Het vervullende leven van een zuster

Zr. Josephine

Leven in het teken van bezinning, bidden en ontspanning. Veel opgeven, maar ook veel ervoor terugkrijgen. Tegenwoordig is het verlangen naar een religieus leven veel minder. Dat is iets wat in het klooster van zr. Josephine en zr. José in Heerlen duidelijk zichtbaar is.

Haar ideeën over de toekomst werden bevestigd tijdens een schoolreisje naar verzorgingstehuis St. Anna in Heel. Riet Bouwels (76) ziet daar hoe zusters samen zorg dragen voor patiënten en vanaf dat moment weet ze dat zij dat ook wil. “Het idee om in het klooster te gaan, sluimerde al een hele poos in mijn hoofd”, vertelt Riet. “Maar toen wist ik het zeker. Samen, vanuit een religieus standpunt, werken met zwakzinnigen, – tegenwoordig noemt men dat verstandelijk gehandicapten – dat is wat ik wil.” Op 31 augustus 1961 trad Riet Bouwels in bij de Kleine Zusters van de Heilige Joseph in Heerlen. Ze ging een nieuw tijdperk in, met een nieuwe naam: zuster Josephine.

De laatsten

Ook de Belgische zr. José Westhovens, die met de leeftijd van 75 de op een na jongste is in de congregatie, besluit om in te treden bij de Kleine Zusters van de Heilige Joseph. Toen ze veertien was, woonde ze een professie bij, waar zusters voor het eerst gekleed werden in een habijt, en toen nam ze haar besluit. Op achttien jarige leeftijd trad ze in. 2 september 1960: zr. José treed in met een groep van twaalf. Bij zr. Josephine, bijna een jaar later, waren dit er nog maar zes.

Er kwamen steeds minder aanmeldingen. Er zijn zelfs enkele zusters die alleen, zonder groepje, zijn ingetreden. “Dat had ik toch niet gewild”, zegt zr. Josephine. “Dat lijkt me toch zo eenzaam.” Dat is ook de reden waarom de congregatie besloot om vanaf de jaren zeventig niemand meer toe te laten. “Welke jonge meid willen nou tussen een stel ouderen zitten? Dat is toch niet leuk”, vindt zr. José. Ondertussen bestaat de congregatie uit Nederland en België nog maar uit 110 leden, waarvan ze jongste in Heerlen 73 is.

Jeugd

Zr. Josephine is opgegroeid in Heerlen, met vader, moeder, drie broers en een zus. Met zusje Toos trok ze veel op. Net als andere kinderen ging zr. Josephine naar de bewaarschool, de lagere school en tot slot naar het Voortgezet Lager Onderwijs. “Toen ik vijftien was, raakte mijn moeder in verwachting van mijn jongste broertje. In deze periode heb ik haar geholpen.” In haar jonge jaren heeft ze meerdere vriendinnen en vrienden gemaakt. Met jongens was ze wel bevriend, maar in groepsverband, nooit een op een. “Verliefd ben ik nooit echt geweest, maar ik heb wel knullen leuk gevonden.”

Het voelde als haar roeping om voor zwakzinnigen te zorgen in een leven gewijd aan God. Toch heeft ze nog lang in tweestrijd gezeten. “Mijn moeder steunde altijd veel op mij en ik maakte me zorgen om haar reactie”, legt ze uit. “Mam dacht altijd dat ze mij nodig had.” Toch hakte ze de knoop door. “God is voor mij er zijn voor een ander.” Zr. Josephine had gelijk: haar moeder vond het heel erg. “Ze had het idee dat ze haar dochter kwijt was. ‘Ik kan je net zo goed naar het kerkhof brengen, zei ze toen.’” Zr. Josephine weet nog goed dat haar vader en moeder haar naar Huize de Berg brachten (het moederhuis van de Kleine Zusters). “Het leek wel een stoet op weg naar mijn begrafenis.” Haar vader was milder. Die zei dat iedereen z’n eigen weg moet gaan en dat zijn vrouw Riet moest loslaten. Zr. Josephine: “Ik weet nog dat hij tegen mijn moeder zei: als ze was getrouwd met iemand die wilde emigreren, waren we haar ook kwijt geweest.”

Huize de Berg

Zuster Josephine

Pas op 19 maart 1970 legde zr. Josephine de eeuwige geloften af. Hiervoor heeft ze negen jaar proeftijd gehad, waarvan ze de eerste drieënhalf intern zat. “Familie en vrienden mochten mij wel opzoeken, maar ik mocht niet naar hen.” Dat betekende helaas dat de vriendschappen die zr. Josephine had, zijn verwaterd. Tot 1970 heeft ze opleidingen rond een religieus leven gevolgd, als twintiger sloot ze aan bij jonge tieners tijdens de MULO en later heeft ze kantoorwerk moeten doen. In 1970 mocht ze eindelijk doen waarvoor ze gekozen had: ze werd geplaatst in de zwakzinnigenzorg op St. Anna in Heel. De plek waar alles voor zr. Josephine begon. “Tien jaar heb ik daar mogen werken”, blikt zr. Josephine terug. “En dat was waar ik hoorde. Dat was mijn werk.”

Zuster José

In haar kamer binnen Huize de Berg vertelt zr. José haar verhaal. In de kamer staat een ingeklapt bed, een tafeltje waar de spullen op liggen waar ze zelf kaarten mee maakt en er hangen foto’s van familieleden en medezusters. “Toen ik was ingetreden had ik gedacht dat ik zou moeten poetsen, want ik kon niets. Ik had nog nergens voor geleerd.” Van haar veertiende tot haar achttiende heeft ze in een ijsfabriek gewerkt. “Het liefst wilde ik de zorg in en daar waren veel mogelijkheden voor binnen het klooster. Bejaardenzorg en zwakzinnigenzorg bijvoorbeeld.” Uiteindelijk heeft zr. José meerdere taken uitgevoerd binnen de congregatie: ze heeft gepoetst, geholpen in de keuken, ze was chauffeur en tot haar eigen verbazing mocht ze ook in de zorg werken. Drieënhalf jaar heeft ze gewerkt in de gehandicaptenzorg en vijf jaar heeft ze binnen St. Anna in Heel een opleiding hiervoor gevolgd.

“Dat vond ik toch zo fijn”, vertelt ze met twinkelende ogen achter haar bril. “De verzorging van die gehandicapte kinderen. Knuffelen, kussen, wassen. Dan kreeg ik echt van die moedergevoelens.” Toch waren dat geen moedergevoelens waardoor ze zelf kinderen wilde. Op dat moment was het fijn, maar die kinderen waren van hun eigen ouders en zelf wilde ze er geen. Zelfs als ze naar haar zus keek, die vier dochters heeft – en die inmiddels ook zelf weer kinderen hebben – voelde ze geen behoefte aan een gezin. “Ik wist al toen ik een tiener was dat ik geen vriend wilde, want ik wilde het klooster in. Dus dat heb ik ook niet gedaan. Ik had best een vriend kunnen hebben vroeger, maar dan zou ik diegene alleen maar voor de gek hebben gehouden.”

Dagelijks leven

Nadat ze tien jaar in Huize de Berg woonde, is zr. Josephine in 1971 verhuisd naar Roermond. Daar was zij een van de eerste zusters die deelnam aan een experiment: een groep zusters in een huis plaatsen in een woonwijk. Daar kwam ze onder andere samen te wonen met zr. José. “Zo konden we contact maken met mensen buiten het klooster. Met acht zusters woonden we in twee huizen naast elkaar.” In 1994 is ze terugverhuisd naar Heerlen, maar wel weer in een woonhuis. “Dat is eigenlijk wel grappig. We waren toentertijd de eersten, maar nu zijn we samen met twee andere huizen ook weer de laatsten die zelfstandig wonen.”

Terwijl ze in haar woning in Heerlen aan tafel zit, waar ze nog maar met één medezuster samenwoont, denkt zr. Josephine na over haar fijnste herinnering aan haar leven dat ze gewijd heeft aan God. Dat is voor haar het samenwonen in Roermond. “Daar zag ik echt terug waarom ik begon aan dit leven. Samen bidden, samen ontspannen en samen werken om anderen te kunnen helpen.” De dagen die zr. Josephine toen – en nu nog steeds – meemaakte, waren eenvoudig, maar voor haar voldoende. Om half zeven stond iedereen op, baden ze samen, ontbeten ze samen en ging iedereen naar haar werk. ’s Avonds kwam iedereen weer thuis, aten ze samen, baden ze samen en was er stille tijd tot acht uur. “Tijd om na te denken”, zegt zr. Josephine. “Even alleen zijn met je gedachten.” Om acht uur was er tijd voor het journaal en daarna was er tijd voor recreatie: een spelletje of een gesprek. “En om half tien ging iedereen naar haar slaapkamer. Klaar voor een volgende dag.”

Tegenwoordig zien de dagen van zr. Josephine en zr. José er nog net zo uit. Toch voldoen ze niet aan stereotypering van een zuster. Ze dragen geen habijt, maar kleding die zij zelf uitkiezen – ook al heeft zr. Josephine een gruwelijke hekel aan winkelen. Zr. Josephine heeft zelfs sinds kort een smartphone met WhatsApp in gebruik. “Ik ben er nu wel aan gewend. Af en toe verstuur ik een berichtje of telefoneer ik. En natuurlijk foto’s maken!”

Gemis

Geen seconde heeft zr. José spijt gehad van haar keuze om het klooster in te gaan. Haar jeugd was simpel, waarin ze naar school ging, huiswerk maakte en graag wandelde. In tegenstelling tot haar zus ging zr. José niet graag op een vrijdag naar het café. “Ik wilde graag thuis zijn, dat vond ik fijn. Net als nu, nu wil ik graag in het klooster zijn.” Zelfs ondanks dat ze geen eigen gezin heeft gehad, blijft zr. José bij haar standpunt. Ze is content in het klooster, altijd geweest. “Ik ben blij met het leven zoals het gegaan is.”

Bij zr. Josephine speelt ook geen spijt. Wel eens een stukje gemis. Onlangs las ze dat ze had opgeschreven dat ze vroeger als kind wilde trouwen en veel kinderen wilde krijgen. “Natuurlijk is dat een gemis.” Ze denkt goed na, op zoek naar de juiste woorden. “Het gemis van een lieve man, van eigen kinderen. Soms was dat heftig en niet fijn. Maar daar ben ik alleen maar sterker door geworden.” Er waren ook andere momenten waarop dit gevoel naar boven kwam. “Als ik zag dat mijn broertje of zusje weer een kleine kreeg. Dan zag ik de warmte uit een gezin en miste ik een arm om me heen”, vertelt zr. Josephine. Toch is dit gemis nooit zo groot geweest om het klooster uit te stappen. Misschien is zr. Josephine in het klooster gegaan op zoek naar iets. Naar zichzelf misschien, maar dat weet ze niet zeker. Wat ze wel zeker weet, is dat ze het gedaan heeft om samen zorg te dragen voor andere mensen. “Een kaarsje branden voor een nichtje dat examen doet, of bidden om slecht nieuws op het journaal. ‘Lieve heer…’ begin ik dan. Dat klinkt voor anderen waarschijnlijk naïef. Maar het is mijn taak.” Ondanks het niet hebben van een eigen gezin, was en is haar leven voor zr. Josephine vervullend. “Ik heb hier bondgenoten”, vertelt ze. “En dat is de reden waarom ik er nooit spijt van heb gehad.”

Moederhuis

Huize de Berg is ondertussen al jaren te groot. Er zijn te weinig zusters om het oude klooster te vullen. Wat nu? “Het zal denk ik wel verkocht worden”, zegt zr. Josephine terwijl ze haar schouders ophaalt. Niet uit desinteresse, maar omdat ze er niet het fijne van weet. “En dat is ook goed. Wat ik belangrijk vind, is de congregatie een gedeelte van het pand kan huren voor de zusters. Ieder een eigen kamer, een gemeenschappelijke ruimte waar we koffie kunnen drinken, een recreatieruimte en uiteraard onze kapel.” De wezenlijke dingen voor een gemeenschappelijk leven, noemt zr. Josephine het. Zr. José sluit zich hierbij aan. “Ons huis delen vind ik niet erg, maar het niet verkopen en laten verwaarlozen zou ik vreselijk vinden.”

Beide zusters begrijpen dat er al lang geen animo meer is voor een leven zoals zij dat hebben geleefd. “Het is erin geslopen”, legt zr. Josephine uit. “Vroeger ging je bijvoorbeeld op zondag naar de kerk. Dat werd steeds minder binnen gezinnen.” Ze neemt het niemand kwalijk, omdat het leven er nu anders uitziet dan vroeger. “Ik kijk met plezier naar de vrijheid die de jeugd tegenwoordig heeft. Die ze niet alleen krijgen, maar ook nemen. Neem mijn nichtje: die heeft een paar maanden door Azië gereisd in haar eentje.” Ook zr. José heeft er alle begrip voor. Volgens haar gaat alles nou eenmaal achteruit en is dat niet erg. “Ik heb een fijne tijd gehad. En als ik de laatst levende zuster kan zijn van de Kleine Zusters, dan is dat zo.”

Kapel in Huize de Berg

Reageer op dit artikel