Van veertien kinderen naar twee

‘Gaat heen en vermenigvuldigt u’ (Genesis 1:28). Een godswoord uit de bijbel die op het gezin van Riny Pfennings- Logtenberg (80) van toepassing was. Riny was het tiende kind van haar ouders. Later krijg zij nog vier broers en zussen. “We waren een gezin met zestien, veertien kinderen en mijn ouders.” Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat grote gezinnen in Nederland niet meer populair zijn. “Het aantal geboorten bevindt al enige tijd onder het niveau waarop de bevolking zichzelf op den duur kan vervangen.”

In een artikel van het Historisch Nieuwsblad komt een onderzoek van de socioloog Frederik van Heek uit 1954 naar voren. Hij onderzocht destijds het probleem van overbevolking. De schuldigen voor dit probleem bleken volgens Van Heek de rooms-katholieken. “Ik kan me nog goed herinneren dat onze pastor bij ons op huisbezoek kwam. Hij kwam niet voor ons maar om mijn ouders te vragen wanneer hij het volgende kind kon verwachten”, legt Pfennings uit.

“Ik weet niet of mijn ouders zoveel kinderen hadden gekregen als er geen druk vanuit de kerk was geweest. Pfennings heeft het niet graag over haar jeugd. “Het was niet makkelijk. We woonden in een zeer strenge rooms-katholieke gemeenschap in het dorpje Heino, Overijssel. Ik had dertien broers en zussen, het onderhouden van een gezin van zestien mensen was voor mijn ouders niet gemakkelijk.”

Volgens het artikel van het Historisch Nieuwsblad was het geen verrassing dat religieuze Nederlanders meer kinderen voortbrachten dan niet-religieuze Nederlanders. “De kerk, van welke ‘kleur’ dan ook, heeft er eeuwenlang een strikte seksuele moraal op na gehouden. Kort gezegd hield die in dat seks buiten het huwelijk taboe en binnen het huwelijk verplicht was”, verklaart Bas Kromhout in zijn artikel.

In het grote gezin van Pfennings was het door het leeftijdsverschil moeilijk om een goede band met elkaar te creëren. “De oudsten wisten niet wat de jongsten bezig hield – en andersom. Het verschil tussen de oudste en de jongste was 17 jaar.” Naar school gaan was voor Riny meer moeten dan mogen. Door de oorlog was de school gesloten en konden de kinderen hun ontwikkeling niet voortzetten. “Ik vond het heel vervelend dat ik niet naar school kon. Doordat we een deel van de stof hebben overgeslagen in de oorlog, kregen we eigenlijk les boven ons niveau. Ik merkte dat ik het daarom moeilijk vond om goed mee te komen.”

Maar hoe komt het dat men steeds minder kinderen krijgt?

In 2017 werd het laagterecord van 1983 verbroken. Er werden dat jaar maar 169 836 kinderen geboren. In 1983 waren dat er net iets meer dan 170.000. Volgens Jan Latten, hoofddemograaf van het CBS en hoogleraar Sociale Demografie aan de Universiteit van Amsterdam, heeft het mogelijk te maken met een nieuwe economie. In een artikel bij nu.nl vertelt hij: “De arbeidsmarkt is aan het veranderen. Mensen krijgen meer flexibele banen. Je weet niet altijd of je over een paar maanden nog een baan en een inkomen hebt.”

Ook geeft Latten als reden een veranderde samenleving. “Kinderen krijgen is een keuze geworden. Stellen bepalen of ze wel of geen kinderen willen, hoeveel en wanneer het moment gunstig is. Vroeger kreeg je kinderen, tenzij je het bewust voorkwam. Nu is de regel dat je geen kinderen krijgt, tenzij je het toelaat.”

Pfennings beaamt dat. “Ik wilde graag kinderen maar niet veel. Je wilt er kunnen zijn voor je kinderen en ik had niet het idee dat mijn ouders er voor ons konden zijn. Ze hadden het veel te druk met werken en al hun kinderen verzorgen.” Daarom is Pfennings ook blij met de ontwikkeling van het krijgen van minder kinderen. “Het is goed dat iedereen zelf bepaalt wanneer het wel of niet tijd is voor kinderen. Vroeger lag er een grote druk op je schouders. ‘Kinderen moeten er snel komen’, zei men dan.”

Het boerenbedrijf in Heino

De vader van Riny was streng voor zijn kinderen. “Er moest gewerkt worden en tijd voor liefde en plezier was er weinig. Mijn moeder probeerde de liefde en plezier toch te geven maar door haar ziekte werd dat vaak onmogelijk gemaakt. Ze stierf op haar 62ste aan de gevolgen van verschillende kwalen.” De ouders van Riny en haar acht broers en vijf zussen hadden een gemengd boerenbedrijf. Naast het houden koeien, verbouwden ze ook rogge en andere gewassen. “Het was hard werken. Niet alleen de jongens maar ook de meisjes moesten meewerken op het bedrijf. Eén van mijn broers had ook een loondienstbedrijf, een soort uitzendbureau voor boerenbedrijven die werklui inhuurden bij mijn broer. Het geld dat hij verdiende ging natuurlijk naar het gezin. We hadden het geld hard nodig.”

Ook het boerenleven is anno 2018 heel anders. Zo kopt RTL Nieuws in 2017: ‘Steeds minder boeren met steeds meer vee: van 7 naar 1600 varkens’. Uit cijfers van het CBS blijkt dat er in 1950 nog 410 duizend boeren waren en in 2016 nog maar 55 duizend. Dat maakt dat bijna zes op de zeven boerenbedrijven is verdwenen. Toch dalen de aantallen varkens, runderen, kippen en teeltoppervlaktes niet. De gemiddelde teeltoppervlakte per bedrijf nam toe van 5,7 hectare in 1950 tot 32,4 hectare in 2016. Daarnaast leven we natuurlijk in de tijd van modernisatie en zijn er niet zoveel handen meer nodig bij een boer.

Religie

Minder dan vijftig procent (49,3%) van de Nederlanders boven de 15 jaar zei in 2017 bij een godsdienstige groepering te behoren. Van de andere helft behoort 23,6% bij de rooms-katholieke gemeenschap. Nog altijd de grootste groep gelovigen van Nederland. “Vroeger was iedereen voor mijn gevoel gelovig. Het was ook de manier om contacten te leggen want er was geen internet. Je hoorde nergens bij als je niet gelovig was”, vertelt Pfennings. Ze gaat nog steeds naar de kerk. “Ik ga wel minder dan toen ik klein was, zondag was toen de dag van God.”

Reageer op dit artikel