Voor Pampus liggen

Een man met een blauw, versleten petje en een gerimpeld gezicht dat erachter verscholen ligt, staat op van zijn plekje achter de chauffeur. Hij kijkt met lichte paniek in zijn ogen om zich heen naar iets waaraan hij zich vast kan houden; de bus is immers nog in beweging. Wanneer de man uitstapt heeft die paniek plaats gemaakt voor vastberadenheid: zonder twijfel slaat de man linksaf.

Door Vonne van der Duijn Schouten

Wim heeft naast een donkerblauw petje een felblauwe jas aan – een kenner zou zeggen dat het vloekt. Met een Amsterdams accent en een wat krakende stem vertelt Wim dat hij een paar weken terug 77 jaar oud is geworden, ‘en nog kerngezond’. Dit ondanks de duidelijk aanwezige bochel op zijn rug en het moeizame loopje waarmee hij vanaf de bus naar Muiden loopt.

Muiden

Muiden is een stad aan het IJmeer – door Wim ook wel het Flevomeer genoemd – naast Amsterdam. Terwijl Wim via een smal bruggetje een sloot oversteekt, vertelt hij dat hij hier al sinds zijn twaalfde komt. Rechts van het bruggetje verandert de sloot in een bredere rivier waaraan wat woonboten liggen. Wijzend hiernaar zegt Wim: ‘Kijk, dit is nou het landelijke en rustige wat we in Amsterdam niet hebben en precies de reden waarom ik hier kom.’ Met landelijk bedoelt de 77-jarige het niet-stadse: een man die rustig aan wat plantjes frunnikt aan de achterkant van zijn woonboot waarvan de deur wagenwijd open staat, een hond die los achter een tennisbal aan sprint en mensen die je een goede dag wensen bij oogcontact. Zelf is hij geboren en getogen in Amsterdam-Noord. ‘Ik had familie in Naarden en als we daar op bezoek gingen, kwamen we altijd door Muiden. Nu ben ik wat ouder en kom ik er vooral om lekker rond te lopen en te kijken.’

Vanaf het busstation is het twintig minuten lopen naar de stad, een andere manier zou met de fiets of auto zijn. Wim waggelt gestaag door, ondanks zijn moeizame vooruitgang. ‘Het openbaar vervoer is niet goed en dat zie je ook terug in het matige toerisme.’

Pampus

Ondanks deze reden is er in de weekenden wel aanloop vanuit omliggende dorpjes en Amsterdammers die de stad kennen. ‘Heel af en toe zie je nog wel eens een verdwaalde Amerikaan’, zegt Peter Huisman. Hij is vrijwilliger op het eiland Pampus, wat een half uurtje met de ferry uit Muiden ligt. ‘Maar het toerisme mag zeker meer.’ Bij aankomst op het eiland ontvangt hij de gasten. ‘Welkom!’, roept hij met open armen. In de eerste paar woorden die onder zijn snor uit klinken, hoor je vrijwel direct het Amsterdamse terug. ‘De gratis rondleidingen beginnen op de halve uren, rechts van mij kun je wat eten en drinken en er draait ook een film over het eiland.’ Pampus was vroeger een zandbank waar later een forteiland van is gemaakt – en ja, hier komt het gezegde voor Pampus liggen vandaan. Het kwam vaak voor dat schepen voor Pampus lagen, oftewel een tijd moesten wachten voordat het vloed werd en ze de toenmalige zandbank konden passeren.

Veel dagjesmensen brengen een bezoekje aan het fort, dat nog voor de eerste wereldoorlog is gebouwd. In de smalle gangen met schietgaten hangt een verfachtige geur. Tijdens de door Peter gegeven rondleiding, fluistert een vrouw van middelbare leeftijd tegen haar man ‘ga jij maar eerst’. Hiermee doelde ze op het donkere, smalle gangetje waar Peter net instapt. De informatie schijnt ze interessant te vinden, maar van alle spinnen op de muur is ze niet echt gediend.

Wim is vandaag niet met de boot naar Pampus geweest, hij is er nog nooit geweest en blijft in Muiden. Maar de goede verhalen over het eilandje reiken ook zijn oren. Hij laat zichzelf zakken op een bankje in de zon naast het water – een weloverwogen keuze, omdat zijn ogen nu gericht zijn op de drijvende driemasters. Wie langs hem zou lopen zou in zichzelf denken dat de gerimpelde man in zijn eigen wereld zit. Toch klinken er nog wat laatste woorden over het onderwerp: ‘Misschien dat ik de volgende keer naar Pampus ga.’

Reageer op dit artikel