Loopt neoliberalisme op zijn einde?

Neoliberalisme. Het is een begrip waar je bijna niet omheen kunt, maar niemand lijkt de definitie begrijpelijk te kunnen duiden. Dat terwijl we toch al sinds eind jaren zeventig leven in een wereld van het neoliberalisme, alhoewel er langzaam een einde lijkt te komen aan het besef dat ‘neoliberalisme’ dé oplossing is.

Verbaasd. Anders kon ik mijn emotie niet beschrijven toen ik Mark Rutte afgelopen zomer het bedrijfsleven zag toespreken op een VVD-partijbijeenkomst in Aalsmeer. Zijn vingertje wees naar het verbouwereerde publiek, hij verhief zijn stem en er volgden teksten waar voormalig premier en PVDA-icoon Joop den Uyl pril bij zou afsteken. ,,Iets bevalt me niet’’, sprak Rutte op strenge toon. ,,De middenklasse, mensen met een normaal salaris, staat steeds meer onder druk. Hun buffers raken op. We hebben de lasten verlaagd, maar stijgingen in de CAO blijven uit. De winsten klotsen tegen de plinten op, maar het enige wat lijkt te stijgen zijn de salarissen van de topmannen”, zei Rutte. “Dat vind ik niet acceptabel. Dan gaat er iets mis.’’

Vloeken in de neoliberale kerk. Zo zou je de tirade van de minister-president wel kunnen noemen, maar allereerst: waar staat dat begrip ‘neoliberaal’ eigenlijk voor?

Neo betekent nieuw, liberaal betekent vrij. Beide woorden zijn afkomstig vanuit het Latijn, die samen een ‘nieuw soort liberalisme’ omschrijven. Het oude liberalisme was bij de intreding van het neoliberale tijdperk eind jaren zeventig immers al decennia jaren verleden tijd. Na de oorlogsjaren werd de westerse wereld geleid door gemengde economieën, oftewel: naast het vrije marktdenken is er een overheid die vaak intervenieert om particuliere bedrijven binnen de perken van de wetten te houden. Ook vakbonden hadden destijds een grote vinger in de pad bij de werkgevers. Dit alles met het doel op een goede verhouding tussen arbeid en kapitaal, waardoor er destijds veel mogelijkheid bestond tot sociale mobiliteit. Dit klinken als beginselen van de Partij van der Arbeid, en eigenlijk klopt dat ook wel. Het waren de sociaaldemocratische waarden die de basis gaven aan de zogeheten ‘Golden Years’, alhoewel de VVD en de voorlopers van het in 1980 gefuseerde CDA ook een belangrijke rol in de opbouw van de verzorgingsstaat.

Golden Years

Er was ook alle ruimte voor in die jaren. Politici konden nauwelijks wat fout doen, zo goed verging het de westerse economieën in die jaren waarvan het vaststellen van een precieze periode lastig is. Dat het startpunt rond 1950 ligt, is logisch, maar over de einddatum verschillen vele historici van mening. De een noemt de oliecrisis van 1973, de ander kiest voor de verkiezingen van Margaret Thatcher (1979) en Ronald Reagan (1980). Maar één ding is duidelijk: in die jaren verliest men langzamerhand het geloof in de theorie van John Maynard Keynes, oftewel: de keynesiaanse consensus, wat de facto neerkomt op het voorkomen van conjunctuurschokken door in goede economische tijden te sparen voor economisch barre tijden. Zoals nu eigenlijk. Met een staatsschuld van 49% van het BBP zou Nederland in feite de geldkraan open kunnen draaien, maar aflossen, aflossen, en aflossen bleek het beleid van het huidige kabinet. Zo beschikt de Nederlandse overheid om de dreigende economische crisis als gevolg van het coronavirus te bestrijden met tientallen miljarden om ondernemers en ZZP’ers te redden, maar ook het MKB en beursgenoteerde bedrijven als KLM komen niet in de kou te staan. Het keynesiaanse beleid lijkt dus terug van weggeweest.

Bron: CBS

Maar waarom verdween dat eigenlijk? Het had in de Golden Years immers jarenlang goed gefunctioneerd. De West-Europese economie groeide in die jaren met gemiddeld 4,08%, waardoor de luxe van een koelkast, televisie en stofzuiger plotseling betaalbaar werd voor Jan Modaal. Dat proces kon echter niet eeuwig voortduren. Je kunt een tweede televisie kopen voor op de slaapkamer, maar waar zou je de derde op kunnen hangen?

Het was dus wachten totdat de economie oververhit zou raken met zo’n snelle groei. Zeker gezien de snelle loonstijging in de Golden Years. Rutte zou er nu van dromen, maar destijds waren er jaren dat de lonen met liefst 14% stegen. Het was dus onvermijdelijk dat bepaalde werkgevers wilden vertrekken naar een land waar de lonen lager lagen. Neem de scheepsbouw bijvoorbeeld, die eerst richting Japan vertrok om via Zuid-Korea vervolgens in Zuidoost-Azië te belanden. Kortom, werkgevers zoeken de weg naar zo veel mogelijk winst, waardoor het vertrek van de scheepsbouw in het snel economisch groeiende Zuidoost-Azië onvermijdelijk is.

In principe maken die landen het proces door wat West-Europa in de Golden Years doorliepen. Bij ons werd het in die jaren echter lang in bedwang gehouden door afspraken tussen werkgevers, vakbonden en overheid. Die partijen polderde naar loonmatiging wat voor grote werkgelegenheid zorgde. Keynsiaanse grondwaarden dus. Eigenlijk datgene waar Rutte op de VVD-partijbijeenkomst voor pleitte.

Mochten we Keynes’ theorieën ‘links noemen, kan dit gezien worden als een politieke verschuiving naar links. Het is immers de VVD, de economisch meest liberale partij van Nederland, die het verkondigt. Bovendien vraagt men zich in tijden van de coronacrisis veelvuldig af of al dat neoliberale beleid wel zo verstandig is geweest. We hadden het failliete Sloterwaard Ziekenhuis momenteel goed kunnen gebruiken, maar ziekenhuizen moesten we vanaf het neoliberale tijdperk als échte bedrijven gerund worden, waardoor zij bij een paar gebroken minder failliet kunnen geraken.

Dat is namelijk neoliberaal gedachtegoed. Als iets als bedrijf wordt gerund, functioneert het op zijn best volgens de westerse illusie van eind jaren 1970. ,,De markt is altijd de beste oplossing. Er is namelijk geen overheid die meer weet dan de gehele markt’’, luidde het neoliberale devies. Gek genoeg bestond de ideologie al sinds de jaren 1930, toen na de economische crisis na 1929 duidelijk was geworden dat klassiek liberalisme niet werkte. Het veroorzaakt altijd monopolies, waaruit ironisch genoeg het bordspel zijn oorsprong vindt. De Engelse oprichter wilde daarmee aantonen dat ondanks het gelijke startveld een monopolie onvermijdelijk is.

Dus bedacht men wat anders: neoliberalisme. De overheid moest altijd monopolies en kartels bestrijden om het speelveld voor iedereen toegankelijk te houden. Bovendien haalt iedereen met gezonde competitie het beste uit zichzelf.

Je bent dus verantwoordelijk voor je eigen succes. Ook in publieke sectoren moest volgens neoliberale denkers als Alans Greenspan en Friedrich Hayek deze wind gaan waaien, want niemand wist zoveel als de gehele markt. Er moest dus gedereguleerd wordt, wat de facto neerkomt dat ziekenhuizen, drinkwater en licht vermarkt moesten worden.

Neoliberalisme op de Nederlandse politiek

In Nederland zorgde dat in financieel moeilijke jaren voor wat ruimte. Met het aantreden van minister-president Ruud Lubbers (1982) werd Nederland voor het eerst blootgesteld aan een neoliberale agenda. Allereerst het Akkoord van Wassenaar (1982), waar loonmatiging met de FNV werd afgedwongen in ruil voor arbeidskorting. De werkloosheidspercentages stegen die jaren zelfs geregeld boven de 10% uit. Bovendien had Nederland een jaarlijks financieringstekort, plus een enorme staatschuld. De bezuiningsagenda moest dus doorgevoerd worden. Zo werden de publieke sector, overheid en sociale zekerheden ingekrimpt. Een neoliberale koers, die met coalitiepartner VVD eenvoudig te varen viel.

Ruud Lubbers met de armen over elkaar. Links van hem zit toenmalig VVD-fractievoorzitter Ed Nijpels.

Verrassender was het kabinet Lubbers III, wat uit een coalitie bestond met de PvdA het beleid voortzette. Plots leken de grote Nederlandse regeringspartijen (VVD, CDA en PvdA) in elkaar te zijn geschoven. Zelfs toen de PvdA in 1994 de grootste werd, vond het zijn coalitiepartners ter rechterzijde van het politieke spectrum. Het was D66 die de VVD aan de PvdA koppelde, maar achttien jaar later hadden zij D66 niet meer nodig om hun coalitie te vormen.

Hoe opvallend waren de woorden van PvdA fractievoorzitter Lodewijk Asscher laatst dan? Nadat hij als minister tussen 2012 en 2017 lijdzaam toekeek hoe kabinet Rutte II vele bezuinigingen doorvoerde, sprak hij zich in maart samen met Jesse Klaver (GroenLinks) en Lilian Marijnissen (SP) uit tegen dat ‘rechtse’ beleid. Het congres was bedoeld om hun linkse samenwerking te presenteren. De drie partijen zullen allen tegen het belastingplan van 2021 stemmen, wanneer grote bedrijven 2,4 miljard euro winstbelasting zouden ontvangen. Het is ironisch dat juist de PvdA een samenwerking zoekt met één van de partijen die het in de jaren 1990 zelf de kamer induwde. Er waren immers veel kiezers tegen de neoliberale agendapunten van de PvdA, wat de SP de ruimte bood aan de linkerkant van het politieke spectrum. Ter rechterzijde ontstond diezelfde ruimte doordat de VVD juist naar rechts werd opgetrokken door hun coalitiepartners, maar die ruimte werd pas in 2002 ingevuld door de LPF. Ook een partij die zich afzette tegen de zorg, immigratie en tal van andere dingen die de VVD en de PvdA uit het oog waren verloren.

Maar het excuus kan gevonden worden in de tijdsgeest van de jaren 1990. Alles zou immers beter worden. Ook nu groeide de Nederlandse economie als kool, mede gedragen door een flink toegenomen vrouwelijke arbeidsparticipatie. Waar het percentage in 1985 nog op circa 30% lag, steeg dat in 2004 naar 59%. Het was dus niet gek dat het de Paarse kabinetten voor de wind ging. Zij trokken een groot blik van veelal hooggeschoolde werknemers open, waardoor de economie kon blijven groeien.

Wie geloofde er nog in socialisme? Kok schudde zijn laatste ideologische veren af, maar dit proces voltrek zich niet alleen in Nederland. In Engeland kwam Tony Blair (Labour Party) aan de macht, terwijl de Verenigde Staten in 1992 de democraat Bill Clinton had verkozen tot president. Allen geloofden in de zogeheten ‘Derde Weg’, wat er op neerkomt op via neoliberale ideeën socialistische doelen te verwezenlijken. 

Transitie?

Maar lukt dat anno 2020 nog wel? De inkomensongelijkheid is in Nederland weliswaar klein, maar daar zijn relatief hoge belastingen en een sterk sociaal vangnet voor nodig. Verhoudingsgewijs tot andere Europese landen betalen Nederland veel inkomstenbelasting, maar de vermogensbelasting is met ongeveer 1,7% is relatief laag, waardoor geld van generatie op generatie doorvloeit door middel van waardevolle bezittingen. Je kunt jezelf dus afvragen of neoliberalisme geleid heeft tot het verwezenlijken van sociale idealen, maar het heeft de economie wel weer doen groeien. Het probleem is echter dat de winst niet verdwijnt in de zakken van werknemers, wat Rutte tot woede opriep op die desbetreffende tirade in Aalsmeer. De vraag is wat je hieraan kunt doen. Enerzijds kun je de schuld leggen bij bedrijven, terwijl een lastenverlichting deze doelen ook kan dienen. Het immers de middenklasse die onder druk staat. De meeste van heb kunnen moeizaam een huis kopen, waardoor hun geld opraakt aan huur. Zonder overwaarde of aflossing op een huis is vermogen opbouwen complex. Met zijn speech deed Rutte een waarschuwing, die binnenkort gepaard kan gaan met daden.

Nederland lijkt namelijk in een economische transitiefase te verkeren. Deregulering, met de geprivatiseerde ziekenhuizen, wordt in twijfel getrokken en de overheid stelt alles in het werk om noodlijdende bedrijven te redden. Maar is het keynesiaanse systeem überhaupt ooit weggeweest? Wanneer de economie ook maar iets minder groei vertoond dan voorspelt, wordt er gesmeten met overheidsmiljarden. Denk alleen al aan de vele staatsobligaties de ECB opkocht om de Eurocrisis te bestrijden, en ook nu weer kondigde de Europese Centrale Bank staatsobligaties op te zullen kopen. Er is en blijft echter één probleem: zeggen dat we de theorieën van Keynes volgen lijkt nog ver weg, maar het coronavirus zou dit proces kunnen versnellen.

Reageer op dit artikel