Zó bouw je je eigen huis

Verlanglijstje:

Klushulp, loodgieters, timmervrouwen, electramensen

Hout (constructiehout, beplating en gevelbekleding)

Zonnepanelen, omvormers, accu’s en alles om elektra aan te leggen

Boiler, filter, pompjes en alles om water op te vangen (etc.)

Torx schroeven, fucking veel Torx schroeven

 

Nee, dit is niet het verlanglijstje van een vriend die met een verbouwing bezig is. Maar zo heel ver zit het er ook weer niet vandaan.

Het is de wensenlijst van drie huizenbouwers, die zich verenigd hebben in het project Going Tiny in Rotterdam. Vanaf zomer 2017 zijn zij bezig met het bouwen van hun eigen huizen. Zoals de naam al zegt: piepkleine huizen. Zelfvoorzienend, ook nog. Waarom ze daarin willen wonen? Omdat je met zo’n huis geen huur of hypotheek hoeft te betalen. Omdat je kunt gaan en staan waar je wil. En natuurlijk omdat het heel erg gaaf is om je eigen huis te bouwen, van tekening tot laatste (torx)schroef.

Ik heb helaas geen torxschoeven in mijn schuurtje liggen (als ik al geweten had wat dat waren), maar ik heb nog wel een hamer en kan mezelf met enige fantasie best verkopen als timmervrouw. Martijn Gorree, een van de bouwers, beantwoordt mijn interviewverzoek met een uitnodiging.

Martijn:

 Ik zou je kluskleren aandoen. En je spierballen meenemen. Shit will get dirty en we gaan dakplaten monteren waarschijnlijk 🙂

De zinssnede dakplaten monteren maakt me een beetje ongerust, maar zo te horen ga ik de fijne kneepjes leren van een ras-optimist.

Ik:

Das goed, een joggingbroek en sweatshirt zullen het tenue zijn 😉 Tot dan!

Nog twee dagen, dan sta ik het dak op een huis te timmeren. Wat kan er mis gaan?

Wat is een tiny house?

Je kunt een tiny house niet echt vergelijken met een camper, hoewel dat het beeld is dat veel mensen ervan hebben. Een camper is gemaakt van staal en heeft kleine raampjes. Een tiny house daarentegen is vrijwel altijd gemaakt van hout en glas. Veel glas. Soms is één zijde geheel doorzichtig. De tiny houses zijn er ook niet op gemaakt om constant verplaatst te worden. Je kunt ze qua uiterlijk en gebruik beter vergelijken met een woonboot. De eigenaar kiest een plekje en blijft daar meestal jaren wonen. Maar de mogelijkheid om te verkassen, die is er wel.

bron: Flickr. 

Het is vrijdag, 1 uur. Martijn haalt me op van station Rotterdam centraal. De 37-jarige Rotterdammer is lang, slank. Besnaard met een subtiel gevoel voor humor. In de metro zigzaggen we tussen de mensen door. Via een groot bedrijventerrein lopen we naar een loods. In een hoek rechts achterin staat zijn huis op wielen. De houten behuizing is zo goed als af, op het dak na. Martijn wil me het interieur laten zien, maar nog voor ik een stap over de drempel zet hoor ik zijn stem van binnen. “Shit.”

Een nat doekje heeft de hele nacht uit een emmer op de blankhouten vloer gelegen. Een grote natte plek kleurt het hout donker. Martijn: “Daar moeten we dus even een grote bouwlamp op zetten.” Hij hupt via een trapje zijn huis uit en rent naar twee van zijn mede-bouwers, of hij een bouwlamp mag lenen. Die heeft niemand voor hem. Dan bedenkt hij zich dat hij zelf nog een minuscuul elektrisch kacheltje heeft. Die zet hij op de vlek te blazen. Probleem één opgelost. We zijn net tien minuten binnen.

Tiny House Academy 

Was Martijn er echt niet uit gekomen, dan had hij Jan-Willem gebeld. Jan-Willem is architect en bouwkundige, en huurt een deel van deze hal. Vorig jaar bouwde hij zijn eigen huis op wielen, en na afloop besloot hij zijn kennis door te geven. Hij richtte de Tiny House Academy op. Sindsdien geeft hij hier dagelijks raad aan (vier) huizenbouwers, inclusief Martijn.

Martijn en ik gaan aan de slag. Hij neemt me mee naar een enorme kast in het midden van de hal. Daar liggen de platen die we op zijn dak willen monteren. Maar iemand heeft zijn balken bovenop onze platen heeft gelegd. Die moeten dus eerst aan de kant. We sjouwen ze voor de camper van de buren. Dan tillen we de dakplaten per twee naar Martijns huis. Ik zucht na de tiende plaat. Klaar! Martijn: “Bijna.” De balken moeten nog terug.

Ik had verwacht dat als ik hier zou komen, dat alles dan klaar zou liggen en ik met een spijkerpistool en een beschermbril het dak op zou kunnen om een halfuurtje de timmervrouw uit te hangen. Zo gaat het dus niet. “Hoe ga je om met tegenslagen?” Vraag ik Martijn terwijl we de balken dragen. Hij lacht. “De eerste drie dagen is dat kut. Dan voel je je kut. En dan moet je het maar accepteren. Anders hou je het niet vol.” Ik: “Dus je weet dat alles kut is en je accepteert het maar gewoon?” Hij: “Jep.”

“Mijn verwachting in het begin was..” hij zoekt even naar de juiste woorden, “…een beetje overmoedig. Ah joh, dacht ik, geen probleem. Doen we effe. En dan heb je er heel veel zin in, en ga je lekker bouwen. En in week een kom je erachter dat je eigenlijk niet heel veel weet. Dat het toch wel iets ingewikkelder is dan je in eerste instantie dacht.” Hij lacht.

De voordelen   

Het is hard werken, dus. Maar het resultaat liegt er niet om. Als Martijn en zijn mede-bouwers straks klaar zijn, hebben ze een verrijdbaar huisje dat ze in theorie overal neer kunnen zetten. In een natuurgebied. Op een open veld nabij de Randstad. In Frankrijk, als ze zin hebben om daar een jaartje te wonen. Huur of een hypotheek hoeven ze niet te betalen. En dat betekent: minder werken en meer vrijheid.

Martijn: “Ik was al op zoek naar een groot project. het leek me wel tof om gewoon mijn eigen huis te bouwen. En iets met mijn handen te doen in plaats van achter de computer te zitten. (Martijn werkt in de ICT, red.) Ik dacht, fack it, we gaan het gewoon doen. Dit is ook leuker dan ergens een kantoortje huren. Ik heb geen aansluitingen nodig. Als ik het op een bepaalde plek zat ben, ga ik naar een andere plek. Dat hebben niet veel mensen, dat ze dat kunnen met hun kantoor.”

Terwijl hij mijn vragen beantwoordt klimt Martijn zijn dak op. Hij meet de afstanden tussen de draagbalken. Dan meet hij de platen op de grond. Het platte dakdeel dat we gaan bedekken is 4,80 meter lang en 1,90 meter breed. De platen zijn 1220 millimeter breed en 2440 millimeter lang. Rekenen maar.

Martijn op zijn dak.

Een eigen huis bouwen blijkt een constante afwisseling te zijn tussen zwaar lichamelijk werk en logisch nadenken. Martijn doet zijn eigen inkopen, bedenkt hoe hij het eruit wil hebben zien en voert zijn plan vervolgens zelf uit. Hij is timmerman, aannemer en architect tegelijkertijd.

“Hee Jent, hoe lang moet het dak overhangen?” Roept hij naar medebouwster Jente. Jente bouwt samen met haar vriendin een woonhuis. “Dat ligt eraan. Heb je…” Ze begint een lang verhaal over tengels en gevels en meer termen waar ik niks van begrijp. Deze keer komen ze er samen uit. Maar is dat niet het geval, dan bellen ze Jan-Willem. Die komt dan aangelopen, knijpt zijn ogen toe en knikt begrijpend. Met een paar zinnen weet hij meestal de oplossing te geven.

Een sprong in het diepe 

Martijn schrijft de maten van het dak op een post-it en drukt mij een potlood in handen. Ik mag de lijn tekenen op de eerste houtplaat. Daar gaat straks de cirkelzaag doorheen. Heel vreemd, maar zodra ik de lijn zet voel ik me trots. Ik heb iets toegevoegd aan zijn huis, ook al is het maar een streep. Er zal altijd een stukje van mijn hulp in zijn woning zitten. (En ook een deuk in zijn voordeur door mijn lompe draagwerk trouwens, maar dat terzijde.)

We willen de op maat gesneden plaat op het dak schroeven, maar dan blijkt dat er tussen de duizenden schroeven op de werktafel niet degene zitten die Martijn nodig heeft. Zijn wensen zijn dan ook nogal specifiek. Hij wil roestvrijstalen, zelfborende, vijf millimeter lange houtschroeven. Type torx, uiteraard. Dus we trekken onze jassen aan. Op naar de Praxis. Gelukkig zit die aan de overkant van het bedrijventerrein.  

Als we voor de kast met schroeven staan, vraag ik: “Hoe weet je zeker dat je op deze manier wil wonen?” Martijn: “Dat weet ik niet. Met zo’n tiny house is het ook een beetje ontdekken of dat eigenlijk wel bij je past. Dat weet je niet als je er nooit zelf in gewoond hebt. Het is namelijk veel meer basic, je moet er wel meer voor doen om in zo’n huis te wonen.” Hij bestudeert nauwkeurig de 25 soorten schroeven in het rek en pakt dan feilloos die van zijn voorkeur.

“Als je een normaal appartement hebt, is alles voor je geregeld. Je hebt gewoon warm water, normale aansluitingen. In een tiny house moet je het allemaal zelf in de gaten houden. Heb ik nog genoeg water? Zijn mijn leidingen niet aan het bevriezen? Heb ik nog wel genoeg stroom? Hoe veel ben ik eigenlijk aan het verbruiken? Kan dat eigenlijk wel? Dat is best wel intensief. Het is een beetje overleven. Ik vind dat leuk, maar ik weet niet of ik het altijd leuk zal vinden.”

 

De bouwplanning op Martijns muur.

Groeiende community 

Toch zijn er steeds meer mensen in Nederland die in een huis op wielen willen wonen. Je kunt nog lang niet overal terecht met een tiny house, maar een groeiend aantal gemeenten doen proeven met braakliggende terreinen of in buitengebieden. Zo zijn er in Den Haag, Nijmegen en Den Bosch al velden waar tiny housebezitters samenwonen.

Enkele van die velden beschikken over een kippenren, een moestuintje en uitzicht op een ondergaande zon tussen de bomen. Het ideaalbeeld van het wonen in een tiny house is er immers niet voor niks. In de zomer is het er goed toeven. De levensstijl die veel vakantiegangers naar de camping trekt – buiten eten, wandelen, wakker worden van fluitende vogels – is voor tiny housebezitters in buitengebieden heel gebruikelijk.

“Word je blij van het bouwen van je eigen huis?” Vraag ik Martijn als we naar een badkuip staan te turen. Hij bestudeert zijn mogelijke aankoop. “Soms wel. Maar ik word er niet alleen maar blij van. Het is net als het echte leven. Soms zit het mee, en soms zit het tegen. Zullen we hem meenemen?” Hij kijkt me vragend aan. We laten hem nog even staan.

 Droom versus realiteit  

Eenmaal terug in de loods gaan we eindelijk het dak op. Klaar voor montage! We nemen de boor mee en de zelfborende torxschroeven. De dakplaat wippen we de stijger op. Martijn duwt de dakplaat op zijn plaats, ik houd hem tegen. Daar gaat de eerste schroef erin. Recht door een dakbalk heen, die –ode aan de torxschoef- niet splijt. Nog een schroef, en nog een. De dakplaat zit stevig op zijn plek.

Tijdens de plechtige bezigheid, je monteert immers niet elke dag iemands dak, kijk ik op mijn mobiel. Ik schrik van de tijd, ik moet gaan. Martijn en ik klimmen van de stijger af. Hij schudt me de hand. “Kom nog een keer langs! Je hulp is welkom.” Biedt hij me aan. Ik bedank hem en ren de loods uit, richting de metro’s. Pas als ik zit merk ik hoe koud mijn vingertopjes zijn. En dat mijn maag knort.

Het was hard werken vandaag. Maar tegelijkertijd voelde het heel ‘echt’. Het lijkt alsof deze mensen iets hebben wat wij niet hebben, schiet door mijn hoofd. Alsof zij een hapje nemen van het leven zoals mensen dat al duizenden jaren leven. Meer in verbinding met de natuur. Hard werken, maar wel met direct resultaat. Warmte hebben omdat je vuur stookt. Water hebben omdat je water verzamelt. Als je kleren vies zijn, moet je ze wassen. Met je blote handen.

Die beelden van het tiny wonen, zitten dankzij Martijn in mijn hoofd. Direct náást de beelden van een zonovergoten huisje in de natuur. En zijn allebei even waar. Het een sluit het ander niet uit, kan zelfs niet zonder elkaar. Wie kiest voor meer buiten leven, kiest voor meer zon én meer kou. Wie tiny woont hoeft minder te werken, maar moet wel zijn huis goed onderhouden.

Het is leven op de meest fundamentele manier. Misschien zelfs wel meer leven dan wij in onze grote huizen doen. Deze gedachte komt de dagen na het interview meerdere malen bij me op. Als ik voor de tv zit met een bakje yoghurt. De thermostaat bedien. Een hele dag mijn huis niet uit kom om een artikel te typen. Een beetje meer overleven, iets meer mens zijn. Zal ik..?

 

Reageer op dit artikel