Verdeeldheid verbindt

‘Voor Joden verboden’. Het bordje vangt meteen mijn blik zodra ik het museum van voormalig kamp Westerbork binnenstap. Die verdeeldheid tekende toen vele levens. Hebben we decennia later slechts die tweespalt onder de radar laten verdwijnen, of heeft zij ondertussen plaatsgemaakt voor uniformiteit?

De ochtendspits nadert zijn einde als ik overstap op station Utrecht, al is het station nog afgeladen vol. Ik betrap mezelf erop dat pas zodra ik in de volgende trein stap, ik me realiseer dat er eigenlijk niks meer te merken is van de aanslag van afgelopen week. Drie dagen nadat Nederland werd opgeschrikt door een beschieting in Utrecht waarbij drie personen om het leven kwamen, lijkt de rust in de stad te zijn wedergekeerd. Militairen of blauwe hesjes zijn in geen velden en wegen te bekennen, en iedereen doet zijn eigen ding. Zou het zo die bewuste maandag ook geweest zijn? Dat mensen nietsvermoedend de deur achter zich dicht trokken om met de tram naar hun werk, school of familie te gaan, en ze geen idee hadden wat hen in die tram te wachten stond. Laat staan dat dat hun laatste minuten onder de levenden zouden zijn. Het was verdeeldheid die hen het leven kostte. Maar nu lijkt alles weer normaal; als je het niet weet, zou je niet verwachten dat zich slechts een paar minuten verderop zo’n drama heeft afgespeeld. 

Terwijl ik op de fiets mijn reis naar kamp Westerbork vervolg, valt me op hoeveel kalmte de regio uitstraalt. Grote uitgestrekte boerenvelden, waarbij de geur van mest absoluut niet onopgemerkt aan me voorbijgaat. Het lijkt alsof ik de enige ben die op dit moment van de dag op straat is. Het heeft iets vredigs hier in de middle of no where, besluit ik als ik merk dat ik al bijna op de plaats van bestemming ben. Het zet me aan het denken dat de route van zeven kilometer die ik zojuist al fietsend heb afgelegd, zo’n 74 jaar geleden door in Nederland wonende Joden bewandeld moest worden. Zouden zij de omgeving ook zo vredig hebben gevonden? Met hun bezittingen liepen ze het doorgangskamp tegenmoet, onwetend welk lot hen daar te wachten stond. 

„Ze noemen Westerbork het kamp van hoop en wanhoop’’, vertelt een van de gidsen me, die met me door het museum wandelt. Ik zie videobeelden van voetballende kinderen, en vaders die aan het werk zijn. De Joden en zigeuners leefden in het kamp als een stad op de heide, in de veronderstelling dat ze veilig waren. Dat was ook de bedoeling; het beeld wekken dat het leven normaal was, waarin ze naar school gingen en werkten. Maar het was slechts een illusie: iedere dinsdag vertrok er een trein met onbekende bestemming waarvan maar een ding vast stond – hun leven was daar niet zeker. De grote verdeeldheid was geen kwestie van ‘of’, de hoofdvraag was meer ‘wanneer’.

En dat is een bekend fenomeen, ook in het Nederland van nu. „Etniciteit is weer erg belangrijk geworden”, zegthoogleraar Hans Boutellier veiligheid en veerkracht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam in een interview met Trouw. „We hebben het er aldoor over, al willen we er graag vanaf om mensen naar afkomst in te delen. Maar dat doen we wel omdat we onze identiteit niet meer willen verstoppen.” Volgens hem zorgt dat voor problemen. „Identiteit wordt namelijk in toenemende mate gevonden in het antwoord op de vraag: wat ben ik niet. Er wordt dus naar een vijand gezocht.”Het gevolg daarvan is volgens de hoogleraar dat we individualistischer zijn geworden en in een soort identiteitscrisis verzeilt zijn geraakt. Politici worstelen met de vraag: wat verbindt ons Nederlanders nog?

En eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik mezelf die vraag ook geregeld stel. En rondlopend in kamp Westerbork krijg ik het idee dat die pijnlijke, bijzondere geschiedenis zorgt voor een bepaalde gemeenschappelijkheid. Naast mij, bij het overgebleven spoor van de Jodentransporttrein, staan twee klassen van een middelbare school. Van jongens met blond haar en blauwe ogen, tot meisjes met een hoofddoek; allen staan ze te luisteren naar de stem die uit de wagon op het spoor komt die de namen van de transportlijst voorleest. Niemand van hun zegt een woord.

Op de terugweg naar huis besluit ik in Utrecht uit te stappen en naar Kanaleneiland te gaan. Ik pak de tram naar het 24 Oktoberplein en sta met nog een man of tien op de plek van de fatale schietpartij. Een bloemenzee symboliseert het eerbetoon aan de slachtoffers. Ik kijk om me heen en besef: verdeeldheid verbindt. 

Reageer op dit artikel