Oorlog verbindt

“Het maakt niet uit waar ik ben, ik laat alles vallen. Zo ben ik opgevoed,” klinkt vanuit de achterkant van de bus. “Om acht uur zit ik klaar met familie bij de tv. We kijken samen naar de herdenking en zijn twee minuten stil. Zo ben ik opgevoed,” benadrukt de zwaarlijvige jongen – met een gemillimeterd kapsel en fleecetrui met bij de hals een ritssluiting – nogmaals in een overduidelijk Drents dialect.

De grauwe lucht die boven de hoge bomen van het gebied uitsteekt sluit naadloos aan bij de sfeer van een plek waar in 1940 een van de grootste gebeurtenissen uit de geschiedenis plaatsvond. Het terrein, dat bekend staat als Kamp Westerbork, was oorspronkelijk gebouwd door Nederlanders om Joodse vluchtelingen op te vangen. Het veranderde tijdens de Duitse bezetting in een doorgangskamp naar vernietigingskampen als Auschwitz, Sobibor (Polen) en Bergen-Belsen (Duitsland).

Uitgestapt en wandelend langs een gerestaureerde wagon klinken de namen van de vanuit Nederland gedeporteerde mensen. De meesten zijn van Joodse afkomst, enkelen zijn Sinti en Roma. Het weergalmen van de namen voelt niet aan als een opsomming. 102.000 keer gaat het om een vader, een moeder, een broer, een zus, een vriend, een persoon.

“Wist je dat Anne Frank hier ook heeft gezeten?”, vraagt een magere oudere vrouw terwijl ze haar man ondersteund met staan. “Toen ze werd ontdekt bij haar onderduikadres in Amsterdam werd ze bij aankomst in Westerbork in een strafbarak ingedeeld. De straf was” – er valt een stilte – “dat ze als eersten op transport gingen.” Haar man kijkt beduusd. Anne Frank ging met de laatste trein mee die vanuit Westerbork naar Auschwitz zou vertrekken.

Er vallen druppels. Toch is het stil. Er wandelen mensen rond het terrein. Praten doen ze nauwelijks. De plek maakt indruk. Zelfs nu er bijna niets meer van het oude kamp is overgebleven. Na de oorlog was er voor de Holocaust – het systematisch uitroeien van Joden – nauwelijks aandacht. De overlevenden van het kamp vonden dat het oprichten van een monument werd gezien als manier voor niet-Joden om hun geweten te zuiveren.

Tot 1971 heeft Westerbork nog gefungeerd als interneringskamp voor NSB’ers, als militair kamp, als repatriëringskamp van Indische Nederlanders na de Indonesische onafhankelijkheid en als woonoord voor Molukkers. Pas eind jaren ’60 veranderde dat beeld langzamerhand. De barakken waren inmiddels al verkocht of afgebroken.

“Zonder de Radiosterrenwacht zou Kamp Westerbork niet meer bestaan hebben,” stelt rondleidster Elizabeth Zeilstra. Wat er met het kampterrein moest gebeuren was niet duidelijk. “Het had net zo goed een recreatiegebied kunnen worden”. Het grote afgelegen gebied leende zich voor de plaatsing van twaalf radiotelescopen van de Radiosterrenwacht. De storingsvrije zone die daarvoor vereist was, zou de rust en stilte in het voormalig kamp waarborgen. Telefoneren is er dus verboden.

Uiteindelijk ontwierp een van de kampoverlevenden, Ralph Prins, een monument in de vorm van een treinrails. Het einde van de rails staat omhoog gekruld. “Zodat het vast staat dat er nóóit meer een trein vanaf deze plek zal vertrekken,” verklaart Zeilstra. Onder de rails liggen 93 bielzen. “Ze verwijzen naar ieder transport dat vanuit Nederland naar Oost-Europa vertrok.”

De rondleidgroep loopt nogmaals langs de wagon waarin tijdens de Tweede Wereldoorlog mensen vervoerd werden, om vervolgens nooit meer terug te keren. Het vervoer duurde drie dagen. “Zeventig mensen gingen hier in. Ze moesten allemaal staan,” vertelt de gids. Er klinkt een zacht schrikkend geluid. “Waren er dan ook mensen die tijdens de rit kwamen te overlijden?” wordt aarzelend gevraagd. Een aantal ouderen knikken.

Een pendelbus brengt de bezoekers terug naar het herinneringscentrum. De volgeladen bus legt dezelfde route af als waar de deportatietreinen hebben gereden. In een tien minuten durende rit spreken vreemden met elkaar over de afschuw over de gebeurtenis en delen verhalen over wat ze hebben gehoord over de oorlog. Oorlog verbindt.

Reageer op dit artikel