Van zaadje naar karbonaadje

 “Ik krijg steeds minder lucht. Ik begin te gillen. Ik krijg nog minder lucht. Mijn hoofd begint te shaken. Het gegil van mijn broers wordt harder”, het zijn de laatste seconden van het leven van varken Sjors. Zijn gehele levensverloop komt in onderstaand verhaal naar voren.

“Hoi, ik ben Sjors en ik ben een varken. Maar niet zomaar één. Ik behoor tot de vleesvarkens en wordt gehouden voor de productie van varkensvlees. Ik ben zeker niet in mijn eentje. Samen met zes miljoen anderen kom ik terecht op jullie bordje met kerstmis, op de barbecue of zelfs in behanglijm. Ik neem jullie mee in mijn leven, van mijn geboorte tot aan mijn dood, een periode van zes maanden. Ja, zes maanden je hoort het goed.” Varkens die niet gehouden worden voor de slacht, kunnen tot 12 á 13 jaar oud worden. 

“Joehoeee het voelt alsof ik van een glijbaan af ga. Pof, oei dat was geen zachte landing. Maar wow er is licht. Wat duurde het lang daar in dat donkere hol joh. Ik zat opgesloten met maar liefst zeventien anderen. Huh? Nu zijn er nog maar vijftien over. Hoe kan dat? Waar is de rest? Zijn ze achtergebleven? Ach ja ik heb dorst. Wat doet dat irritante laagje trouwens over me heen? En dit rare smerige sliertje wil ik ook weg hebben. Kom mam, bijt het eens van me af!”

De geboorte van een big bij Van der Linden

Sjors is geboren. Dat is hoogstwaarschijnlijk gebeurd op een vermeerderingsbedrijf. Gemiddeld krijgt een zeug ongeveer dertien levende biggen. Maar dat verschilt nogal. “Sommigen krijgen er achttien of twintig en die zijn allemaal levend. Dan denk je hoe kan het?”, vraagt Rianne van der Linden zich af. Zij is mede-eigenaar van een vermeerderingsbedrijf in Liempde. Daar verblijven biggen tien weken totdat ze op het streefgewicht van 25 kg zijn. Als dat zo is worden ze doorgezet naar een vleesvarkenshouderij waar ze verder groeien.

Rianne en haar man Renée zitten aan de eettafel. Ze werken wat boterhammen met hagelslag weg. Het echtpaar produceert 6500 biggen per jaar. De stal die ze hebben biedt plaats voor 750 biggen. Die worden allemaal gebaard door de zeugen. Zij bevallen natuurlijk gezien ongeveer drie keer per jaar. Hun draagtijd is namelijk 115 dagen. Maar op de fokboerderij van Van der Linden worden de zeugen handmatig geïnsemineerd zodat ze vaker bevallen. 

Aan tafel
De honger van de Rianne en Renée is gestild. Ze verlaten de eettafel en maken zich gereed voor het bezoek aan de biggen en zeugen. De twee trekken laarzen en een overall aan. Als eerste gaan ze de ruimte van de bevallen zeugen binnen. Er liggen acht joekels van varkens rusteloos in de ruimte. Eén per hok, met om zich heen een stalen constructie. De zeugen liggen allemaal op hun zij. Zo kunnen de pas geboren biggetjes melk drinken uit de spenen van de zeug. Het is een fascinerend aanzicht. Een stuk of twaalf biggetjes lurken aan de spenen van de moeder die er heel ontspannen bij ligt. “De hele familie aan tafel”, grapt Van Der Linden.


Survival of the fittest
“Hé, laat me er eens door. Ik wil er ook bij. Nou, het was een hele opgave, maar ik heb mijn plekje veroverd. Ik zit op de eerste rij, derde speen van links. De beste plekken kon ik niet krijgen. Er waren er een paar net een kopje groter dan ik. Maar ik heb te drinken dat is het belangrijkste. Mijn zusje Anne heeft geen speen weten te bemachtigen. Ik heb met haar te doen, maar mijn plek ga ik echt niet afgeven.”

Anne gaat dood. Dat is een zekerheid. Zo vertelt Van der Linden. De kleinste biggen verliezen het wat betreft de goede spenen. Ze zullen daardoor snel overlijden omdat ze te weinig melk binnen krijgen. De zwakste valt af. Survival of the fittest.

“Kijk nu eens naar mijn zus, kan iemand haar helpen? Ik zie het lijdzaam toe en weet niet wat ik er mee aan moet.” Ondertussen blijft Sjors wel aan de speen zuigen, want hij is een van de sterkere biggen. “Ik sta hier op een rij met mijn zeven broers en zes zussen. We zeggen geen woord tegen elkaar. Allemaal doen we hetzelfde. Lurken aan de spenen van onze moeder. Ik snap trouwens nog steeds niet waarom ze tussen die grijze buizen ligt.”

In het hok van Sjors ligt een biggetje te veel. Een zeug heeft namelijk veertien spenen, en ieder biggetje kan uit één speen drinken. “Dus als een zeug er veertien grootbrengt, is ze een goede moeder”, zegt Van der Linden. Als er te veel biggen worden geboren zoekt het echtpaar naar alternatieven. Zo zetten ze soms alle overschotten aan biggen bij een andere zeug die er te weinig heeft of geven ze kunstmelk in een kom. “Daar vliegen ze echt als gekken op af.”

Bij Sjors gebeurt het eerste. Ze halen zijn broertje weg en plaatsen hem in een ander hok. “Er komt een arm op ons af. De arm zeilt net over mijn hoofd heen. Waarom nemen ze Sten nu mee? Van al mijn broers en zussen mag ik hem gelukkig wel het minste. Dus ik lig er niet echt wakker van.”

Een natje en een droogje

“Hé, mama waarom ga je nu op je buik liggen? Kom eens terug op je zij. Ik was nog niet klaar met je speen.” Volgens Rianne doet een zeug dat om even pauze te pakken. “Het betekent dat ze niet genoeg melk heeft. Als haar uiers weer vol schieten, dan verhuist ze naar de zij.”

“Elke overgang tussen voedsel is stress, en bij stress groeien ze niet”

Pas geboren biggetjes krijgen niet alleen te drinken maar ook te eten. In de eerste week staat melkpoeder op het menu. Hierna krijgen de biggen meel. En vervolgens is nummer drie kreel aan de beurt, een kruising tussen meel en kruimels. “Elke overgang tussen voedsel is stress, en bij stress groeien ze niet”, geeft Rianne aan. “Dus wij proberen de overgangen zo klein mogelijk te houden. Daarom voeren we de biggen dus als nummer drie al kruimels. Op die manier leren ze op harde stukjes te bijten en worden de darmen al klaargemaakt voor vast voer.”

“Mijn mama ligt weer op haar zij maar ik ben uitgedronken. Ik ga een dutje doen. Dit is wel een fijn plekje om te liggen. Gezellig knus tegen mijn broers en zussen aan. Welterusteee iedereen! Volgens mij horen ze me niet en zijn ze al aan het slapen, stelletje luilakken.” Varkens zijn nu eenmaal luie dieren, ze rusten wel 19 uur per dag.

Couperen

Maar er gebeurt genoeg in een vermeerderingsbedrijf. Zo worden na een paar dagen de staarten van de biggen gecoupeerd, ook wel eraf gesneden. Dit om staartbijten te voorkomen. Varkens zijn namelijk slimme dieren. Ze vervelen zich in de stallen omdat ze niet meer naar buiten mogen. Die verveling uit zich in elkaar bijten, vooral in de staart. Het couperen is dus eigenlijk het oplossen van een probleem dat je zelf creëert.

“Dan heeft ie eigenlijk geen fatsoenlijk leven meer en kun je hem beter doden”

Rianne staat achter de handeling om de staart van de biggen eraf te halen. “Toen we de staartjes langer lieten, liep het niet goed af. Dat komt omdat de staart het verlengde is van de ruggengraat. Als in de staart gebeten wordt is daarom de kans groot dat een big verlamd raakt in zijn achterste gedeelte. Dan heeft ie eigenlijk geen fatsoenlijk leven meer en kun je hem beter doden.” Ze denkt aan haar eigen hachje. “Een vleesbig levert 50 euro op, terwijl een slachtbig maar 15 tot 20 euro in het laatje brengt.

Hoe gaat dat couperen dan in zijn werking? Het wordt gedaan met een vlijmscherp, heet mes. “Het moet echt oranje heet zijn. Dan moet de onderkant van de staart gepakt worden want anders snij je het bloedvat door en de rest kun je zelf wel bedenken”, aldus Van der Linden. Als alles volgens plan gaat zal de big niet bloeden en is het gat meteen dicht. Hierdoor kunnen er ook geen bacteriën binnendringen. Voor de zekerheid controleren de varkensboeren na het couperen nog enkele keren of er niks ontstoken is.

Paniek

Het couperen gaat gebeuren. Rianne rijdt met een karretje de zeugenstal binnen. Haar dochter Sandra volgt. Het mes wordt heet gemaakt. Rianne pakt vier, vijf biggetjes in een keer aan de poten en zet ze in een groene krat. Als de krat gevuld is, moeten de biggetjes eraan geloven. Een voor een grijpt Sandra de biggen. Ze houdt ze stevig vast en duwt langzaam de staarten tegen het bloedhete mes. De meesten gillen. Een enkeling is stil en kalm. “Als een big in paniek is, is het enigste wat hij kan gillen”, verheft Rianne haar stem om boven het gegil uit te komen. Na drie seconden is het grootste gedeelte van het staartje eraf. Er komt een branderige lucht vrij.

Hierna krijgen de biggen een klem in hun oor en een ijzerprikje. Het ijzerprikje is ervoor om te zorgen dat de biggen vitaler worden. “In de natuur kunnen varkens eikels en zo eten. Dat kan hier niet. Dus compenseren we het met dit ijzerprikje”, legt Van der Linden uit. Moeder en dochter zijn een geoliede machine. Sandra snijdt de staarten eraf en stopt de biggen in de linkse krat. Rianne geeft ze een klem en een prikje, en doet de biggen terug in hun hok. Na een half uur is het werkje klaar.

“Godnondeju dat brandt. Aaahhh, stop daarmee.”

“Jeetje, ik lag net lekker te slapen, wie verstoort mijn rust nu weer? Ik hoor gerammel. Er komt een vrouw binnengereden met iets. Ik heb geen flauw idee wat het is. Ze stopt bij ons hok en grijpt mijn zusjes vast aan hun poten. Ze reikt ook naar mij. Ik word in een krat gezet met nog tien anderen. Ik kan mijn kont niet keren man. Dan pakt een jonger iemand me vast aan het einde van mijn staart en mijn poot. Ze duwt mijn staart ergens tegenaan. Godnondeju dat brandt. Aaahhhh, stop daarmee. Pfff het is voorbij. Ik word weer terug in de krat gezet. Al onze staartjes zijn eraf.”

Verhuizing

Er gaan vervolgens weken voorbij. Sjors slaapt, eet, drinkt, slaapt, drinkt en eet. Dat is zijn patroon. Maar zijn patroon wordt onderbroken. Hij wordt weggenomen van zijn moeder, dat heet spenen. Het is het grootste stressmoment van een big. “Ik wil terug, ik wil terug! Waarom halen ze ons weg bij jou mama?”  

Voor Rianne en Renée is het niet meer dan gekrijs. Volgens hun beiden is het noodzakelijk dat de big na verloop van tijd wordt weggehaald bij de zeug. “Hij moet het dan op eigen kracht doen. Daar wordt een big vitaler van en dat zorgt voor meer biestopname.” De opname van biest gaat door middel van het drinken van melk en het eten van het juiste voer. “Hoe meer biestopname, hoe meer antistoffen, hoe beter de weerstand, hoe minder ziektes”, somt Renée even op.



De gespeende biggen worden door een gang naar de volgende afdeling geleid. Daar liggen logischerwijs geen zeugen en zien de hokken er heel anders uit. “ We hebben een kom voor eten en een kom voor drinken. Er hangt een juten zak waar we in kunnen bijten en aan kunnen trekken, maar ik mis mijn moeder wel.”

De samenstelling van de biggen is ook nieuw. Sjors zit met ongeveer 25 tot 30 gespeende biggen in zijn hok en dat zijn niet alleen zijn broers.“Hallo, jou ken ik nog niet. Hoe heet je? Daniël? Wat een leuke naam. Zullen we samen gaan rennen?”

“Het is net de kleuterklas. Daar zitten ook ettertjes tussen.”

Maar rennen kan Sjors bijna niet. Daar is het hok te klein voor. Volgens de wet hoort een big minimaal 0.4 vierkante meter oppervlakte te hebben. Rianne van der Linden heeft geen idee hoeveel ruimte ze bij haar hebben. Terwijl we langs de hokken heen lopen, merkt ze iets op. “Den dieje daar begint de hele tijd te rijden op andere biggen. Het is net de kleuterklas. Daar zitten ook ettertjes tussen.”

Blinken en billen

Zo’n ettertje is Sjors niet, maar hij laat niet makkelijk over zich heen lopen. Hij is een van de sterkere biggen in zijn hok en gaat een gevecht dan ook niet uit de weg. Hij krijgt het bij de kom met eten aan de stok met een iets zwakkere big. “Ga eens aan de kant.” De big geeft geen krimp. Sjors begint te duwen. “Kom maar op, ik kan jou handig aan.”

Sjors wint ook. Hij houdt er wel enkele krassen aan over. ’s Avonds gaat hij te bed. Het is zijn eerste nacht in het nieuwe hok. De lichten blijven de hele tijd aan. “Dat is omdat biggen moeten wennen aan de vreemde omgeving”, legt Rianne uit. “Daarna gaat het licht elke keer om 23.00 uur uit. Zo krijgen ze een dag-en-nachtritme.”

“Goedemorgen jongens. Shit ik moet heel nodig poepen. Oehh dit lucht enorm op, moest er echt even uit.” Sjors zijn poep belandt op een rooster. Het meeste valt door het rooster heen, maar er blijft ook wat liggen. Zo kunnen de fokkers zien hoe gezond de biggen zijn. Van der Linden: “De mest moet niet te dun zijn, want dan hebben ze diarree.” Ook zijn er andere symptomen zoals een witte huid en veel haar die aantonen dat een varken niet lekker in zijn vel zit. “Een big moet blinken en echte billen hebben”, grijnst de vrouw des huizes. Sjors heeft echte billen. Hij is gezond.

Klimaat

Waar pas geboren biggetjes onder een warmtelamp liggen wordt de temperatuur in de oudere biggenstal geregeld door een automatisch systeem. In elke afdeling hangt een meetventilator met daarin kleppen. Die kunnen open en dicht. Het is net welke afdeling het meeste om verkoeling vraagt. Bij die afdeling gaan de kleppen het verst open. Van der Linden laat me een scherm zien met daarop alle temperaturen. Bij een afdeling staat 97.8 graden. Daar wordt schoongemaakt. Bij de andere afdelingen ligt de temperatuur rond de 25 graden.

Varkens hebben nog regelmatig last van hittestress

Andre Aarnink, onderzoeker voor Wageningen Universiteit, is gespecialiseerd in de veehouderij en het welzijn van dieren. In 2004 kwam hij met een onderzoek op de proppen waaruit bleek dat varkens geregeld last hebben van hittestress. “En dat gebeurt nog regelmatig”, vertelt hij. De hittestress die varkens ervaren is niet alleen ongunstig voor het dier zelf maar ook voor de varkenshouder. “Een varken wil groeien. Hij produceert daarbij veel warmte. Maar dan moet hij die warmte wel afgeven. Als een varken dat niet kan eet hij minder. En groeit daardoor automatisch minder”, aldus Aarnink.

In de vrije natuur zoeken varkens verkoeling door in een modderpoel te liggen. Maar die zijn er in de stallen niet te vinden. Dus zoeken de varkens de koelste plekjes in het hok. Dat is in de meeste gevallen het rooster. Aarnink vindt dit onvoldoende. Volgens hem moet er in de varkenshouderij meer aandacht worden besteed aan koelsystemen, zoals verneveling of verdamping.

Fase 2 staat voor de deur

Nadat een big tien weken is verbleven bij de familie Van der Linden, vijf verschillende soorten voer heeft gekregen en in vier verschillende afdelingen heeft gezeten, is hij op het streefgewicht van 25 kg gekomen. Dan gaan ze door naar een vleesvarkenshouderij waar ze verder vetgemest worden. Het bedrijf waar Van der Linden mee samenwerkt zit in Nederweert. De biggen maken de tocht van ruim driekwartier per vrachtwagen.

De mensen komen ons hok in. Wat staat er te gebeuren? Iedereen loopt richting de deur. Ik volg de rest wel gewoon. We staan gezamenlijk op een lift. Ho, hij gaat omhoog. Ik zet me schrap. We worden naar de bovenste laag getakeld. Daar doet een man het hek open. Hij brengt ons naar de achterkant van de laag toe. Daar worden we opgesloten. Heel de truck zit vol. We karren aan. Ik schuif per ongeluk tegen een ander varken aan. Sorry!”

“Ik zit hier nu een half uur. Hoe lang duurt het nog?” Na een tijdje komt Sjors aan op zijn volgende bestemming. Een vleesvarkenshouderij waar hij binnen een paar maanden van het gewicht van 25 kg naar 100 kg wordt gebracht. “De vrachtwagen stopt. Zijn we er dan? Dezelfde man als die ons opgehaald heeft, doet de hokken open. Wij komen als vierde in de rij. Daar gaan we. Hop weer naar beneden via de lift. Wat heeft die man nu voor achterlijk voorwerp in zijn handen?”

Carnaval

Het achterlijke voorwerp wat Sjors ziet wordt een zogenaamde rammelaar genoemd, althans bij vleesvarkenshouderij Vos in Liempde. Ook daar vindt de tweede levensfase van een varken plaats. Zij halen hun biggen uit Limburg. “Een uurtje op schoolreis”, noemt Erica de eigenaresse het. “Dat gebeurt in geconditioneerde waarde. De biggen hebben water, zaagsel en ventilatie in de vrachtwagen”, vertelt ze mij. Om daarna een kanttekening toe te voegen: “De biggen ervaren wel veel stress onderweg.”

Chauffeur Peter levert de biggen bij Vos. Hij heeft een soort van rode peddel in zijn hand, de rammelaar. Peter schudt met de rammelaar als een paar sambaballen om de varkens in beweging te brengen. “Het lijkt wel carnaval”, lacht hij. “Maar het werkt wel goed.” De chauffeur keert om om een nieuwe lading varkens te halen. Erica loopt achter de groep van dertien aan. Anton, haar man, staat iets verderop om de varkens binnen in een hok te begeleiden.

“Anton deze hoort er niet tussen. Die hed een heule dikke poot”, schreeuwt Erica door de gang. Anton merkt het ook op. “Er zit een bult op zijn gewricht. Dat is een ontsteking en die lost niet vanzelf op.” Ondertussen zet hij zijn lippen op elkaar en blaast. Dat doet hij om de varkens vooruit te krijgen, ‘kom op dames’. De dames gaan netjes het toegewezen hok in. Deurtje dicht en op naar de volgende. Anton komt nog even terug op het varken met de dikke poot. “Wij betalen voor goede biggen. Deze moeten ze bij het fokbedrijf behandelen of naar het slachthuis brengen. Dat zou niet onze zorg moeten zijn.” Hij roept dan ook naar Erica: “Geef dit even door aan Peter.”  

De ruimte bij Vos

De afdeling zit vol, dus het echtpaar verplaatst zich naar een ruimte daar tegenover. Erica komt alweer aanzetten met een nieuwe groep varkens. Maar er draaien er een aantal om. “Doe toch eens niet zo moeilijk”, tiert Anton tegen de varkens, niet tegen zijn vrouw. “Schiet eens op.” Vrachtwagenchauffeur Peter is inmiddels bezig met de onderste laag. Er ligt een hoop bruin spul op de grond. “Een mengelmoes van zaagsel en poep”, vertelt hij. “De lagen worden voor vertrek met zaagsel ingestrooid, anders drijft er gewoon pure stront rond. Zo houden we de wagen relatief schoon.” ‘

Acceptabel leven?

Peter is al op leeftijd en doet dit werk dan ook al een hele poos. “Een varken is er om geslacht te worden en het vlees om gegeten te worden. Maar ik ga er natuurlijk wel normaal mee om.” Volgens hem leiden vleesvarkens een acceptabel leven. “Ze leven in goede omstandigheden. Ze krijgen genoeg te eten, de ventilatie is in orde en ze groeien mooi.”

“Als we maar een keer positief belicht worden in de media”

Onderzoeker Aarnink kijkt hier anders tegenaan. “Ik zou niet graag een vleesvarken willen zijn. Ze missen stro, veel ruimte en een modderpoel. De hokken in een stal zijn heel efficiënt ingericht, maar niet ingericht op het welzijn van het varken.” Als alle varkens van de vrachtwagen zijn, wordt er nog een koppie koffie gepakt en na gekeuveld. “Als we maar een keer positief belicht worden in de media”, spreekt Erica.

Van de crèche naar de kleuterschool

De vleesvarkenshouderij in Liempde houdt veel contact met hun biggenleverancier. De fokker haalt de meisjes en jongens uit elkaar als ze gespeend worden. Dan maken ze weer nieuwe vriendjes en vriendinnetjes. “Die groepen proberen we zoveel mogelijk bij elkaar houden. Als je van de crèche naar de kleuterschool gaat hoop je ook dat veel vriendjes met jou meegaan”, vergelijkt Erica het met een mensenleven.” “Hey, ik kom veel bekenden tegen. Daar is mijn broer en beste vriend Abel, en Erik, mijn jongste broertje, had ik al even niet meer gezien maar nu loop ik hem letterlijk en figuurlijk tegen het lijf.”

Het is donderdag 26 september, 13:30 als Erica nog even de hond aan het uitlaten is. Na een paar minuten is ze terug. Ze gaat direct naar het omkleedhok, ook wel ‘de hygiënesluis’ genoemd in vaktermen. Ze staat op een groen rooster en trekt een overall, broek, sokken, een shirt en een paar laarzen aan. En als kers op de taart een haarnetje die iets weg heeft van een badmuts.

Een hoedje schrikken

Na een hele metamorfose te zijn ondergaan is ze klaar om de varkensstallen te betreden. Ze gaat van klein naar groot en begint dan ook bij de jongste biggen. Onderweg naar de eerste stal begint Erica over de negatieve tendens die er om de intensieve veehouderij hangt. “Wij zijn nog maar 0,5% van de bevolking dus een makkelijk slachtoffer. Je kunt ons zo breken.” De toon is gezet.

“Overal zijn muren, ik zit ingesloten”

“Niemand hoort me. Iedereen rent als een dolle door het hok en schreeuwt”

Ze opent de deur van de eerst stal. Er hangt een sterke geur van ammoniak. De varkens verschieten. Ze rennen in het rond en botsen tegen elkaar aan. “Deze zitten er pas 24 uur”, zegt Erica. “Dan schrikken ze wat sneller dan oudere varkens.”

“Dat is geen bekend gezicht. Ik zet het op een rennen, maar ik kan geen kant uit. “Overal zijn muren, ik zit ingesloten. Auw, dat was het hoofd van een ander varken. Ik heb me gestoten. Jongens even time-out. Niemand hoort me, iedereen rent als een dolle door het hok en schreeuwt.”

Knokken

In de eerste stal van Vos zitten 308 varkens, jongens en meisjes gescheiden. “Dat komt doordat ze een andere voerbehoefte hebben. Het is hetzelfde als bij mensen. Op een gegeven moment vreten mannen gewoon meer dan vrouwen, dat is bij varkens ook zo. Doordat ze gescheiden zijn kunnen we beter op maat voeren en is het resultaatgerichter.” De mannelijke varkens in de stal van Vos zijn flink aan het stoeien. Ze zetten hun kop tegen een ander, als een soort van scrum in rugby. Volgens Erica zijn de varkentjes dan aan het spelen en bepalen ze de rangorde. Ook verdedigen ze hun territorium. “Dat is nog erger als ze vanaf de wagen komen. Dan wordt er echt geknokt.”

“Het hekje van de vrachtwagen gaat open. We worden weer in een lelijk kaal gebouw geleid. Ik loop voorop. Follow the leader jongens. Sommige halen me in, uitslovers. Ik zit opnieuw in een hok. Deze is een stuk minder mooi dan de vorige. De kleuren zijn flets. Nu zal ik maar eens laten zien wie hier de baas is. Oké, hem probeer ik te ontwijken die is te groot voor mij. Aha, ik heb iemand in het vizier. Daar ga ik eens tegen aan knallen. Bam! Die zal ie wel voelen. Missie geslaagd.” Sjors is redelijk hoog in de rangorde te komen staan. Hij moet drie varkens voor zich dulden. De rest komt onder hem.

Erica komt aan bij de vrouwen. De varkens hebben kleine krasjes op hun huid. Erica: “Ja, de meisjes zijn ook geen lieverdjes hoor.” De varkens hebben 0.8 vierkante meter aan ruimte, het dubbele van een big. Dat betekent dat er op 8 vierkante meter 10 varkens zitten. Dat geldt voor alle varkens bij Vos, hoe groot ze ook zijn. “Ten opzichte van andere Europese landen is dat het grootste oppervlak” vertelt Erica trots.

Duister

In de stal zitten een aantal kleine raampjes. Die zijn in ieder geval niet zo hard gegroeid als de varkens. En als Erica haar tocht verder zet naar de grotere varkens zijn er helemaal geen ramen meer te vinden. “Daglicht vindt een varken niet leuk. Het is een schemerdier”, verzekert Erica. Andre Aarnink, onderzoeker voor Wageningen Universiteit, bevestigt dit. “Tegen de avond worden ze actief. Overdag zie je ze niet.” Hij geeft daarnaast wel aan dat het beperkte aantal daglicht in de varkensstallen vooral in het belang van de varkenshouder is. “Met veel licht worden de varkens actiever. Activiteit betekent meer voerverbruik. Daarom worden de stallen niet al te licht gemaakt. Om het dierenwelzijn te verbeteren kan dat omhoog.”

“Ik mis daglicht in de ruimte. Het is hier zo duister. Ik heb al niet zo’n goede ogen en dan wordt het me nog moeilijker gemaakt. Soms stoot ik mijn hoofd tegen de muur en dat doet echt zeer. Een beetje meer daglicht zou mij en mijn broers echt goed doen.” De eis qua licht is 8 uur per dag 40 lux, maar dat haalt vleesvarkenshouderij Vos bij lange na niet. De afstand tussen papier en praktijk is groot volgens de eigenaresse. “Ik krijg mijn keukenlampje niet zo hoog al zet ik die op de maximale stand.”

Afreageren

“Ik ben vijf maanden oud en begin me steeds meer en meer te vervelen. Wat een saaie bedoeling is het hier. Ik kan niet door de modder rollen, niet over het gras rennen en niet wroeten naar insecten of regenwormen. Ik word hier beperkt in mijn laten en doen. En zoek daarom de confrontatie op met andere varkens, maar dat is puur om afleiding te zoeken. Ik ben eigenlijk heel vredelievend hoor.”

Het stoeigedrag is ook bij de iets oudere en zwaardere varkens van Vos te zien. Ze happen in elkaars rug en staart, althans wat daar van over is. Dat alles omdat varkens van zichzelf nogal speels zijn. Daarom hangt er een blauwe jerrycan aan een zijden draadje net iets hoger dan de varkens en zitten er plaatjes aan de muur met een ketting en een touw aan de zijkant. Daarin kunnen ze bijten. Het dient als afleidingsmateriaal zodat ze elkaar niet zoveel gaan bijten. Maar het zal nooit voldoen aan het leven van een varken in de natuur. Dat onderstreept André Aarnink: “Het is een vrij arme omgeving waarin de varkens verkeren. Ze kunnen niet heel de dag op onderzoek uit en hebben het daarom al snel bekeken in het hok. Dan gaan ze op onderzoek uit op elkaar. Staartbijten, uitdagen, et cetera.”

Vetmesting

Op een vermeerderingsbedrijf verblijven varkens 18 weken, dan worden ze vervoerd naar de slachterij waar ze afgemaakt worden. Binnen 18 weken gaat een varken van 25 naar 120 kilo. Het tegenovergestelde van een dieet van Sonja Bakker. Hoe dat gedaan wordt? De varkens onbeperkt eten geven.

De familie Vos maakt gebruik van droogvoer. Dat heeft zo zijn voordelen. Het wroetgedrag van de varkens wordt bijvoorbeeld gestimuleerd vanwege de toevoeging van gemalen graan in het voer. Daarnaast bevordert het ook de darmwerking. “Het zijn net vezels in een bruine boterham. Het verteert langzamer maar de rest van het voedsel wordt hierdoor sneller opgenomen”, licht Anton toe. Bij breivoer kunnen alle varkens tegelijk eten en dat gaat dan weer niet bij droogvoer.



Wat krijgen die varkens nu eigenlijk voorgeschoteld? Het is een mengsel van verschillende dingen. Een broodmix, een graanmix en een koekjesmix. Die koekjes kunnen mislukte Marsen, Twixen of Milky Ways zijn, eigenlijk de afdankertjes van een Celebration-doos. “Dat zijn goeie energiebronnen voor onze varkens”, aldus Erica.

“Ze hebben veel tijd om andere dingen te doen zoals het bijten van andere varkens”

Maar er kleven nadelen aan deze manier van voeding geven, zo benadrukt Aarnink. “In principe is het voedsel wel goed. Maar normaal gesproken zijn varkens vrij lang op zoek naar voedsel. Nu ligt het voor het grijpen en kunnen ze het snel opeten. Hierdoor hebben ze veel tijd om andere dingen te doen zoals het bijten van andere varkens.” Ook krijgen veel varkens last van een tekort aan mineralen en dat kon eveneens leiden tot bijtgedrag.

Dringen geblazen

Erica arriveert bij de echte grote jongens. De muren zijn hoger dan bij de vorige hokken zodat de varkens er niet over heen kunnen klimmen. Eentje loopt er kreupel. Hij lijkt last te hebben van zijn rechterachterpootje. De varkens krijgen bij letsel of pijn een pijnstiller met antibiotica toegediend. “Het gevoel is hetzelfde als een prikje bij de huisarts”, maakt Erica opnieuw de vergelijking tussen mens en dier.

“Ik hoor iets vallen. Het is volgens mij het geluid van brokken. Ja, ik weet het zeker. Snel eropaf. Ah shit meer varkens hebben het door. Dit wordt nog leuk.” Zo leuk wordt het niet. Althans het tafereel bij de grote varkens in de stal van Vos is onprettig om te zien. De varkens trekken en duwen heel fel om het eten. Er is maar plek voor drie, dus het is dringen geblazen op de voorste lijn. Het loopt zoals verwacht. De zwaarste varkens staan voor de voederbak. Sjors helaas niet, hij heeft de strijd verloren en moet even wachten op zijn kans.

’s Middags moeten ze in de been komen

“Dan zijn ze gezond”

Erica loopt twee keer een ‘controlerondje’ per dag. ’s Ochtends en aan het eind van de middag. Om te checken of de voermachine heeft gewerkt en om te kijken hoe het gaat met alle varkens. “‘s Middags moeten ze in de been komen, dan zijn ze gezond.” De ondergrond van de hokken bestaat voor 60% uit dichte vloer en 40% is rooster. Dat komt zo uit voor Vos. Ze zitten daarmee boven de minimumeis van 40% dichte vloer. Die is ingesteld zodat varkens niet te veel met hun poten in het rooster komen. Maar de mest moet juist weer verdwijnen door het rooster. “Het is een afweging die je maakt.”

Reset

“Volgens mij zitten we nu ongeveer drie maanden op deze locatie. Ik heb al vier keer van afdeling moeten verhuizen. Steeds maar weer word ik een deurtje verder opgeschoven. Het is gelukkig niet heel ver lopen. Maar waarom kunnen we niet op dezelfde plek blijven. Oh nee, daar zijn de mensen weer. Wat komen ze nu doen? Ze lijken naar iemand op zoek. Ze halen Max uit het hok, hmmm interessant. Dat is de grootste vetzak van ons allemaal. En Henry wordt verwijderd, ook geen dunne jongen. Dit biedt perspectief voor mij. Ik ben nu een van de zwaarste hier, haha.”

Het is het resetten van de rangorde. Erica en Anton halen drie weken voor de slachting de twee zwaarste varkens uit ieder hok vandaan, “omdat die te dik zijn”, verklaart Erica. “Dan moet de setting weer opnieuw bepaald worden.” De vrouwelijke varkenshouder heeft de gewoonte om het leven van een varken te vergelijken met het leven van een mens. “Als jij op kamers gaat is het voor je ouders en je zusje ook wennen.” Maar de levensduur van een mens wordt niet aanzienlijk ingekort omdat zijn vlees heel goed smaakt.

“Ik weeg inmiddels honderd kilo en heb nog elf metgezellen in mijn hok. Gisteren waren het er nog twaalf, maar mijn oudere broer Johnny viel opeens om. Vijf minuten daarvoor speelde ik met hem. We waren een beetje aan het dollen. Hij wilde de juten zak naar beneden trekken. Ik zo: ‘Dat lukt je nooit’. Maar hij deed het toch. We schoten allebei in de lach toen het gebeurde. En nu is hij er niet meer. Hij lag daar pardoes op de grond. Op zijn zij. Met zijn ogen dicht. Dood.” Erica is eerlijk: “Soms gaat er een plotseling dood. Dan hebben ze een hartstilstand. Ja, dat kan bij varkens ook”, maakt ze duidelijk. Volgens haar ligt het dodenpercentage van de varkens bij hun tussen de 1,8 en 2,2%. Landelijk is het gemiddelde 2.5 procent.

Einde in zicht

“Gaap, gaap, ik ben net wakker geworden. Tot mijn verbazing hoor ik de deur open gaan. Wat komen die mensen hier zo vroeg doen? Ze zijn met zijn tweeën. Allebei hebben ze een gek apparaat en een groene plaat in hun handen. Wat staat er te gebeuren?” Sjors is klaar voor de slacht. Hij weegt inmiddels 113 kg en bestaat voor 60% uit vlees. Zijn laatste uren zijn geslagen.

Op maandagochtend om 6 uur worden de varkens van Vos naar de Vion getransporteerd. Ze gaan naar hun ondergang toe. Ze zien voor het eerst in drie en een halve maand weer een beetje daglicht. Maar dat zal ook de allerlaatste keer zijn. Het is pikkedonker bij het huis van Vos. Totdat een enorme vrachtwagen met felle lichten de inrit van de vleesvarkenshouderij op rijdt. Erica en Anton hebben zich al omgekleed.

Zij weten de weg en kennen de routine. Het echtpaar staat klaar om de varkens op te jagen richting de vrachtwagen. Eerst worden de zwaarste van elk hok eruit gehaald. “En dat is ook het zwaarste werk”, zegt Anton met een verontruste blik. Hij neemt de leiding en zoekt de vettere varkens uit. Het stel gaat het eerste hok in, helemaal linksachter in de hoek.

Onrust

 “Pfieww, godzijdank ze zijn ons voorbij gelopen. Gelukkig. Ze staan nu achterin de ruimte. De man gaat voorop. Hij betreedt het hok. Wat zouden ze toch van plan zijn? Het lijkt erop alsof ze naar iemand op zoek zijn. Hooooo wat doet hij nu? Hij duwde zijn apparaat naar beneden. Maar daarna zag ik niks meer. De muur staat er voor. Ik hoorde alleen geschreeuw. Het klinkt heel onrustig.”

“Het klinkt heel onrustig”

Het apparaat is een stroomstootwapen. Erica en Anton hebben er allebei een in de hand om het juiste varken uit het hok te krijgen. Het stroomwapen is eigenlijk officieel niet meer toegestaan, “maar het kan niet zonder”, roept Anton terwijl hij een van de grotere varkens een schok geeft. “Die wetgeving is door iemand achter het bureau bedacht, maar die weet totaal niet hoe het is om het in het echt te doen”, voegt Erica toe.

De varkens sputteren inderdaad tegen. Vanaf het moment dat de twee het hok komen binnengelopen, ontstaat er paniek onder de beesten. Ze blijven zo ver mogelijk weg van de opening, staan daarom hutje mutje met zijn allen tegen de muur aan, proberen voor Anton weg te vluchten, en doen dat af en toe zelfs door over elkaar heen te klimmen waardoor een enkel varken bijna wordt geplet.

Met hand en tand

“Ik probeer hem te ontwijken en begin heel hard te gillen”

“Ik zit vast. Dan voel ik de twee pinnetjes tegen mijn kont aan duwen.”

 “Shit, volgens mij komen ze nu onze kant op. Ze hebben drie hokken gehad en wij zijn de volgende aan de beurt. De man doet het deurtje van ons hok open. Hij komt driftig op ons af stappen. Hij kijkt naar mij. Waarom kijkt hij naar mij? Het apparaat nadert me. Er zitten twee pinnetjes aan. Ik probeer hem te ontwijken en begin heel hard te gillen. Jongens laat me er door ik ben op de vlucht. Maar er is geen doorgang. Ik zit vast. Dan voel ik de twee pinnetjes tegen mijn kont aan duwen. Auwwhhhhhhhhhhhh, godverdomme blijf van me af. Ik krijg nog meer schokken. Het doet pijn. Oké, oké, ik ga al.”

Ook op de afdeling van Vos verzetten de varkens zich af en toe met hand en tand. Een oorverdovend en snerpend geluid galmt door de stal heen als een van de varkens begint te gillen, de rest volgt al snel. Ze rennen door elkaar heen en botsen tegen Anton aan die nog net niet zijn evenwicht verliest. Hij weet zich knap staande te houden tussen de gestreste varkens. Vooraan in de afdeling gaat het een stuk makkelijker. Het stroomstootwapen krijgt even pauze. De varkens gaan vanuit zichzelf al naar de opening. “Waren ze allemaal maar zo hendig”, grapt Anton.

Als per afdeling de zwaarste varkens uit de hokken zijn gehaald sjokken ze ongeveer in groepen van twaalf naar de vrachtwagen die buiten naast de stal staat. Door middel van het plaatsen van hekken kunnen de varkens geen kant op en worden ze als een soort van kudde schapen richting de vrachtwagen geleid. Erica is de hond die ze drijft. Aan het eind van de gang slaan de varkens linksaf en komen zo bij de truck uit. Daar staat de chauffeur ze al op te wachten, ook voorzien met een groene plaat en een stroomstootwapen.

Op weg naar de dood

“Ik loop hier op mijn gemakje door een smalle gang. Voor mij zie ik nog drie varkens. We slaan een hoek om. Daar staat nog zo’n rare snuiterd met dat rotapparaat. Ik ben met elf andere varkens. Er gaat een hek achter ons dicht. We kunnen dus alleen nog maar naar voren. De vrouw achter ons roept allemaal onverstaanbare dingen. Soms geeft ze een tik tegen mijn kontje. Het doet me niks. De rare snuiterd prikt een varken langs mij met het apparaatje. We komen op een plateau aan die omring is door een stalen muur. Ik ben de laatste van onze groep en pas er niet op. Het staat al vol. Hé, wie deed dat? Ik kreeg een flinke zet van achter maar sta nu wel op het plateau. Ik heb bijna geen bewegingsruimte.”

“Ik heb bijna geen bewegingsruimte”

“Het staat mooi vol”

Sjors heeft de lift van de vrachtwagen bereikt. Daar worden de varkens als het ware op gepropt. Erica duwt de deurtjes van de lift net zo lang tegen de laatste varkens totdat ze er allemaal op staan. Het gaat niet altijd vanzelf, “maar geef ze eens ongelijk”, lacht de er nog jong uitziende vrachtwagenchauffeur. In de lift staan nu twaalf varkens op elkaar gedrukt. “Het staat mooi vol”, zegt hij. Vervolgens stijgt de lift met varkens en chauffeur op totdat ze bij een laag aangekomen zijn. Daar worden ze uit gelaaid en opnieuw in een hok gestopt. De vrachtwagen heeft drie lagen, elke laag heeft zeven hokken en in een hok passen maximaal veertien varkens. “Maar dat zijn er vaak twaalf”, corrigeert de chauffeur. “Er gaan dus meestal rond de 210 varkens mee.”

“Je ziet het resultaat van jouw voedconversie en jouw zorg”

“Dat is waarvoor je het doet”

De jonge jongen is opgegroeid met het vervoeren van varkens. “Als klein jochie ging ik al eens ooit mee met ons pap en dat vond ik heel mooi. Het is net wat je leuk vindt, maar ik vind hier alles mooi aan”, glundert de chauffeur. Hij heeft dan ook geen medelijden met de varkens. Hetzelfde geldt voor Erica. Op de vraag of ze dit nu het minst leuke werk vindt antwoordt ze resoluut ‘nee’. “Ik heb hier nooit een hekel aan gehad. Dit is je eindproduct. Je ziet het resultaat van jouw voedconversie en jouw zorg. Dat maakt je wel trots. Dat is waarvoor je het doet.”

Nadat alle zwaarste varkens zijn verhuisd van de hokken van de stal naar de hokken van de vrachtwagen, zijn complete afdelingen aan de beurt. Een veel minder lastige klus, “want nu hoef je er niet eentje uit te pikken, maar kun je ze gewoon allemaal eruit gooien”, geeft Anton aan. Met krachttermen als ‘hoppaa’ en ‘vooruit’ krijgt hij de varkens op gang en in de gang. Degene die niet luisteren krijgen een schokje mee.

Wanneer er geen varken meer bij kan in de vrachtwagen, vertrekken de tweehonderd roze zwaargewichten naar Vion Boxtel. Daar worden per dag 20.000 varkens gedood en verwerkt tot ham, bacon of varkenshaas. De gigantische slachterij, de grootste van Nederland, ligt op een kwartiertje rijden van Vos. Ook Sjors gaat er naar toe. “Zo we zitten weer opgesloten in een hok, zoals gewoonlijk. Alles is dicht hier dus ik kan jammer genoeg niet naar buiten kijken. Volgens mij minderen we vaart. Ja, mijn gevoel klopt. We staan stil.”

De laatste fase

Sjors komt aan bij de Vion. Hij wordt gelost en vervolgens gecheckt door een dierenarts die voor de overheid werkt. Als hij door de levende keuring is gegaan wordt Sjors voor de zoveelste keer in een hok gestopt. “Nou daar zitten we dan, weer tussen vier muren. Wat zou er ons te wachten staan?” Na een tijdje voelt hij nattigheid. “Wat krijgen we nu? Ik voel water op mijn rug vallen. Wat heerlijk verfrissend. Na zes maanden krijg ik eindelijk een douche. Alleen waarom?” Nou Sjors, dat is omdat je straks wordt verdoofd en daarna naar de slachtbank wordt geleid. De douche dient vooral als afleiding. Varkens worden er rustig van.

“We worden door een bewegende plaat in een kooi geschoven”

“We gaan naar een andere ruimte. Ik ben benieuwd wat er daar met ons staat te gebeuren. Er gebeurt tot nu toe nog bijzonder weinig. Ik sta zij aan zij met mijn broers Henry en Abel. Het is krap hier. We worden door een bewegende plaat in een kooi geschoven. Samen met mijn broers en nog een ander varken zakken we naar beneden. Ik vind het niet fijn. De kooi houdt op met zakken. Ik krijg steeds minder lucht. Ik begin te gillen. Mijn broers beginnen te gillen. Ik krijg nog minder lucht. Mijn hoofd begint te shaken. Het gegil van mijn broers en mezelf wordt harder. Ik verlies mijn bewustzijn en mijn controle. Ik word heel duizelig. Wat is dit? Mijn lijf beeft helemaal. Ik hap nog een keer naar adem. Ga ik nu dood?”

Reageer op dit artikel