‘Tachtig kilometer op een dag fietsen is nu toch nét te ver”

Als ze niet op de fiets zit, is ze te vinden bij de gymclub of in het zwembad, want achter de geraniums zitten, dáár heeft de tachtigjarige Mien Mooren nog geen tijd voor. Een eigenschap die haar volledig beschrijft is tevredenheid, iets wat ze de jongere generatie graag mee zou willen geven.

 “Wat mijn leven anders maakt dan die van de jeugd van nu? Nou, dat is een wereld van verschil. Ik groeide op in de Sint Jozef parochie in Deurne, helemaal buitenaf. Je kunt het je waarschijnlijk niet voorstellen, maar we hadden helemaal geen waterleiding of wat dan ook. We moesten water uit de put halen om te douchen en we hadden ook geen wc zoals we die nu thuis kennen. Wij gingen gewoon op het land op een echte ‘zeikton’ zitten, die mijn vader dan eens in de zoveel tijd leegde. Alles moest op een hele simpele manier gebeuren want de voorzieningen en het geld waren er gewoon niet. In de rest van Nederland was er over het algemeen wel gewoon waterleiding aangelegd, maar wij woonden te ver achteraf en waren dus niet aangesloten.

Slapen onder de brug

In de tijd van de Tweede Wereldoorlog was het eigenlijk een voordeel dat we op het platteland woonden. We verbouwden zelf groentes en hielden koeien, varkens en kippen. Honger hebben we dus ook nooit gekend. Toen de Duitsers binnenvielen moesten we wel onze boerderij in de nacht uitlenen aan de bezetters. Overdag mochten we gewoon thuis zijn maar s ’nachts sliepen we dan met het hele gezin onder een brug in een sloot. Mijn vader had in een ronde buis ,waar normaal gesproken het water uitstroomt, met heel wat matrassen en dekens een bed gemaakt. Of dat niet heel koud was? Nee hoor, het was geen hartje winter, dus het viel allemaal wel mee.

Aan het werk in de fabriek

Thuis waren we met elf kinderen, naast mij waren er nog vijf meisjes en vijf jongens. Ik was een van de oudste, wat betekende dat ik veel op mijn broertjes en zusjes moest passen. Het sociale leven speelde dus ook voornamelijk thuis af. Ik werkte al vanaf mijn veertiende in de fabriek en in de avond ging ik naar de avondschool waar ik huishoudvakken leerde, veel verder kwam ik niet. Als meisje werd er van mij verwacht dat ik na de basisschool niet verder ging met leren, de jongens in ons gezin mochten dat wel. Ik werkte 48 uur per week in een fabriek in Helmond waar ze dekens maakten. Achteraf gezien had ik graag de verpleegstersopleiding gedaan, maar naar de middelbare school gaan was gewoon geen optie. Dan zouden mijn ouders namelijk twee keer zoveel kosten hebben gehad. Het schoolgeld zou betaald moeten worden, maar ook het geld wat ik verdiende bij de fabriek zou wegvallen. Ieder dubbeltje werd in het huishouden gestoken, ook alles wat wij verdienden. En tel het maar eens bij elkaar op, elf keer schoolgeld betalen in plaats van inkomsten krijgen, dat is niet niks. Maar we zijn nooit arm geweest hoor, ik ben helemaal niks tekort gekomen.

Dansen in Griendtsveen

Toen ik twintig jaar oud was ontmoette ik Cor, de man met wie ik later trouwde, op een dansavond in Griendtsveen. Ik vond het fijn om me onder leeftijdsgenoten te begeven en om te kijken naar al die koppels die zich zo sierlijk over de vloer begaven.  Ik heb zelf een aantal danslessen gevolgd maar ik kwam er al snel achter dat ik het dansen aan anderen moest overlaten.  Op mijn twintigste kregen Cor en ik verkering en op mijn eenentwintigste trouwden we. Hij was namelijk acht jaar ouder waardoor we al snel besloten om samen te gaan wonen. In Sevenum kwam er een kamer vrij bij de tante van Cor en zo kwam ik in Limburg terecht. In die tijd ging dat allemaal heel erg snel. Op dinsdag trouwden we en de maandag erna kon ik al aan de slag bij de tuinder. Op mijn drieëntwintigste werd ik voor het eerst zwanger van John waarna Marcel, Jannie, Corina en Stanley volgden. Het moederschap heb ik altijd heel erg fijn gevonden, zorgen voor anderen is iets wat echt in me zit. Toen de kinderen nog klein waren werkte ik bij de tuinder maar was ik in de middagen altijd thuis om het huishouden te doen en het eten te koken.

Financieel gezien hebben we het altijd goed gehad. We hadden altijd genoeg en gezond eten en aan kleding hadden we ook geen gebrek. Tuurlijk moesten we op het geld letten, maar dat vond ik vanzelfsprekend. Ik hoef nog steeds geen kast vol met kleding te hebben of op een terrasje te gaan zitten. Toen ik op mijn 63e  pensioneerde gingen Cor en ik veel fietsen en dan namen we gewoon zelf een thermoskan met koffie en een stuk fruit mee. Dan gingen we heerlijk de natuur in en gingen we gewoon picknicken. Af en toe maakten we dan een uitzondering en bestelden we een lekkere pot bier op het terras. Maar als we dan gingen fietsen dan draaide het ook echt om het fietsen en meer hadden we gewoon niet nodig. Als ik naar de jeugd kijk dan zie ik dat zij nu veel mogelijkheden en afleidingen hebben. Vroeger werden keuzes voor ons gemaakt en daar moesten we het beste van maken. Deze ontwikkelingen kunnen in je voordeel maar zeker ook in  je nadeel werken. Als iedereen iets meer tevreden zou zijn met wat ze al hebben, dan zou dat veel mensen helpen. 

Vijftig kilometer per dag

Toen Cor acht jaar geleden overleed miste ik ook echt een maatje om samen leuke dingen mee te doen. Samen fietsen, samen op vakantie of gewoon gezellig op de bank zitten. Het is dan toch ineens heel leeg in huis. Die periode was heel erg verdrietig, maar op een gegeven moment moet je je erover heen zetten. Je moet je dagen weer in je eentje om zien te krijgen, maar dat lukt steeds beter. Ik sta altijd rond kwart over zes op en ga dan het liefst in de ochtend én in middag fietsen. Dan fiets ik naar Deurne om bij familie langs te gaan of ga ik op bezoek bij mijn kinderen. Ja, ik blijf wel bezig. Gemiddeld fiets ik wel vijftig kilometer per dag. Ik heb wel eens tachtig kilometer gefietst op een dag maar dat vind ik nu toch echt te ver.

Het fietsen biedt me rust. Of ik dat nodig heb? Ja, soms wel hoor, er gebeurt zoveel en dan ben ik het liefst de hele dag in de natuur. Het wordt nu allemaal weer iets groener en dat vind ik zo prachtig om te zien, dan laad ik helemaal op. Naast dat ik veel op de fiets zit, ga ik ook wekelijks gymmen, zwemmen en doe ik twee maal vrijwilligerswerk in een bejaardentehuis. Mijn wens voor de toekomst is dus ook dat ik dit kan blijven doorzetten. Ik heb geen grootse plannen meer maar weekendjes weg met de familie vind ik toch nog altijd heel erg leuk. Het liefst zou ik gezond dood gaan, gewoon zo ineens. Aan mij is geen grootse begrafenis besteed, het liefst zo sober mogelijk. Zo zie ik mezelf ook, als heel nuchter, dankbaar en vooral tevreden.”

Reageer op dit artikel