Wachten op het laatste slachtoffer

Mijn naam is Hitler’s special delivery en ik ben van Engelse afkomst. Vier meter diep lig ik in de Nederlandse zand-en kleigrond. Mijn ooit gestroomlijnde, groen geverfde buitenkant,  begint  sporen van verval te vertonen. Ruim 70 jaar is mijn lichaam geteisterd door roest en grondwater. Rondom mij is het donker. Ik had menig soldaat, burger of arbeider kunnen doden. Als ik hier niet had gelegen…

Goed, eerst iets over mijzelf. Ik ben in de jaren dat ik hier lig behoorlijk afgeslankt, terwijl ik eerst niet bepaald dik was. Welgevormd misschien, zoals dat heet. Ik woog oorspronkelijk zo’n 500 Britse pond. Omgerekend is dat ongeveer 200 kilo. Mijn echte naam, of serienummer eigenlijk, is AN-M43255, maar mijn vervoerders gaven mij de bijnaam: Hitler’s special delivery. Zoals gebruikelijk was de naam met wit krijt op mijn buitenkant geschreven. Als een boodschap aan de ontvanger.
Mijn afkomst is misschien wat lastig te herleiden, aangezien ik uit verschillende onderdelen besta. Allereerst de stalen buitenkant, gevormd in de hoogovens van Manchester. Vervolgens ben ik gevuld, tot de nok toe, met springlading. Er zijn echter ook exemplaren die met gas, fosfor of stukjes metaal gevuld werden. De oorlog die ik diende, was vooral een ruwe mannenwereld. Desondanks zijn mijn onderdelen door wel honderden tere vrouwenhanden bijeengebracht en in elkaar gezet, gelast of geschroefd.
Vanuit de fabrieken werden mijn soortgenoten en ik met lange treinen naar de vliegvelden van de RAF (Royal Air Force) vervoerd. Hier was de opslag en wachtten we op onze vlucht. Het werd een enkeltje, daarvan was ik me bewust. Ik bevond me in Kent, vliegbasis Penhurst om precies te zijn. De vliegtuigen die ons zouden vervoeren stonden daar opgesteld. Lancaster bommenwerpers, maar ook Amerikaanse toestellen, zoals de geduchte Boeing B-17 flying fortress. Het was rond februari in 1944, dat kan ik me nog herinneren.

Geen retour
De vlucht zou een enkeltje worden, met bestemming de Duitse stad Gotha. Zoals gewoonlijk werden we rond middernacht in het laadruim van de bommenwerpers geladen. ’s Nachts vliegen had veel voordelen, de nachtelijke sterrenhemel met minimale bewolking werkte als de perfecte dekmantel. Nauwelijks zichtbaar voor het blote oog en ver boven het krijgsgeweld,  dat ondertussen vooral aan de grenzen van Duitsland woedde. Ons doel was dan ook om de oorlog te verkorten. Strategische doelwitten zoals vliegvelden, fabrieken en later ook belangrijke steden,werden aan het einde van de oorlog veelvuldig gebombardeerd.
De Luftwaffe domineerde in de vroege oorlogsjaren het Europese luchtruim, maar zou na de verloren Slag om Engeland in 1941 nooit zijn oorspronkelijke kracht terugkrijgen. De geallieerde landingen in Normandië, juni 1944, zorgden voor een groot keerpunt, zowel op land als in de lucht. Duitse vliegvelden in Frankrijk, België en Nederland werden opgerold of nu voor geallieerde vliegtuigen gebruikt. De bommenwerpers konden ’s nachts dus bijna ongehinderd de Duitse doelen bereiken. Pas als ze in de buurt van Duitse steden kwamen, lonkte het gevaar van zoeklichten, luchtafweergeschut en soms een Messcherschmidt, Fokke Wulf of Stuka.

Een vlucht zonder retour lijkt misschien beangstigend. Maar ik was blij dat een bom als ik de hangars, depots en brandstofopslagen van Gotha mocht verpulveren.
Enfin, we stegen dus op van Penhurst. Het was rond februari en de lucht was vrij helder. Een dergelijke vlucht verloopt meestal eerst rustig maar wordt heviger naarmate we boven Duits grondgebied vliegen. Echt comfortabel ligt het niet in zo’n vliegtuig trouwens. Neem een soort lange buis met aan weerszijden twee grote rekken in gedachten. De rekken zijn boven de bomluiken gemonteerd, de piloot haalde een hendel over waarna de luiken zich openden. Daarmee viel de stut weg en rolden we een voor een naar buiten. Er was in het vliegtuig genoeg ruimte voor een persoon om te draaien en te lopen. De bemanning die de boordkanonnen en mitrailleurs bemanden zaten ruggelings tegen elkaar. Gemiddeld bestond de bemanning van een vliegtuig uit 8 personen, dit verschilde echter per grootte en model van het vliegtuig.

In vrije val

Na iets meer dan een uur gevlogen te hebben, brak ons moment suprême aan. Althans, dat dachten we. Want het weer was omgeslagen en de radio stoorde ontzettend. De vliegtuigen vlogen zoals gewoonlijk in een aangesloten formatie, maar werden compleet verrast door aanvallen van Duitse vliegtuigen die, hoewel de Luftwaffe verzwakt was, nog steeds op bommenwerpers joegen. Door deze en eerder genoemde factoren begon de formatie uiteen te vallen. Het moet ergens boven West-Nederland gebeurd zijn. Sommige piloten draaiden hun toestellen en vlogen terug naar Engeland. Een aantal vliegtuigen, waaronder het vliegtuig waar ik in lag, besloot de vlucht naar Gotha af te breken en een ander doel te zoeken. De piloten haalden de hendels over, de luiken openden zich, we begonnen te rollen. Eerst langzaam toen steeds sneller. Totdat ik me vrij in de lucht bevond en minutenlang in een pijlsnelle vaart op de stad onder ons afvloog.

Maar de navigators maakten een kapitale fout door te denken dat zij boven de Duitse stad Kleef vlogen, terwijl zij zich in werkelijkheid nog boven Nijmegen bevonden. De bommen boorden zich in de daken van historische panden, twee kerken en een treinstation. Ik vloog richting de stad. Althans dat dacht ik, want door de toegenomen bewolking kon de piloot niet het centrum van de stad nauwkeurig bepalen. Ik kwam met een zachte plof neer in een omgeploegd weiland, vlakbij het spoor tussen Arnhem en Nijmegen. Maar er gebeurde niets, ik viel verticaal naar beneden en zonk met mijn neus in de klei. Het is gebeurd, dacht ik. Mijn verhaal zou hier ten einde komen. Wie zou mij uit mijn voortdurende lijden verlossen? Een onachtzame boer? Spelende kinderen misschien?

Na de val
Zeventig jaar lig ik hier dus al. In die tijd heb ik de wereld zien veranderen. Bommen van mijn kaliber stelden al snel niet veel meer voor. De grote bommenwerpers werden omgewisseld voor straaljagers en de brisantbommen maakten plaats voor de atoombom of kruisraketten. Zoals zo vaak in mijn leven lag ik hier maar te wachten, totdat iemand mij zou verlossen uit deze eeuwig durende duisternis. Ik ben een van de duizenden stukken munitie die nog in Nederland liggen te wachten op de verlossende explosie. Ik wacht in spanning af, tot de Explosieven Opruimingsdienst (EOD) mij laat ontploffen. Maar tot het zover is, moet ik eerst nog gevonden worden. Wie verlost mij?

Bommenjagers
Hoe worden dit soort bommen eigenlijk gevonden? Alvorens een lid van de EOD op het knopje drukt om de boel te laten ontploffen, gaat er een heel proces aan vooraf. Vaak wordt het opspeuren van bommen aan particuliere bedrijven uitbesteed. Een voorbeeld van een dergelijk bedrijf is het Rotterdamse BeoBOM. Het bedrijf bestaat uit 15 man, onder wie een aantal historici en adviseurs op het gebied van explosieven. Het bedrijf speurt naar conventionele munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Dus geen doe-het-zelfmateriaal of bommen voor terroristische doeleinden.

Het vooronderzoek
“We worden door verschillende partijen benaderd. Vaak zijn het gemeentes die ergens willen bouwen op een plek waarvan zij vermoeden dat er nog munitie in de grond ligt. Bijvoorbeeld in de gebieden rondom Arnhem, Nijmegen of Zeeland”, laat Léon de Martelaere van BeoBOM weten. “Vervolgens gaan wij op vooronderzoek uit. Daarvoor gebruiken we veel archiefmateriaal, zoals ooggetuigenverslagen maar ook officiële rapporten van de RAF of Luftwaffe.” De vluchten werden namelijk nauwkeurig bijgehouden. Waar en wanneer er gevlogen werd, maar ook hoeveel bommen er daadwerkelijk ontploften: “We weten van rapporten dat de bemanning van een vliegtuig het aantal ‘hits’ noteerde. Bommen die niet afgingen werden eveneens genoteerd”, vervolgt De Martelaere zijn verhaal. “We weten ook dat de bommen meestal niet dieper dan vier meter in de grond liggen. Door de lagen aarde werden ze afgeremd toen ze in de grond neerkwamen. Door dit soort vooronderzoek kun je heel gedetailleerd de locatie van een bom bepalen.”

De jacht
Vervolgens gaat BeoBOM met het onderzoek naar de gemeente of aannemers en doen een aanbeveling. Als ze groen licht krijgen, werken zij een risicoanalyse uit en kan het graven beginnen. Dat doet het bedrijf overigens niet zelf. “Het advies geldt ook alleen voor de vierkante meters waarvan wij denken dat er een bom ligt. Niet dat er nog 10 meter aan grond extra afgegraven moet worden.” Daarna gaat men in het veld op onderzoek uit. “Momenteel werken we met grondradars voor een opdrachtgever in Zeeland. Als we op een bom stuiten, dragen we de zaak over aan de andere partijen”, aldus De Martelaere. “Nee, wij sporen de bommen alleen op en geven advies. Het graven wordt uitgevoerd door een andere partij. De explosies laten we over aan de EOD. Jammer hè”, grinnikt hij.

Verkeerd gedropt
De meeste bommen die tegenwoordig worden opgegraven zijn juist geen vijandelijke Duitse bommen. Het zijn met name de geallieerden die er regelmatig naast zaten met hun bombardementen. Volgens de huishistoricus van BeoBOM, Jelmer Rotteveel, gooiden de geallieerden regelmatig hun bommen aan de verkeerde kant van de grens: “De meeste explosieven zijn toch in de buurt van strategische posities neergekomen. Spoorlijnen, bruggen en vliegvelden dus.”

Feiten
Niet alle bombardementen op Nederland waren vergissingen, zoals het verhaal van ‘onze’ bom in de buurt van Nijmegen wel doet vermoeden. Vanaf 1944 werden regelmatig fabrieken en spoorlijnen gebombardeerd om de terugtrekkende Duitsers op te jagen of om onderhoud aan hun materieel onmogelijk te maken. Een goed voorbeeld zijn de bombardementen op Eindhoven. De stad en zijn Phillips fabrieken vervulden tijdens de oorlog een sleutelpositie voor de Duitsers. Toen de geallieerden in september 1944 aan de randen van de stad stonden, stuitten zij dan ook op fel Duits verzet. De RAF zag geen andere mogelijkheid dan de stad nog een keer te bestoken met een bommentapijt. Ook belangrijke steden zoals Den Haag en Rotterdam zijn aan het einde van de oorlog nogmaals gebombardeerd. Dit om de Duitse moraal te breken of hoofdkwartieren te vernietigen. Het kwam hierbij regelmatig voor dat een bom zijn doel mistte of niet afging.

Het slotstuk
De diepgaande sonargolven trillen tegen mijn verweerde stalen omhulsel. Ik voel ze. Boven mij hoor ik door de dikke lagen aarde heen geroezemoes ontstaan. Langzaam zwelt het aan tot een woest gebulder. Kilo’s aan aarde en klei worden boven mij afgegraven met scheppen en een grote graafmachine. Een man in een groen pak buigt zich over mij heen en zet me rechtop. Hij geeft iets door in zijn portofoon. De graafmachine tilt me op en rijdt me naar mijn allerlaatste bestemming: een grote open vlakte in het bos. Ik word gekoppeld aan een ander explosief en vervolgens wordt er weer aarde over me heen gegooid. Ik wacht weer af.
3…2…1… Een druk op de knop. Ik ga de lucht in! Het grote slotstuk. Helaas niet boven een Duitse fabriek maar in de Nederlandse klei. Geen generaals die om mij juichen, maar enkel wat schoolgaande jeugd en een hobbyfotograaf die aan mijn grande finale aandacht schenken. De klap is niet hard, maar gecontroleerd om geluidsoverlast te vermijden. Zo ga ik heen, helaas is mijn doel niet bereikt. Maar het levert vast mooie kiekjes en filmpjes op.

Verhoudingsgewijs
De bommen die vandaag de dag boven de grond komen zijn dus voornamelijk van de geallieerden. “Natuurlijk hebben de Duitsers ook een groot aantal bombardementen op hun naam staan”, vertelt Rotteveel. “Maar de meeste bommen die wij in kaart brengen, komen ook van de geallieerde zijde.” Volgens hem worden er nog door heel het land bommen aangetroffen. “Niet alleen in het westen, maar ook in Limburg, Noord-Brabant en Oost-Nederland.” Voornamelijk de gebieden waar in de late oorlogsjaren het verzet van de Duitsers het hevigst was. Sinds het einde van de oorlog zijn er meer dan 800.000 stuks explosieven en munitie geruimd. BeoBOM staat er niet alleen voor, er zijn meerdere bedrijven in Nederland die met behulp van historische verslagen, rapporten en stafkaarten naar bommen speuren. “Voor de komende jaren ligt er in ieder geval nog genoeg werk op ons te wachten”, grapt De Martelaere.

Reageer op dit artikel