Lachen met dementie

Mijn oma is sinds ongeveer vijf jaar dementerend. Ofja, sindsdien zijn we de symptomen gaan herkennen, maar waarschijnlijk speelt het al veel langer. Daar haar aandoening vergeet ze vaak wat er zojuist gebeurd is. Maar ze kan ook juist dingen vergeten uit het verleden, of bijvoorbeeld of ik nou Dirk ben of mijn oudere broer. Daarom heb ik er voor gekozen om haar vooral vragen te stellen waarop ik het antwoord al weet. Ik ben alleen benieuwd of zij het nog weet. 

‘Is er iets?’ Vraag ik haar terwijl ze me aandachtig bestudeert. ‘Ik zat te kijken wie jij bent, Dirk toch?’ Oh even een pauze: ze ziet ook niet meer zo goed, dus het is vaak de vraag wat nu de oorzaak is van dit soort vragen. Zelf geeft ze liever niet toe dat ze vergeetachtig is of dat ze slecht ziet, dus ik moet het vooral zelf inschatten, maar in dit geval denk ik dat het door haar zicht komt. Weer door. ‘Vind je dat lastig om te zien, oma?’ ‘Nee dat is niet lastig.’ Allereerst vraag ik haar hoe haar nieuwe woning in Sint Anthonis bevalt. ‘Woon ik in Sint Anthonis, nee toch?’ Ik knik naar haar, ‘oh, nou wel goed denk ik.’ Ze lacht, ze lacht vaak als ze iets niet meer weet. Zelf ziet ze er de humor gelukkig nog van in. 

Ik stel haar wat vragen over haar kindertijd. Die weet ze nog vrij goed te beantwoorden. ‘Ik ben geboren op de manege ‘Het Zwarte Water’ in de Mortel. Die is nog steeds van mijn zus.’ Nu weet ik, omdat ze mij dat vaak verteld heeft, dat daar in de oorlog een luchtmachtbasis langs lag. ‘Is dat zo?’ Ze denkt even na. ‘Oh ja, en als ze dan opstegen dan kwamen ze slechts een meter boven de schoorsteen langs.’ De oorlog vond ze verder niet zo spannend. Ik vraag haar naar haar broers en zussen. Ze moet lang nadenken over de namen, maar komt uiteindelijk op zeven. Dat klopt, weet ik toevallig. ‘Ik was de oudste dus ik moest zorgen voor mijn jongste broertje, die was ongeveer 15 jaar jonger dan ik.’ 

Ze vertelt hoe ze haar man, mijn opa, heeft leren kennen in de bossen achter hun huis. Al toen ze klein waren kwamen ze daar vaak spelen. ‘Adrian kwam met zijn vrienden langs toen ik steentjes over het water aan het gooien was. Op mijn 25e trouwde we en zijn we in een bungalow in het bos gaan wonen. Hij werkte op de boerderij en ik deed de huishoudschool, zoals bijna alle vrouwen toen.’

‘Wat ben je toch nieuwsgierig,’ lacht ze. Ik merk op dit punt wel dat mijn vragen er voor zorgen dat ze wat helderder wordt. Ze moet minder lang nadenken en reageert wat scherper. Stimuleren mijn vragen haar onbewust, ik weet het niet. Ik vraag haar naar het geloof. Vroeger was oma christelijk, maar ik weet nog dat ze  een paar jaar geleden zei: ‘die kwats, daar geloof je toch niet in.’ Volgens mijn moeder ging ze toen al een tijdje niet naar de kerk. Nu reageert ze echter heel anders: ‘tuurlijk geloof ik nog, wat dacht je dan.’ Lacht ze. Zou ze vergeten zijn dat ze niet meer geloofde? ‘Maar een tijdje terug zei je dat je niet meer gelooft.’ ‘Oh jawel hoor, ik ben nog voorzitter geweest van de vrouwenafdeling van de parochie.’ 

Dan wil ik het over haar dementie hebben, ik weet dat ze daar niet van houdt maar vraag het haar toch. Ze lacht en verandert het onderwerp, net alsof ze me niet gehoord heeft. We gaan eten. Als iedereen inclusief ikzelf al van tafel is vertelt ze mijn moeder dat ze Adrian mist. Ze praat daar bijna nooit over, zou het door het interview komen? Ik weet het niet, ik weet wel dat ik haar maar vaker vragen over het verleden ga stellen. Het doet d’r misschien wel goed.

Reageer op dit artikel