteneind van haar bed staat een houten ladekast met nog twee beeldjes erop. Deze beelden komen allemaal uit Indonesië, waar haar tweede man vandaan kwam. In 1970 scheidden Jannie en Piet. Veertien jaar later trouwt ze met Richard, een Nederlandse Indiër.

“Hij was aardig, behulpzaam. Een aardige vent”, concludeert ze lachend. Samen gingen ze naar Richards familie in Indonesië, zodat zij Jannie konden leren kennen. Het zou de eerste van vele reizen naar het land zijn. Ondanks de voorliefde voor het land (“Het is er altijd warm”) hebben ze er nooit gewoond. “Het was zoals het was. Ik woonde hier, hij kwam hier naartoe. Er is nooit over geprakkiseerd.”

Ze heeft naar eigen zeggen overal met plezier gewoond, behalve dan in Amsterdam. Vanaf het moment dat ze in Giessenburg ging wonen, heeft ze haar ouders en broers en zussen niet vaak meer gezien. “Je had er de tijd niet voor dus het contact verwaterde.” Dat vindt ze jammer maar ‘je leven gaat niet altijd over rozen.’

Als oma na het interview plaats heeft genomen aan de grote tafel in de gedeelde ruimte voor het avondeten, loop ik de gang door naar de deur. Er ontstaat een gesprek tussen oma en de verpleegkundige van de afdeling over wie net langs is geweest. “Dit was Dennis van Joke”, zegt de verpleegkundige. “Niet, dit was een van de zonen van Ria”, meent oma.

 

 

 

Reageer op dit artikel