‘Val nooit met je schoenen aan in slaap’

Een dak boven je hoofd en eten op je bord, voor velen is dit de normaalste zaak van de wereld. Toch belanden er sinds de recessie jaarlijks zo’n 10.000 mensen op straat, een aantal dat nog altijd stijgt. Voor sommigen is de realiteit dus anders, zij slijten hun dagen in lege panden, parkbankjes of het trottoir. Hoe doe je dat eigenlijk, overleven op straat?

Het is een zonnige dinsdagmiddag in mei. De vogels fluiten en de zon schijnt; een prachtige dag om buiten te zijn. Toch zitten er zo’n veertig mensen op de Visserstraat in Eindhoven binnen. In een met rook gevulde, broeierige kantine van het Leger Des Heils doen zij zich tegoed aan een gratis maaltijd. In tegenstelling tot veel mensen die genieten van dit mooie weer, behagen de daklozen zich met koffie en lotgenotencontact. Volgepakte boodschappentassen van diverse supermarkten staan als bagage naast de tafels. Tevreden strekken de clochards zich uit op de plastic stoelen, een ongekend comfort als je alleen stoeprandjes gewend bent.

Bij binnenkomst haal ik de begeleiders er meteen uit; het zijn de mensen zonder baard en sigaret die me onderzoekend aankijken. Met mijn skinny jeans en polo-shirtje val ik namelijk nogal buiten de dresscode van dit middag-soireetje. Al snel komt er een grote kale man naar me toe, ‘kan ik je helpen?’ vraagt hij. Ik geef aan aan -in tegenstelling tot de andere aanwezigen- geen honger te hebben. Ik wil alleen maar met een paar daklozen praten, ‘dat kan, kies maar’ zegt de begeleider, met zijn hand wuivend alsof hij een complete collectie weergeeft. Terwijl ik de zaal rondkijk zie ik figuren die niet erg lief ogen; verweerde gezichten die worden ontsierd door littekens, troebele ogen omvangen door tattoeages van tranen en baarden waarin menig zwaluw zou kunnen nestelen. Toch is er ruimte voor nuance en lopen er gelukkig ook andere vrolijkere figuren rond: een man met hoge hoed en paarse mantel schrijdt vrolijk door de ruimte en een kleine vrouw zonder haar voert een enthousiast gesprek met zichzelf.

Netwerken
De sfeer in de kantine is gezellig. De groep aanwezigen verwelkomd elke binnenkomer met opgestoken handen of luide begroetingen. Een vrouw van een jaar of vijftig rookt rustig een sigaret terwijl ze het zittende publiek gade slaat. Haar naam is Sonja Koopman (52), ex-dakloze en vrijwilligster bij het Leger Des Heils. ‘Iedere nieuwkomer wordt hier verwelkomt als familielid, maar pas op, denk niet dat het er altijd zo aan toe gaat. Op straat bestaat er veel afgunst. Al die littekens die deze mensen met zich meedragen komen ergens vandaan.’ Sonja heeft gelijk, ondanks de amicale sfeer in de kantine zien de gezichtsuitdrukkingen van de straatbewoners er behoedzaam uit. Niemand laat een tas of kledingstuk achter en verplaatst zich zodoende met volledige bepakking. ‘Hier geldt het recht van de sterkste’ vertelt ze, ‘als je op straat te zachtaardig en lief bent, lopen ze over je heen. Overleven doe je door te netwerken, als je je lotgenoten kent is kans groter dat je af en toe hulp krijgt.’ De woorden van Sonja worden bekrachtigd wanneer ik een gesprek opvang tussen twee mannen in het midden van de kantine. Gehinderd door een gebrek aan tanden probeert de één de ander te overtuigen tot de schenking van een sigaret. Onverstaanbaar bietst de man een sjekkie, totdat de ander luidkeels ‘Oprotten’ roept, en met zijn vuist op de tafel slaat. Al snel merk ik dat ik de enige ben die opkijkt van deze plotselinge assertiviteit, de mensen om me heen slaan er geen acht op.

Van honger ga je dood
In de keuken van het –niet zo luxe- etablissement staat Björn Smolders (37). Hij bereidt de maaltijden voor de gasten. ‘Prakkie’, zo luidt het gerecht dat vandaag op het menu staat. Zorgvuldig schept chef-kok Smolders de witte puree op de borden, ondertussen vertelt hij over zijn leven als dakloze. ‘Op mijn twintigste kwam ik voor het eerst op straat te staan, door drugsgebruik en ruzie met mijn familie besloot ik in een kraakpand te gaan wonen. In eerste instantie woonde ik anti-kraak maar al snel werden we door de politie verjaagd, vervolgens stond ik dus letterlijk op straat.’ Aan Björn is niet te zien dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; hij draagt een schoon t-shirt, ruikt fris en is geschoren. In tegenstelling tot zijn gasten oogt hij verzorgd. ‘Dat komt omdat ik mijn leven weer aan het opbouwen ben, ik gebruik nauwelijks nog cocaïne en probeer door middel van mijn vrijwilligerswerk aan een echte baan te komen.’ Want echt op straat leven, dat is geen leven volgens hem. Hij deed het zo’n vijftien jaar. Als hij geluk had sliep hij op een oud matras in pakhuizen, als hij pech had op een bankje in het park. ‘Letterlijk buiten slapen is het ergste wat er bestaat. Nadat je een nacht knikkebollend in de buitenlucht slaapt, ben je gebroken. Daarbij komt dat je weinig tot niks te eten hebt en zo depressief bent als wat.’

Hij leerde het harde leven van de straat, inclusief alle trucs en gebruiken om te overleven. ‘Val bijvoorbeeld nooit met je schoenen aan in slaap, door zweet ontbindt de vochtige huid, hetgeen dat overblijft is niet mooi’, herinnert Björn zich melancholisch. Ook in barre tijden van sneeuw en kou leerde hij zich staande te houden op straat. Door middel van wekenlang niet te douchen kweekte hij een permanente vetlaag op zijn huid die hem warm hield. ‘Viezigheid op je lichaam hoeft niet altijd slecht te zijn’, knipoogt hij.

Mindfuck
Ondanks de luidruchtige sfeer in de kantine lijkt er geen spoor van verdovende middelen. Alhoewel de aanwezigheid van bier, wiet of zwaardere middelen niet te zien is, wil dit niet zeggen dat alle aanwezigen nuchter zijn, in tegendeel: Björn verzekert me van het gebruik van heroïne, methadon of cocaïne. ‘Op straat overleven zonder drugs is haast onmogelijk. Op het moment dat je ’s morgens om zes uur wakker wordt op een bankje, wetend dat je die dag helemaal niks te doen hebt, snak je naar een borrel of blowtje.’ Het lijkt een broodnodig redmiddel voor de daklozen, de drugs. Het leven op de straat is dusdanig hard en lijdzaam dat een bestaan zonder verdovende middelen niet lijkt te bestaan volgens Björn. ‘Je moet je lichaam af en toe voor de gek houden om te overleven’, vertelt hij, ‘als je het ontzettend koud hebt en de enige remedie in een fles whisky te vinden is, dan pak je die.’

Die mindfuck is nodig bij velen, zo beaamt ook begeleidster Dominique Verstappen (32). Zij fungeert als hulpverleenster en houdt tegelijkertijd een oogje in het zeil. Het gebruik van drugs behoort hier tot dagelijkse kost volgens haar. ‘Sommigen proberen af te kicken, zijn afgekickt of zitten er nog middenin. Maar de kennismaking met drugs in een leven op straat is onvermijdelijk. ‘Het ontsnappen aan de realiteit staat hierin centraal. Als de enige manier om je problemen te vergeten is door middel van te gebruiken, doe je dat’, stelt Dominique. ‘Tegelijkertijd begeef je je dan in een vicieuze cirkel, de drugs ontnemen je het uitzicht op een baan of woonplek.’

In de kantine is inmiddels iedereen begonnen aan het hoofdgerecht dat zojuist opgediend werd. Rokende sjekkies worden uitgedrukt en maken plaats voor dampende borden. Gulzig schrokken de gasten hun warme hap naar binnen, wetend dat dit de motor weer brandstof geeft voor de komende tijd. Uren waarin iedereen op zichzelf is aangewezen en er (nog) minder luxe is. Niet iedere dag is namelijk zo zonnig als deze.

 

DSC_0085 DSC_0091 DSC_0090DSC_0084

Reageer op dit artikel