De reünie van het ex-kleinkind en de ex-stiefoma

In 2010 zijn er ongeveer 184 duizend stiefgezinnen in Nederland. Sinds een paar jaar hoort ééntje daar niet meer bij: die van mij. Als puber besloot ik het stief-hoofdstuk dicht te doen. Nu gaat het weer open. Bij Omi (87), in Zeist. Om te praten over liefde, dood en stiefgezinnen. “Je kunt veranderen door dat soort dingen. En dat kan wel eens fout aflopen.”

Het weerzien

Na een reis van twee uur ben ik er. De hoge bomen op het lange pad: ik herken het nog. Vroeger speelde ik hier met mijn broertje en stiefzusje. “Even naar Zeist”, was een begrip dat we maar al te goed kenden. Dat stond voor buitenspelen, gehaktballen, toneelstukjes schrijven. Feest. Ik weet niet eens meer wanneer ik hier voor de laatste keer was. Als ik terugreken moet het ongeveer vijf jaar geleden zijn. Toen gingen mijn moeder en (ex-)stiefvader uit elkaar. Niet alleen hun liefdesrelatie stopte, ook mijn stiefband sneuvelde. Ik ben niet de enige met een niet-zo-happy-stief-family. 32% van alle stiefgezinnen zegt gelukkig te zijn. 41% absoluut niet. 60% van de samengestelde gezinnen gaat toch weer uit elkaar. Nu ben ik dus bij Omi, de moeder van mijn ex-stiefvader. Ik weet waar ik moet zijn. De blauwe balkonnetjes zijn grauwer dan eerst. Het bos in de achtertuin is niet meer. Ik hoef niet lang te zoeken. Aan het eind van de lange galerij staat een klein vrouwtje me op te wachten. Ze zwaait met haar armen. Ik pak haar vast. “Donna. Wat ben je veranderd, zeg. Wat een bos krullen. Mag ik eens zien hoe dat er aan de achterkant uitziet?” Twee gerimpelde handen gaan door mijn kroeskop heen. “Oh, dat ziet er hetzelfde uit. Mooi, hoor. Het staat je goed.” Ze glimlacht. “Ben ik gegroeid of ben jij gekrompen?”, vraag ik. Allebei misschien wel. “Ga zitten. Ik pak drinken voor ons.” De handen rijken naar een waterkoker. Het interieur is nog precies hetzelfde. Zelfs de geur is zoals ik me herinnerde. De bruin beklede bank voelt vertrouwd. “Laten we met leuke dingen beginnen”, opper ik. “De minder leuke mag ook, hoor. Dat hoort bij het leven. Zo is de cyclus.” Ze neemt een slok, haar kopje beeft. “Waar ben je eigenlijk geboren, Omi?” “Hier, in Zeist. Ik hang wel aan deze plek. Je hebt hier veel mooie gebieden. Veel bos. Ik houd ervan. In deze flat woon ik al 55 jaar.” Nu Opi overleden is, leeft ze hier alleen. Het stuk bos achter de flats is gekapt. Daar staan nu nieuwe huizen op. Binnenkort gaat de woonplek tegen de vlakte. “Dat snap ik ergens wel. Er zit niet eens een centrale verwarming in”, zegt Omi. Mijn ex-stiefoma ontmoette mijn, inmiddels overleden, ex-stiefopa ook in deze stad. Hij was dirigent met ongeveer vijf koren. Zij zong in zijn jeugdkoor, het was haar eerste liefde. “Opi was in ieder geval de eerste échte. Ik had wel eens een vriendje hier en daar, maar dat was of werd niets. Bij Opi was dat anders.”

De muziek

Muziek maakte Opi en Omi één. Terwijl ik door de fotoboeken spit, hoor ik uitgebreide verhalen over concertuitjes. Eigenlijk leken zij best op mijn moeder en ex-stiefvader. “Muziek verbond ons. We hielden daar allebei heel erg van. We gingen graag samen naar concerten. Ik weet niet of die namen je wat zeggen dus dat bespaar ik je, maar we luisterden er dagelijks naar.” Mama en ex-stiefpapa zijn muzikanten. Mijn zaterdagavonden bestonden uit meekijken vanuit de coulissen. Blijkbaar zit het in beide families. “Alle drie de jongens hadden iets met muziek. De jongste twee zijn allebei op het conservatorium geweest. De oudste wilde wel een beetje voor zichzelf kunnen spelen, maar dat was niets serieus. Die jongste genoten wel echt van die school. Als je naar het conservatorium gaat, begint het optreden al op school. Daarna rol je er makkelijk in. Dat was allemaal niet klassiek wat ze speelden, trouwens. Hoe heet dat toch… Heeft dat een naam die muziek?” Ik help haar even. “Pop?” “Ja, pop ja. De jongste doet dat nog steeds. De andere zijn er natuurlijk al lang niet meer.”

De dood

Ik wist dat al wel, van die broers. Zij overleden allebei op jonge leeftijd. Tragisch. Ik vraag me af op wat voor manier dat verdriet verwerkt werd in het gezin. “We wilden trauma’s voorkomen door alles behalve een begrafenissfeer te creëren thuis. Het leven moest doorgaan.” Hoe dan? “We wilden het vooral leuk hebben. Je wilt niet dat er niets kan, dat er geen ruimte is. Er mochten altijd vriendjes en vriendinnetjes langskomen en blijven slapen. Prima. Altijd vrij. En er was altijd plaats voor. Dat moet kunnen, vind ik. En daar dachten Opi en ik hetzelfde over.” Nog steeds komen oude vriendinnetjes van de jongens over de vloer. Die vrouwen zijn inmiddels ook al gewoon 50. Dat is toch geweldig.” Dat is het, ja. “Dat vind ik heel knap”, zeg ik. Dat meen ik ook. Het lijkt me vreselijk zoiets mee te maken. Breken met iemand kun je accepteren, dat is je eigen keuze. Verlies overkomt je. Onlangs verloor Omi weer iemand. Haar beste vriendinnetje. De twee kenden elkaar meer dan 80 jaar. Een soort zusjes. Omi kan er rustig over praten. “Ik ben bijna 88, hartstikke oud. Je ontkomt er niet aan. Wat ik akelig vind, is dat het steeds stiller wordt om me heen. Ik heb al zoveel vrienden begraven. Opi is nu vier jaar dood. Soms zou ik wel weer een dagje met allemaal bekenden willen zijn.” Mijn eigen opa was pas 71 toen hij overleed. Echte-Oma was 79, maar al een paar jaar erg dement. Ik ging regelmatig naar haar toe om samen een hapje te eten of te kletsen. Met haar had ik graag meer gezonde jaren meegemaakt. Al vond ik het tot het eind fijn om in haar gezelschap te zijn. Opa had ik nog makkelijk tien jaar kunnen hebben. Dat vind ik wel erg. Omi knikt en stopt me het twaalfde chocolaatje toe.

De liefde

Muziek mocht dan een binder zijn in beide relaties, de huwelijken hadden één groot verschil. “We waren zielsgelukkig”, zegt Omi. Ze vergeet wel eens woorden tijdens ons gesprek, maar niet als ze over Opi praat. Op die momenten zijn haar zinnen vloeiend en duidelijk. “Het was buitengewoon, ik kan niet anders zeggen.” Dat huwelijk was niet eens vanzelfsprekend. Opi’s ouders waren vroom en niet blij met de keuze voor Omi. “Ik weet niet waarom, maar ze wilde het niet hebben. Opi moest kiezen tussen het gezin of mij. Gelukkig werd ik het.” In die tijd moest je nog toestemming krijgen van je ouders om te trouwen. Onder dwang van een jurist is het uiteindelijk gelukt: “Hij stond een beetje voor het blok, maar ja. Hij heeft het zelf gedaan, toch.” Omi houdt nog steeds van Opi. Hij is ook altijd bij haar. Met briefjes, bijvoorbeeld. Ze vindt in boeken en blaadjes nog steeds oude briefjes van hem terug. Die schreef hij als hij van huis ging.” Laatst vond ze er eentje terug in een tijdschrift. “Ik ben even naar De Looborch (een rusthuis)”, stond erop. “Als ze daar een mooie kamer hebben met een lekker oud wijf, dan blijf ik daar.” Vertrouwen, liefde en humor zijn volgens Omi de ingrediënten voor een goede relatie. Dat had ze aan mijn ex-stiefvader mee moeten geven. “Het is je zaak niet als ouder. Relaties moeten ze zelf doen. Ik was wel heel bang in die tijd. Bang dat ik mijn kleinkinderen zou kwijtraken, bijvoorbeeld. Hoe gaat het eigenlijk met jouw liefde? Je hebt een vriendje, toch?” Ik verzeker haar dat alles goed gaat. Dat vind ze fijn. Chocolaatje nummer negentien.

Het eind

Het voelt goed om hier te zijn, maar ook een beetje vreemd. Waarom ben ik hier zolang niet meer geweest? Waarom heb ik mezelf onthouden van de bruine bank en rooibosthee? Volgens mijn vader is er een Congolees spreekwoord dat de lading dekt: “A ship can die but the port remains.” Dat kun je vertalen naar: “Een schip kan stranden, maar de haven blijft in stand.” Dat moet dan weer betekenen dat stiefbanden nooit vergaan. Misschien heeft hij het gewoon verzonnen. Het maakt ook niet uit. Ik excuseer me: “Sorry dat ik zolang niet ben geweest. Ik dacht dat ik een paar maanden nodig had, maar dat duurde ineens vijf jaar.” “Jammer, heel jammer”, zegt Omi. “Het is ook logisch. Een mens is geen machine. Ik vond het enig toen je belde.” Ik loop met haar mee naar de achterkamer. Daar speelden mijn broertje, ex-stiefzusje en ik urenlang. Toneelstukjes maken, liedjes zingen, computeren. Het geluk kon niet op. “Al die optredens die jullie deden, vond ik prachtig. Een leuk kind vond ik jou. Erg leuk. En spontaan ook.” Hopelijk is dat niet veranderd. Haar grijsblauwe ogen bekijken me van onder tot boven. “Je bent wel veranderd”, zegt ze. In je voordeel. Wijzer ben je.” Ik omarm haar. Het is stil. Drie seconden, dan onderbreekt ze het. “Heb je eigenlijk nog meer vragen?” Nee, het is goed zo. “Mag ik nog een kopje thee?” Natuurlijk mag ik dat. De laatste. Om half zes pak ik de trein naar huis. Twee mandarijntjes in mijn hand en misselijk van de chocolaatjes. Heel fijn. Net als vroeger.

 

Reageer op dit artikel