Verhalen achter de struikelsteen

 

De struikelstenen van Gunter Demnig liggen verspreid over Europa, van Eindhoven tot in Rusland. Het zijn er 55.000 voor evenveel slachtoffers. Dit is het verhaal van vijf struikelstenen.

Bij het restaurant De 4 Azen in een winkelstraat in Eindhoven liggen twee struikelstenen. Op een staat de naam Aladar Grünfeld. Grünfeld is geboren in Boedapest(Hongarije), maar verhuist in 1915 op 31-jarige leeftijd naar Eindhoven. Waarom de iets dikkere Hongaar, met snor en een scheiding in zijn haar, naar Nederland komt is onduidelijk. De eerste vijf jaar is hij woonachtig aan de Hoogstraat in Gestel. Aladar verhuist nog meerdere keren tot hij vijf jaar voor de Tweede Wereldoorlog in de Willemstraat gaat wonen. Daar woont hij samen met zijn moeder, zus en haar vier kinderen. Zijn vader is dan al een natuurlijke dood gestorven. Nederland is pas een halfjaar bezet als ook zijn moeder doodgaat. Het is het begin van het einde voor de familie Grünfeld.blokmettekst

Aladar werkt tijdens de oorlog als koopman en is eigenaar van een kledingzaak. Zijn winkel ‘Grünfeld Kleeding Magazijn’ zit eerst op de Rechtestraat, maar verhuist later naar de Willemstraat. Als jood begint hij de gevolgen van de bezetting in 1943 te merken. Zijn winkel moet sluiten van de Duitse organisatie ‘Omnia Treuhandgesellschaft M.b.H.’. De organisatie houdt zich bezig met het sluiten van joodse bedrijven en winkels. Het houdt hiermee niet op voor Aladar Grünfeld, hij wordt eind maart 1943 gedeporteerd naar Westerbork. Het is alleen maar speculeren wat er toen door het hoofd ging van de Hongaar. Gelooft hij nog in een goede afloop of voelt hij het einde naderen. Hoe dan ook, nog geen twee weken later wordt hij getransporteerd naar concentratiekamp Sobibor. Zowel hij als zijn zus worden drie dagen later vermoord. Alleen de kinderen van zijn zus overleven.

Medische proeven op kinderen

Vlakbij de Willemstraat ligt de Staringstraat. Daar liggen voor huisnummer 29 vier struikelstenen. Een laatste aandenken aan familie Hornemann. Een vader, moeder en hun twee zoons.

De vader van het gezin, Philip Carel, wordt op 7 februari 1900 geboren in Vlissingen. Op een van de overgebleven foto’s oogt hij als een serieuzere man in een pak met een nette das om. Hij vertrekt zoals zoveel mensen naar Eindhoven om voor Philips te werken. Hij is daar verantwoordelijk voor het inkopen van mineralen, vetten en oliën. Philip Carel ontmoet in deze periode zijn vrouw. Haar naam is Elisabeth Docters, woonachtig in Boxtel, en ook zij is werkzaam bij Philips tot ze trouwen. Het stel is gelukkig samen en krijgt twee kinderen. Net als hun vader dragen de twee kinderen nette kleren als ze samen met hun moeder met krullend haar op de foto gaan.

Eduard, de eerste zoon, wordt op 1 januari 1933 geboren. Alexander komt drie jaar later te wereld. De zoons dromen van een toekomst als dokter en kok, maar dan begint de Tweede Wereldoorlog. Moeder duikt samen met de jongste zoon onder op een boerderij, terwijl de oudste zoon op een andere boerderij terechtkomt. De vader wordt met andere Philips-medewerkers naar kamp Vught gestuurd. Elisabeth besluit om met haar twee zoons ook naar het kamp te gaan. Een keuze met verschrikkelijke gevolgen. Het gezin wordt na negen maanden naar Auschwitz gedeporteerd. De vader komt in een ander kamp terecht. Philip Carel Hornemann werkt tot vlak voor de bevrijding in een radiofabriek in kamp Langen Bielau. Misschien droomt hij nog van de vrijheid nu de Russen steeds dichterbij komen, maar daar maken de Duitsers een eind aan. Philip Carel wordt in januari 1945 verplaatst naar Gross Rosen en later naar Dachau. Zijn laatste transport overleeft hij niet. Hij wordt op 28 februari 1945 vermoord. Eduard en Alexander zijn nu wees. De moeder overlijdt enkele maanden eerder aan tyfus. Het werk in het kamp is te zwaar voor haar. Twee kinderen van elf en acht jaar blijven over. Maar ook zij ontsnappen niet aan de gruwelijkheden van het Naziregime.

De twee broertjes komen terecht in Neuengamme in de buurt van de Duitse stad Hamburg. Zij worden samen met andere joodse kinderen gebruikt voor medische proeven met tuberculose. Aan het hoofd van deze medische proeven staat dr. Kurt Heissmeyer. Hij infecteert kinderen met tuberculosebacillen in hun schouder. Die zwelt hierdoor op, wat ontzettend pijnlijk moet zijn voor de kinderen. Als gevolg krijgen de gevangenen hoge koorts.

Het is april 1945. De Duitsers zijn aan de verliezende hand. De geallieerden mogen niet weten wat voor mensonterende praktijken zijn uitgevoerd door de Nazi’s. Uit Berlijn komt de opdracht om alle kinderen en volwassenen te vermoorden. Dit bericht betekent het doodvonnis  voor Eduard en Alexander. Ze worden met de andere proefpersonen naar een schoolgebouw in Hamburg gebracht. Daar worden alle 18 kinderen en 28 volwassen geïnjecteerd met morfine. Zodra ze in slaap vallen worden ze opgehangen. Ze zijn dan slechts enkele weken verwijderd van het einde van de oorlog. Kurt Heissmeyer ontkomt in eerste instantie, maar hij krijgt in 1966 levenslang. Voor de familie Hornemann is het te laat. Het enige wat nog aan ze doet denken is een plantsoen met een monument erin. En de vier struikelstenen. Het plantsoen is naar de broertjes vernoemd om alle joodse kinderen die weggevoerd zijn uit Eindhoven te vertegenwoordigen.

Vlucht naar veiligheid

Nederland is voor de oorlog een veilig oord voor joden en andere ongewenste mensen uit Nazi-Duitsland. Ook voor het Duitse gezin Benjamin. Eugen Benjamin is geboren in Duitsland op 4 april 1900. Hij komt uit een welvarende familie met veel grond. Zijn vader is voorganger bij de lokale synagoge en veehandelaar. Eugen besluit net als zijn vader veehandelaar te worden. Hij is daarnaast echtgenoot van Sofie Heijman en vader van Ilse. Zij wordt in 1927 geboren. Ilse doet het goed op school, maar wordt door enkele leraren gediscrimineerd omdat ze joods is.

Antisemitisme neemt toe in Duitsland, dus gaat Ilse samen met neef Walter naar Brussel. Eugen en Sofie willen ook weg, maar moeten eerst een stuk akkerland verkopen. De burgemeester probeert dit tegen te houden. Joodse mensen moeten hun grond toch goedkoop verkopen aan de Nazi’s. Eugen Benjamin weet het stuk land toch te verkopen. Officieel voor een lage prijs, maar de kopers betalen in het geheim veel meer. Nog voor de Kristalnacht in 1938 pakken ze hun koffers en vertrekken naar Nederland. Dochter Ilse woont nog in België, maar verhuist na de bezetting naar Nederland om bij haar ouders te zijn. Neef Walter vertrekt met 27 joodse kinderen naar de Verenigde Staten en overleeft de oorlog. Ilse bezoekt in Nederland het joods lyceum in Den Bosch. Haar ouders wonen op dat moment in Eindhoven. In een speciale opvang voor joodse vluchtelingen uit Duitsland in de St.Rochusstraat. In 1939 verliezen ze hun Duitse nationaliteit, maar dat is hun minste zorg. Drie jaar later wordt het gezin getransporteerd naar Westerbork. Enkele dagen later worden ze naar Auschwitz in Polen gebracht. Sofie Benjamin-Heijman en haar dochter worden meteen vermoord. Eugen Benjamin komt ergens in Midden-Europa om het leven op 31 maart 1944.

Vrijgezel Meijer

Meijer Blomhoff wordt geboren op 30 april 1901 in Eindhoven. Hij is de zoon van Mauritz en Carolina Blomhoff en heeft twee broers: Nathan en Bernard. De Eindhovenaar runt samen met zijn vader en broer Bernard een slagerij. Slagerij Blomhoff zit op de Vrijstraat. Het bedrijf wordt tijdens de oorlog onteigend door de Duitsers en verkocht aan particulieren. Meijer Blomhoff woont nog bij zijn ouders, maar daar moeten ze weg. Ze verhuizen van de St. Catherinastraat naar de Akkerstraat. Een gevolg van hun joodse achtergrond. Na twee jaar bezetting doet een gerucht de ronde dat als een lid van de familie Blomhoff zich aangeeft dat de rest wordt gespaard. Onduidelijk is wie het gerucht de wereld in heeft geholpen. Zijn broers zijn getrouwd, terwijl Meijer vrijgezel is en bij zijn ouders woont. Hij besluit zich te melden bij de Duitsers om zijn familie te redden. Tevergeefs, want ook zijn familie wordt vervolgd. Meijer Blomhoff wordt naar Westerbork gebracht op 13 oktober 1942. Een week later gaat hij naar Auschwitz. Zes maanden later wordt hij vermoord. Zich vrijwillig melden hielp zijn familie niet, maar zowel zijn ouders als broers overleven de oorlog.

Van Siberië naar Auschwitz

Aron Schwarzkächel wordt geboren op 20 september 1883. Hij werkt als huisschilder in Boedapest. Daarnaast is hij echtgenoot van Hesse Ornstein en vader van vier kinderen. Twee zoons genaamd Leo en Sandor en twee dochters genaamd Ethelke en Rosa. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vecht Aron mee in het Hongaarse leger. Hij wordt als krijgsgevangenen tewerkgesteld in het koude Siberië. Bij terugkomst in Hongarije is de sfeer grimmig geworden. Regelmatig worden er acties gehouden tegen joden, soms met doden als gevolg. Aron besluit met zijn gezin te emigreren.

Ze verhuizen naar het Ruhrgebied, maar daar is het leven onaangenaam voor joden. Van Duitsland gaan ze naar Nederland. Weer moet het gezin een nieuwe taal leren en wennen aan nieuwe omgeving. De vrouw van Aron overlijdt in 1930 in Eindhoven aan een maagbloeding. Hij moet de draad weer oppakken en gaat werken bij Philips. Zijn kinderen verhuizen naar Den Haag, waar ze allemaal een eigen gezin hebben. Niet lang daarna breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Hij wil niet meer vluchten en geeft zijn trouwring en horloge aan zijn dochter Rosa. Vlak daarna wordt hij opgepakt en naar Westerbork gebracht. Daar ontmoet hij zijn zoon Sandor. Het weerzien is niet van lange duur, want Aron wordt op 21 september 1942 getransporteerd naar Auschwitz. Bij aankomst wordt hij vermoord. Zijn vier kinderen overleven wonder boven wonder allemaal de oorlog.

 

Bronnen: Eigen kennis,  boek’ Ze waren onze buren’ van projectgroep Struikelsteen Eindhoven, YouTube kanaal UniTrier. Contact is gelegd met Gunter Demnig, maar hij moet op het moment van publiceren nog antwoord geven op de vragen. 

Reageer op dit artikel