Wil-ie kippensoep?

Mijn oma heet Co Loran (81). Ze is de enige oma die ik nog heb. Haar hele leven speelt zich af in De Lier, een klein plaatsje in het Westland, vlakbij Delft.

“Hallo”, zegt oma bovenaan de trap met een hoge stem. We begroeten elkaar met drie kussen. “Heb je een cyclaam meegenomen? Mooi met dat roze en wit.” De sfeer begint goed. Oma is niet zo’n prater, dus ik hoop dat de cyclaam het ijs heeft gebroken. Aan de telefoon was ze alles behalve enthousiast toen ik vertelde dat ik haar zou komen interviewen. “Ik heb niks te vertellen”, zei ze. Oma is in mijn ogen een apart, nuchter mens. Ik krijg nooit echt hoogte van haar. Als ik haar iets vraag, zegt ze altijd al snel dat ze iets niet weet. Vandaag is het dinsdag, dan gaat ze in de ochtend samen met andere ouderen naar wijkcentrum ‘t Anker om koffie te drinken. Zo heeft ze elke dag iets.

Hoe was het vanochtend in ‘t Anker?
“We speelden Mens-erger-je-niet. Maar veel mensen konnen het niet.”

Kenden ze het spel niet of konden ze het niet spelen?
“Nee, ze konnen het niet. Wij deden dat vroeger wel, met m’n vader erbij.”

Oma’s appartement heeft uitzicht op een woonbuurt. Links is ‘Autobedrijf Loran’, de garage die opa vroeger runde. Helemaal schuinlinks – niet meer te zien vanuit oma’s raam – woont oom Kees (oma’s zoon) met zijn vrouw en twee dochters. Oma heeft samen met haar overleden man Tom drie kinderen gekregen: Anne-Marie (mijn moeder), Conny en Kees. Het raam van oma’s appartement heeft een mooi uitzicht op de Dom, ze kijkt uit op een groot deel van De Lier. Als je goed kijkt, zie je linksachter de Dom een andere kerk, de Roomse kerk. Daar in de buurt, op de Kerklaan, is oma opgegroeid met haar vier broertjes Thijs, Jaap, Jan en Sjaak en haar zusje Ennie.

Oma, hoe was uw jeugd?
“Daar weet ik niks van, gewoon. Gewoon goed.”

U ging naar de Hervormde School, klas een tot en met acht. Wat weet u nog van die tijd?
“Daar weet ik niets meer van.”

Wat heeft u na de Hervormde School gedaan?
“Ik heb op een naaischool gezeten. Mijn moeder wilde dat ik leerde naaien. Ik ben er nooit in gaan werken. Ik heb alleen in huizen schoongemaakt, op een vrijdagochtend bij iemand in De Lier. En ik dee altijd druiven krenten.”

Druiven krenten?
“Ja, toen ik een jaar of achttien was. Als druiven groeien, komen er eenpittertjes uit, hele kleine druifjes die niet groeien. Dat staat niet mooi in de tros druiven en als ze eruit zijn, kunnen andere druiven beter groeien. Dus die moesten eruit. Op die foto ben ik druiven aan het krenten, die foto naast de tv. Dat deed ik rond maart en april.”

Waar deed u dat?
“In de tuin van mijn vader. Daar stonden drie kassen met druiven. Van die grote.”

Hoe groot was die tuin dan?
“De tuin was eigenlijk van mijn vader en zijn broer Jaap, mijn oom. Mijn ouders, ome Jaap en Thijs bouwden een huis op de grond van de tuin en verhuisden daarheen. Arjan, de zoon van mijn zus Ennie, woont nu in het huis op de tuin.  Dat was nog steeds in de Kerklaan maar meer aan het begin van de straat, niet waar ik opgegroeid ben.”

Het getik van de klok naast de balkondeur vult de kamer. Oma neemt een slok van de koffie. De deur van het balkon staat op een kier waardoor we de vogels horen fluiten en de auto’s over de Kijckerweg horen rijden. Af en toe klinkt het getik van oma’s lepeltje tegen de rand van de gekleurde koffiemok.

Stond er nog meer in de tuin?
“Ja, meid. Tomaten, bloemkool en er was een koeienstal met vier koeien. Maar dat is er nu niet meer, daar staan nu huizen. Mijn vader hield de tuin bij en zorgde voor de koeien, mijn moeder was huisvrouw. Ik woonde ook nog een half jaar bij mijn ouders in het nieuwe huis op de tuin voordat ik met Tom trouwde.”

Hoe heeft u opa leren kennen?
“Via de meisjesvereniging. Opa zat op de jongensvereniging. We gingen weleens op vakantie met de vereniging, met de vrachtwagen naar Lunteren. Toen sliepen we op een boerenzolder.”

Heeft u opa daar leren kennen? Ik dacht via uw broer Thijs?
“Nee, niet daar op vakantie. Ja, ik leerde opa ook kennen omdat hij bevriend was met mijn broer Thijs. Hij kwam weleens bij ons thuis. Opa had een oogje op mij, maar ik niet op hem.”

Dus hij heeft flink zijn best moeten doen?
“Ja, dat weet ik nog wel.”

Wanneer trouwde u met opa?
“24 juli 1962, op mijn vijfentwintigste. We gingen in een huis wonen langs de garagie. Opa had garage Loran toen al. Dat daar. Maar het huis is nu gesloopt. Mot je nog een koekie?”

Nee, dank u. Hoe heeft opa u in uw leven gevormd?
“Wat bedoel-ie?”

Heeft opa u op een bepaalde manier veranderd sinds u samen was?
“Nee joh, dat kon-ie niet.”

Samen met opa maakte u ook voor het eerst verre reizen, toch? Hoe was dat?
“Ja, naar Engeland, Spanje, Indonesië en Marokko. We wonnen zulk soort reizen als opa met de zaak veel auto’s had verkocht. Dat gebeurde niet vaak, zo nu en dan. Oh, die reizen vond ik hartstikke leuk. Het rotste was om weg te kommen, maar als je dan eenmaal in de auto zat, dacht ik: hoi, daar gaan we. Het was heel gek, anders dan hier. In Marokko zag je allemaal ezels.”

Stilte.
“Hoe lang is het nou geleden dat opa is overleden?”
Elf jaar, in 2007.

“Ja, door de longemfyseem – opa had een chronische longaandoening. Hij rookte als de ziekte. Ik werd er gek van en ik zei telkens dat hij uit moest scheien met roken maar dat deed hij niet. Als ik dan thuis kwam, merkte ik zo dat hij op de bovenste verdieping in het hok van de ketel had zitten roken. Of boven de openhaard. Hij stopte pas toen hij ziek op bed lag.”

Kwam opa’s ziekte ook niet door het werk in de garage?
“Ja, dat zou ook kenne.”

Hoe was de tijd daarna, toen opa zieker werd?
“Moeilijk, maar we kregen veel hulp.”

Was u weleens eenzaam?
“Nee.”
Stilte.
“Ik moet vanavond repeteren met het koor.”
Con Amore? Moet ik dan naar huis?

“Ja. Maar ik heb geen zin.”
Dan gaat u niet.
“Jawel. De versies zijn in het Engels. Dat ken ik niet.”

Hoe leert u ze dan?
“Iemand schrijft het op in het Nederlands.”

Dus I love you, wordt Aai laf joe?
“Ja.”

Oh. Oefent u nog weleens op het orgel?
“Nee, hij is te oud. Jouw moeder speelde er altijd zo mooi op. Speelt ze nog piano?”

Niet veel. Uw familie was toch ook muzikaal?
“Hm, jammer. Ja, mijn moeder speelde thuis altijd versies. Met Kerst stonden we met de hele familie om het orgel te zingen. We zongen versies als Stille Nacht en Blijf bij mij Heer. Mijn vader speelde trompet, hij zat vaak in de serre te blazen.”

Oma wat is een sterke eigenschap van u?
“Die heb ik niet.”

En een zwakke eigenschap dan?
Geen antwoord.

“Waar is die cyclaam gebleven?”
Daar op het houten tafeltje. Achter u.

Oma neuriet een liedje terwijl ze opstaat en de cyclaam pakt. Ze maakt ruimte in de vensterbank tussen de andere tierelantijntjes; zes plantjes, twee beeldjes, twee lange, smalle blauwe vazen en twee kaarsen. De cyclaam heeft inmiddels een zilverachtige pot gekregen. Het past precies tussen de andere plantjes.

“Ik moest in het begin erg wennen aan dit appartement. Ik vond het hier een beetje vreemd.”

Waarom?
“Weet ik niet.”

Weet u nog iets van de tijd toen u in de war was?
“In de war?”

Ja, u lag in het ziekenhuis toen een jaar of zestig was. Opa was toen nog ziek.
“Was dat niet voor mijn heup?”

Nee, u lag daar op een aparte afdeling. U was in de war.
“Nee hoor, daar heb ik medicijnen voor.”

Ik heb van mijn moeder een heel ander verhaal gehoord. U was opgenomen in het ziekenhuis omdat u in de war was.
“Ja, ik ben wel in de war geweest.”

Wat weet u daar nog van?
“Ik voelde me niet lekker.”

Hoe voelde u zich dan precies?
“Heel onzeker.”

Oma zet haar voeten op het voetenbankje voor haar en heeft haar handen in elkaar gevouwen. Ze kijkt wat dromerig uit het raam. De oude klok op de muur lijkt steeds harder te tikken.

Hoe kwam dat?
“Weet ik niet.”

Had opa’s ziekte er mee te maken?
“Hm. Nee, denk het niet.”

Stilte.
“Tante Riet heeft het ook. Die slikt medicijnen.”

U slikt toch ook medicijnen? Welke?
“Ja, Orap-tabletten. Als ik die niet heb gaat het niet goed. Die waren er een paar jaar geleden weer af gehaald.”

Waarom werden ze eraf gehaald?
“Dat weet ik niet. Dat heeft de dokter niet gezegd.”

Wat gebeurde er daarna?
“Toen ging het weer niet goed.”

Wat gebeurde er dan?
“Ja, dat weet ik dus niet.”

Hoorde u stemmen in uw hoofd? Dat had u toen weleens gezegd aan de telefoon.
“Zei Anne-Marie dat?”

Nee, dat had u ook gezegd door de telefoon, weet u dat niet meer?
Heh?

Dat had u ook gezegd door de telefoon, weet u dat niet meer?
“Nee. Ik weet alleen zeker dat als ik die tabletten niet inneem dat het dan niet goed gaat.”

Wat doet u dan?
“Ik doe dan niks. Het zit gewoon niet goed. Ik ga dan beven ofzo.”

Slaapt u dan nog goed?
“Nee, dat doe ik nooit. Alleen met tabletjes.”

Droomt u veel?
“Ja, altijd.”

Nachtmerries?
“Nee, altijd leuke dromen. Wil-ie nog wat drinken? Een sappie?”

Ja, dat is goed. Wat voor dromen?
“Weet ik niet. Van de week over tante Riet en Piet Zuur. Maar ik weet niet meer wat. Mot je zo kippensoep? Ik moet om tien voor half zeven naar de zang.”

Oma staat op en loopt met vluchtige pasjes richting de keuken. Ondertussen neuriet ze weer een nieuw liedje, of zoals zij het noemt een ‘versie’. Keukenkastjes gaan open. Ik hoor wat deksels van pannen tegen elkaar aan kletteren.

Ik eet geen vlees.
Stilte.
“Oh, dat je er dan nog zo goed uitziet.”
Nog een stilte. Oma zet een koekenpan op het fornuis.
“Ik bak wel een ei.”

Reageer op dit artikel