Ontkerkelijking in Nederland: zijn de kerken nog te redden?

Voor het eerst in de geschiedenis rekent meer dan de helft van de Nederlanders zich niet meer tot een religieuze groepering. Dat blijkt uit nieuwe data die het CBS medio oktober uitbracht. Steeds minder mensen brengen een bezoek aan de kerk: een daling die bijna geheel voor rekening komt van de katholieken. Wat zijn de aanjagers van die ontkerkelijking in Nederland? En hebben de kerken nog een toekomst?

Minder dan de helft (49%) van de Nederlandse bevolking boven de 15 jaar gaf in 2017 aan tot een religieuze groepering te behoren. Een jaar eerder was dat nog de helft en in 2012 behoorde nog ruim de helft (54%) tot een religieuze groepering. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van het CBS uit het onderzoek Sociale samenhang en welzijn. Het rooms-katholicisme is met 24% de grootste religieuze groep in Nederland, maar ook, zo blijkt uit het onderzoek, de sterkst dalende groep. Nederland ontkerkelijkt.

Kees de Groot heeft als godsdienstsocioloog onderzoek gedaan naar het fenomeen secularisatie, ofwel ontkerkelijking. Eén van de muren op zijn werkkamer aan de Faculteit Katholieke Theologie van Tilburg University is een volledige boekenkast. In de kast staan verschillende exemplaren van het in boekvorm uitgebrachte onderzoek God in Nederland. Dit onderzoek wordt sinds 1996 elke tien jaar uitgevoerd in opdracht van de KRO. In 2016 gaf de conclusie van dit onderzoek al een voorproefje voor de onlangs uitgebrachte CBS-cijfers. Nederland is geen christelijke natie meer, zo bleek. En dat terwijl religie altijd rijkelijk aanwezig is geweest in de lage landen.

Seksueel misbruik geen oorzaak voor ontkerkelijking

De lichte daling van de kerkgang sinds 2012 komt volgens het CBS-rapport geheel voor rekening van de katholieken. Bij protestanten en moslims is het bezoek aan de kerk of moskee gelijk gebleven. Een logische verklaring voor de afname van het bezoek aan rooms-katholieke kerken, lijken de misstanden die zich in de katholieke gemeenschap hebben afgespeeld, en die de afgelopen jaren naar buiten zijn gekomen. Denk aan de film Spotlight (2015) die gebaseerd is op het onderzoek van The Boston Globe in 2001, dat een grootschalig kindermisbruikschandaal binnen de katholieke kerk aan het licht bracht. Kan dit een oorzaak zijn geweest voor de ontkerkelijking? Een reden was het in ieder geval voor de uitschrijving bij de katholieke kerk van televisiepresentator Lex Uiting. Eerder deze maand vertelde hij bij RTL Late Night over zijn beweegredenen hiervoor. Het seksueel misbruik noemde Uiting daarbij ‘natuurlijk’ als reden voor zijn uitschrijving. Maar een reden is nog geen oorzaak. En volgens Kees de Groot valt er dan ook geen duidelijk verband te zien tussen de misstanden in de katholieke kerk en de afname van de kerkgang. “De ontkerkelijking die je nu ziet, is precies wat al decennia geleden werd voorspeld. De schandalen helpen natuurlijk niet in het vertrouwen in de katholieke kerk als instituut, maar de ontkerkelijking ligt precies in de lijn van de verwachtingen.”

Modernisering en bestaanszekerheid

Maar het feit dat in 2017 nog maar 16% van de Nederlandse bevolking regelmatig (minstens één keer per maand) een religieuze dienst bezoekt, moet toch een of meerdere oorzaken hebben. De Groot wijdt het fenomeen van de secularisatie vooral aan de huidige modernisering en aan de opkomst van de verzorgingsstaat. “De ontkerkelijking van Nederland zette al in aan het begin van de twintigste eeuw, toen nog vooral onder de Nederlandse hervormde kerkleden. Sinds de jaren zestig is dat in een stroomversnelling geraakt en is de uittocht uit de rooms-katholieke kerk begonnen”, vertelt De Groot. “Als je kijk naar verklaringen van de teruggang van het kerklidmaatschap in andere landen, zie je in Europa een samenhang met modernisering. Toen de maatschappij veranderde in een industriële samenleving, en later in een post-industriële samenleving, zie je dat kerkelijkheid afneemt.” Volgens De Groot is modernisering overigens wel een parapluterm: er vallen allerlei processen onder, bijvoorbeeld individualisering.

De Groot plaatst wel een kanttekening bij de uitspraak dat modernisering leidt tot minder kerklidmaatschap. “In de Verenigde Staten bijvoorbeeld is de kerkelijkheid heel hoog. Wat ook interessant is, is dat in allerlei Aziatische en Afrikaanse landen en in India een enorme moderniseringsslag heeft plaatsgevonden. Toch neemt de religiositeit daar zeker niet af. Modernisering en kerkbezoek hangen dus niet per se samen, al in de relatie tussen deze twee factoren er in Europa wel geweest in de twintigste eeuw.” Uit grootschalig onderzoek van de World Value Studies blijkt ook dat religiositeit samenhangt met bestaanszekerheid. Wanneer de bestaanszekerheid in een land stijgt, worden mensen minder religieus. “We zien dat bij mensen die op individueel niveau bestaanszekerheid krijgen, bijvoorbeeld omdat ze in een verzorgingsstaat leven, de kerkelijkheid afneemt. Maar er komen steeds weer nieuwe mensen bij met minder bestaanszekerheid. Daarom blijven de kerkelijkheid en religiositeit op wereldschaal redelijk op peil.”

Minder tijd voor de kerk

Elly Bus-Linssen, pastoraal werker bij de Parochie Christus’ Hemelvaart in Sittard, ziet het verschijnsel van ontkerkelijking met eigen ogen voltrekken. “We hebben een vergrijzende parochie”, vertelt ze. “Er zijn onder de jonge gezinnen mensen die nog wel geïnteresseerd zijn, maar het is lastig voor hen om zich te binden aan de kerk. Ze vinden kerkbezoek moeilijk te combineren. Zo spreek ik weleens ouders die zeggen: ‘De zondag is mij heilig.’ Daarmee bedoelen ze dat ze die dag graag zelf kiezen wat ze doen. Het is daarom ook voor wel geïnteresseerde gezinnen soms moeilijk om tijd vrij te maken voor kerk.” Bus-Linssen ziet het drukke tijdschema van veel jonge mensen dus als reden voor hen om minder betrokken te zijn met de kerk. Een duidelijke oorzaak voor de secularisatie vindt ze lastig aan te wijzen. “De ontkerkelijking kent een scala van oorzaken. Er speelt veel in de samenleving. Ieder heeft individueel z’n eigen leven op poten en wat voor de één een reden is om de kerk minder te bezoeken, hoeft voor de ander helemaal niet zo te zijn.”

Demografische verschillen in kerkgangers

Wat Bus-Linssen opvalt in haar werk als pastoraal werker bij een vrijzinnige parochie is dat vrijzinnig geloven bij een deel van de jongere generatie niet goed bekend is. “Zij weten vaak helemaal niet dat je binnen de kerk ook heel anders kunt denken dan het letterlijke verhaal uit de Bijbel. Vrijzinnigen stellen zelf vragen bij dingen en dat is voor de jongeren die daar niet mee zijn opgegroeid, soms moeilijk te begrijpen. Het is voor hen bijna alsof je als vrijzinnige zelf niet gelooft. Dat is niet zo, alleen zitten achter het geloof meer twijfels dan geloofswaarheden.” Bus-Linssen geeft aan dat het voor jongeren vaak moeilijk is daarover te praten. “Dan moet je je er al verdiept hebben en dat is iets wat zeker de jongere generaties minder hebben gedaan.”

Over jongeren en kerkelijkheid merkt het CBS op dat jongeren van 18 tot 25 jaar veruit de minst religieus betrokken groep zijn. In 2017 behoorde een op de drie jongeren tot een religieuze groepering. Van deze jongeren gaf 13% vorig jaar aan regelmatig naar een religieuze dienst te gaan. Jongeren staan daarmee lijnrecht tegenover de ouderen, die het meest religieus betrokken zijn. Van de 75-plussers gaf 71% aan godsdienstig te zijn; 34% bezocht regelmatig een religieuze dienst.

Andere religieuze verschillen in de bevolking zijn voornamelijk terug te zien in geslacht en opleidingsniveau. 52% van de vrouwen gaf in 2017 aan te behoren tot een religieuze groepering, ten opzichte van 46% van de mannen. Van de vrouwen ging 17% regelmatig naar een dienst, van de mannen 14%. Een eenduidige verklaring hiervoor blijft tot nu toe uit. In een onderzoek van Pew Research beweren enkele sociologen dat het verschil in religieuze betrokkenheid te maken heeft met genetische verschillen tussen de twee geslachten, zoals mogelijk het hogere niveau testosteron bij mannen. Onder wetenschappers woedt echter al jaren een strijd over een duidelijke verklaring voor dit verschijnsel.

Ook het verschil in opleidingsniveau valt niet eenduidig te verklaren. Feit is dat uit de cijfers van het CBS blijkt dat academici het minst ‘kerken’. Van hen gaf 37% in 2017 aan te behoren tot een religieuze groepering; 12% van hen bezocht regelmatig een religieuze dienst. Van de groep met uitsluitend basisonderwijs behoorde 64% procent tot een religieuze groep en bezocht 20% regelmatig een dienst. Een wezenlijk verschil, dat volgens De Groot op verschillende manieren kan worden verklaard. “Vanuit de kerk is er weinig specifiek aanbod voor hoger opgeleiden. Er zit een grote culturele afstand tussen de twee groepen.” Een tweede verklaring is het verschil in denkwijze. “Hoger opgeleiden denken over het algemeen kritischer na.” Tot slot is daar weer de verklaring van bestaanszekerheid. “Mensen met een lagere opleiding hebben op wereldschaal een lagere bestaanszekerheid dan hoger opgeleiden. En dus zouden ze meer open staan voor religie.”

Op dat gebied voegt cultuurtheoloog Frank Bosman, tevens verbonden aan de Faculteit Katholieke Theologie van Tilburg University, een theorie toe. Bosman, in 2011 uitgeroepen tot Theoloog van het Jaar, spreekt van een self-fulfulling prophecy. “Een van de dingen die je moet afleggen om als academicus, politicus of beleidsmaker serieus genomen te worden in het publieke domein, is je religieuze identiteit en je religieuze inspiratie. Er wordt vaak gesuggereerd dat mensen met lagere opleidingen geloven in iets van het bovennatuurlijke, omdat ze te stom zouden zijn om zelf na te denken. Over mensen die hoog in de maatschappij zitten, academici, wordt gedacht dat ze het vermogen hebben om na denken en dus niet geloven in zoiets ‘achterlijks’ als God, religie of iets bovennatuurlijks. Dit frame is natuurlijk niet afkomstig uit de lagere sociale klassen, maar uit de hogere klasse. En daarmee spreek je van self-fulfilling prophecy.” Bosman vindt het een schijnargument dat dommere mensen meer in God zouden geloven dan slimme mensen. “Je kan nu eenmaal alleen tot hogere regionen en domeinen worden toegelaten als je aan bepaalde geschreven en ongeschreven regels voldoet. Er wordt van je verwacht dat je alles wat met religie te maken heeft in je slaapkamer achterlaat. Dat geeft dus een vertekend beeld.”

Kritiek op de CBS-cijfers

In de recent uitgebrachte data door het CBS worden de termen kerkelijkheid en religie door elkaar gebruikt. Dat is niet helemaal juist. Allereerst is religie breder dan alleen het christelijke. De Groot: “De aanleiding blijft toch een statistisch onderzoek met een eentrapsvraag: het CBS stelt één vraag die mensen al een beetje stuurt richting het geven van een antwoord. De vraag impliceert namelijk dat ze inderdaad tot een kerkgenootschap of iets dergelijks behoren.” Het denken in termen van een religieus genootschap is overigens iets wat sowieso een christelijke manier van kijken aangeeft. “Gelovig zijn krijgt in het CBS-onderzoek de implicatie dat je bij een bepaalde groep hoort. Dat is bij andere religies helemaal niet zo duidelijk, ook bij de islam niet. Je kunt naar een moskee of gebed gaan, maar een organisatie als genootschap is niet hoe het werkt binnen dat geloof. In het jodendom werkt het ook niet zo. Dat is vanuit de Nederlandse samenleving een beetje afgedwongen, zodat er zelfs een Nederlands-Israëlisch kerkgenootschap kwam. Het is een soort aanpassing aan de Nederlandse manier van doen, die door het christendom wordt bestempeld. Daarin zijn kerkelijkheid en religiositeit sterk met elkaar verbonden.”

Hoe het onderzoek naar Nederland en religie beter had gekund? Volgens De Groot begint het met een tweetrapsvraag. Dan krijg je volgens hem al veel eerder hoge aantallen van geen betrokkenheid. “Bij de vraag die nu werd gesteld worden mensen een beetje gestuurd tot het horen bij een kerkgemeenschap, maar als je die vraag anders stelt, zullen mensen eerder geneigd zijn ‘nee’ te zeggen. Als je zou vragen of mensen zich beschouwen als behorend tot een levensbeschouwelijk óf kerkelijk genootschap, krijg je veel hogere cijfers voor niet-kerkelijke betrokkenheid.” Eigenlijk zijn dus nog minder mensen aangesloten bij de kerk dan uit het onderzoek van het CBS blijkt.

Somber toekomstbeeld of toch hoop?

Uit de leeftijdsopbouw van mensen die nu bij kerk horen, kan veel worden afgelezen. De Groot: “Mensen hebben niet het eeuwige leven, dus als de meeste kerkleden 65+ zijn, dan weet je dat er over dertig jaar niet veel meer van over is. En dat terwijl we weten dat het aantal mensen dat tot de kerk toetreedt heel laag is. Bovendien is de kans klein dat kinderen van niet-kerkelijken tot de kerk gaan horen.” Dat schetst een somber toekomstbeeld voor de kerken in Nederland. Wellicht zouden zij zelf iets kunnen doen om meer mensen aan zich te binden en weer meer aantrekkingskracht te krijgen. Dat gebeurt al bij kleinere protestantse kerken, die juist nauwelijks moeite hebben om zichzelf staande te houden. Daar zijn al veel jongeren te vinden, die vaak vroom zijn. Evangelische en reformatorische kerken slagen er bovendien in het geloof op volgende generaties over te dragen, in tegenstelling tot de katholieke kerken.

Ondanks dat ze het dus niet het hardst nodig hebben, zijn positieve veranderingen vooral te vinden bij de protestantse kerken in Nederland. “Er zijn een aantal evangelische gemeentes die flink aan de weg timmeren”, vertelt De Groot. “Zij hebben een heel moderne aanpak met allerlei groepen waaraan je mee kunt doen. Ook hebben ze de marketing goed op orde. Dat heeft succes, omdat het meer kerkgangers oplevert.” Die kerkgangers komen voor een deel uit andere kerken vandaag, dus kunnen we spreken van een verschuiving. “Mensen die heel kerkelijk betrokken zijn, wisselen weleens van kerkgenootschap. Aan de andere kant blijkt ook uit onderzoek dat mensen van buitenaf naar zo’n soort kerk komen. Iets aan de kant van het aanbod doen, kan dus wel degelijk effect sorteren.” Volgens De Groot is er ook een theorie die zegt dat concurrentie binnen verschillende kerkgenootschappen gezond is. De kerken zouden dan weer hun best gaan doen om mensen binnen te halen en binnen te houden. Het katholicisme in Europa doet het vooral goed in landen die geheel katholiek zijn, zoals Polen. “In landen als Nederland, waar je verschillende religies hebt, zie je toch dat het minder goed gaat.”

Afbrokkelende verzorgingsstaat, florerende kerken?

De ontkerkelijking in Nederland zou ook zomaar vanzelf kunnen oplossen. Dat hangt nauw samen met de afbrokkeling van de verzorgingsstaat. “De situatie in Nederland is bijzonder”, aldus De Groot. “Qua ontkerkelijking is Nederland vergelijkbaar met Tsjechië en de voormalige DDR, die een gedwongen secularisatie hebben meegemaakt. Je zou dus kunnen zeggen dat Nederland geen communistisch regime nodig heeft gehad om het geloof te laten vallen. De verklaring hiervoor is de sterke verzorgingsstaat. In heel veel landen betekent lid zijn van de kerk, lid zijn van een gemeenschap. Mensen binnen de kerk zorgen voor elkaar. Dat is ook in de Verenigde Staten heel erg het geval. In Nederland is die functie heel erg uitgekleed of overgenomen door overheidsinstanties of door instanties die in ieder geval door de overheid gesubsidieerd worden. De kerken zijn daarmee teruggebracht tot hun religieuze functie en als ze het daarvan moeten hebben, schiet het niet op.”

Daar is Bosman het mee eens. “Op het moment dat de staat de verzorging van kwetsbare groepen als werklozen en zieken op zich nam, hoefden de kerken dat minder te doen en voelden mensen minder de noodzaak om zich bij een kerkelijke gemeenschap te betrekken. De garantie voor zorg en bescherming kregen ze immers van de overheid. Nu zie je aan alle kanten dat de verzorgingsstaat langzaam wat aan haar eind begint te komen. Grote problemen als eenzaamheid en verslaving kunnen door de verzorgingsstaat niet langer opgelost worden. Dan zie je weer op verschillende plekken dat de kerk activiteiten gaat ontplooien, bijvoorbeeld het managen van voedselbanken.” Bosman illustreert deze situatie ook met het huidige kerkasiel in Den Haag, zorg voor vluchtelingen. “Je ziet dat waar de verzorgingsstaat niet meer in staat is haar eigen doel te verwezenlijken, de kerkelijke gemeenschaap inspringt. Ik ben echt heel benieuwd waar dat allemaal heengaat.”

De Groot sluit zich daarbij aan. “Als de verzorgingsstaat wordt afgebroken, komt er meer ruimte voor de markt. De strijd om het bestaan wordt harder.” En dat zou positief kunnen uitpakken voor de kerkelijke betrokkenheid in Nederland.

Afbeelding via Flickr

Reageer op dit artikel