“Als je valt van een berg weet je ook dat het meestal klaar is”

Op zijn 50ste besloot Wilfried van den Boorn (69) het hogerop te zoeken. Samen met klimpartner Peter Mair ging hij het avontuur aan. Ze beklommen samen vele routes op beroemde bergen. In 2007 was het de beurt aan de Westliche Zinne, een gebergte in de Dolomieten. Het zou hun laatste tocht samen worden.

Geschreven door: Sanne van de Weerd

Augustus 2007. Om 19:45 zetten Wilfried en Peter hun voet op de bijna 3000 meter hoge top. Na een klim van 12 uur hebben ze hun doel behaald. Een groot kruis doorboort het adembenemende uitzicht. Aan het kruis hangt een kastje met een boekje erin, het Gipfelbuch. Hier hebben klimmers de gelegenheid hun naam te noteren en hun ervaring te delen. “Ik ben altijd moe als ik aankom op de top, maar ik sta daar wel met een vreugdevol gevoel.” Ze blijven zo’n 15 minuten boven. Ze drinken wat, eten wat, schrijven wat en genieten van het uitzicht. “Als ik daar dan sta voel ik me heel voldaan. Dan denk ik ‘potverdomme, sta ik toch maar mooi op deze berg, dat had ik 20 jaar geleden echt niet gedacht.”

Wilfried op de top

Wilfried groeide op in Meerssen, een dorpje naast Maastricht. Als kind bezocht hij regelmatig de Limburgse Mergel, een krijtgesteente dat fungeert als bouwmateriaal voor o.a. kerken. “Dat was niet echt om op te klimmen, maar het intrigeerde mij.” Het was zijn middelbare schoolreis naar Zwitserland die de toon zette: “We liepen toen de Schweizerische Zwei Tage Marsch in Bern. Daar heb ik voor het eerst echte bergen gezien en ik was meteen verkocht.”

Tekstvak: Wilfried op de top

De Italiaanse Dolomieten zijn een geliefd bergketen onder klimmers. Er staan talloze, kalkachtige rotsformaties die voor ieder niveau klimmogelijkheden biedt. Eén daarvan is de Westliche Zinne, een 2973 meter hoge berg. De Westliche Zinne is onderdeel van de bekende Drei Zinnen: de drievoudige bergtop nabij Zuid-Tirol. Het klimduo koos voor de Cassin-Rati route: een klassieke route uit de jaren 30, vernoemd naar de twee die de allereerste beklimming van de noordwand van de Westlich Zinne deden. Peter en Wilfried zouden ook de noordwand beklimmen.

“Ik was onzeker bij aanvang. Ik had geen goed evenwichtsgevoel en ik voelde me een beetje wankel. Je moet dan gaan afwegen of je door moet gaan. De eerste touwlengtes zijn relatief simpel, maar als je eenmaal in de zesde touwlengte zit is er geen weg meer terug, dat moet je wel willen. Mijn onzekerheid heb ik kenbaar gemaakt aan Peter. Dat is belangrijk om te doen. Je wil de ander niet opzadelen met vervelende dingen. We hebben toen toch besloten om door te gaan.”

Peter groeide met zijn ouders en broer op in Sexten in de Dolomieten. Ook hij wist al van jongs af aan dat bergen beklimmen zijn droom was. “Ik heb Peter leren kennen toen hij 13 was. Hij had toen ook zo’n touwladdertje om naar zijn kamer te klimmen. Voor Peter was één ding zeker: hij wilde berggids worden.” Als twintiger volgde Peter een IT opleiding om hiermee een vast inkomen te verwerven, na het behalen van het gidsendiploma werkte hij in het weekeinde in het als berggids en skileraar. Daarnaast beklom hij zelf ook met regelmaat verschillende bergen; alleen en met anderen.

Peter in het tweede deel van de lange traverse

“Bergen beklimmen vraagt een bepaalde instelling. Je moet door kunnen bijten, af kunnen zien en niet bij de pakken gaan neerzitten. Dat zit in je, ik denk niet dat je dat kan leren.” Dat zo’n instelling in Wilfried zit, valt niet te ontkennen. Ook binnen zijn beroep moet hij regelmatig doorbijten. “Als kunstschilder leef je met weinig zekerheid; soms heb je veel inkomen, soms komt er niks binnen. De mensen waarmee ik studeerde aan de kunstacademie zijn bijna allemaal werkzaam in een ander vakgebied, ze hadden die zekerheid nodig. Ik heb dat niet zo.” Volgens Wilfried is om kunnen gaan met die onzekerheid tijdens een klim een vereiste. “Je bevindt je toch in een onvoorspelbare situatie waarin je wel goed moet kunnen handelen. Je moet niet in paniek raken als je honderd meter boven de grond bent.”

Ondanks de onzekerheid besloten Wilfried en Peter toch de klim te maken. “Er was een enorme drive. We hadden al vier keer eerder gepoogd deze klim te maken, maar het weer liet het steeds niet toe. Het stond dan ook al jaren op mijn lijstje. En ik vertrouwde het oordeel van Peter.” De klim start met een licht neigend gedeelte. De eerste touwlengtes zijn eenvoudig waarna een zware, overhangende touwlengte volgt.  Hierna volgt de eerste touwlente van de traverse.. “Het is een overhangend deel. Dat kan je ook zien aan de gele kleur. Omdat het over hangt komt er geen regen op, dus er vindt geen verkleuring plaatst. Delen die neigen zijn vaak zwart, omdat de regen de rotsten verkleurd.” Het was volgens Wilfried één van de zwaardere delen van de tocht, maar het ging hem goed af. “Af en toe heb ik wel rust gepakt na een zwaar stuk, maar er waren geen problemen. Het derde deel van de lange traverse is neigend en leid naar het deel dat weer verticaal naar de top gaat.

Wilfried noemt zichzelf geen snelle klimmer, maar vindt dat ook niet erg. “Ik vind het prettig om de tijd nemen, zodat ik nog een beetje rond kan kijken en kan genieten. Op de fiets heb ik dat ook, ik wil niet racen. Gewoon lekker rustig aan, een beetje om me heen kijken. Geen haast. Met klimmen ben je natuurlijk wel afhankelijk van het weer. Als een slechte weersvoorspelling de norm is, tja dan moet je snel zijn om bijvoorbeeld onweer te voorkomen, maar over het algemeen doe ik het lekker rustig aan.”

“Het nadeel van klimmen in de Dolomieten is dat je iedere greep moet testen voor je hem belast. ’s Winters komt er regen en sneeuw, dan bevriezen stukken van de berg en soms vriezen delen kapot. Daarom is het dus belangrijk steeds na te gaan wat er komt en welke route je kiest.” Die onvoorspelbaarheid bij bergen als deze vraagt goed teamwerk. Wilfried en Peter werkten onder andere met tekens om te communiceren. “Als ik drie keer aan het touw trok, wist Peter dat ik mezelf gezekerd had. Dan kon ik wat touw loslaten en hij wat touw innemen. Vervolgens gaf hij twee maal een ruk aan het touw en dan wist ik hij mij vast had gemaakt, zodat ik weer door kon klimmen.”

Hoewel Peter en Wilfried elkaar al jaren kenden, heeft het lang geduurd voordat ze samen gingen klimmen. Wilfried had al lang de ambitie om extreme routes te klimmen, maar was pas 35 voordat hij begon te klimmen. “Ik kende niemand die wilde klimmen en financieel was het ook moeilijk. Het was er gewoon nooit echt een goed moment voor. In ’87 leerde ik via een toenmalige vriendin iemand kennen die klom. Hij had dan weer een Belgische vriend die kliminstructeur was geweest bij de commando’s in Marche les Dames. Zo ben ik er een beetje ingerold. Ik heb daar, in het commandokamp, ook goed leren klimmen.”

“Toen ik eenmaal op niveau was ben ik zelfstandig dingen gaan doen. De Dolomieten hebben mij altijd al aangetrokken. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was daar een bergoorlog gaande. Veel bergen waren voorzien van geschutstellingen en bunkers en dergelijke. Die waren destijds toegankelijk via routes met laddertjes en staalkabels. Dat is allemaal in verval geraakt, maar eind jaren 70 is dat in herstel gezet om toerisme aan te trekken. Het fijne was dat je voor die tochten geen partner nodig had. Ik ben bijna ieder jaar gegaan om in mijn eentje een aantal routes te klimmen. Dat was heerlijk, er was geen haast.”

Wilfried in de traverse

Peter kwam pas echt in Wilfrieds leven toen hij 50 was. “Ik droomde al jaren van de ‘Big Walls’. Toen ik 50 werd dacht ik ‘als ik dit nog wil doen, moet dat nu.’ Wilfried zocht contact met Peter en legde zijn plan voor. De twee kenden elkaar tenslotte goed. “Wanneer je gaat klimmen moet je dat doen met mensen die het niveau van de route aankunnen. Peter had jarenlange ervaring als klimmer en als berggids, kende de routes, dus ik vertrouwde hem volledig Nou gelukkig vertrouwde hij mij ook, dus gingen we samen klimmen. Het zat gewoon goed.”

Eenmaal op de top hadden ze nog een uurtje of 2 voordat het donker zou worden. Normaliter is dat niet zo’n probleem, maar beiden hadden geen hoofdlamp meegenomen. Ook hadden ze geen spullen om te overnachten en slechts een halve liter water per persoon. Lachend: “Je zou kunnen zeggen dat we niet helemaal goed voorbereid waren.” Ze spraken af om voor 21:30 de laatste abseil gedaan te hebben. “In het donker abseilen is goed te doen. Het gaat redelijk vlot en je ogen wennen ook aan het donker. Maar in dat stuk daarvoor hadden we wel echt licht nodig.” Omdat beiden niet zaten te wachten op een overnachting in de wand, waar het ’s nachts kan vriezen, zetten ze door. Het lukte hen om op tijd de laatste abseil achter zich te hebben.

Dat Wilfried onzeker was bij de start van deze klim kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Twee jaar eerder trok hij zijn linkerheup kapot bij een klimtraining: er was een stuk van zijn heupkom afgescheurd en ook het kraakbeen in de kom bleef niet heel. “Daar heb ik best even mee moeten lopen. Mijn eerste orthopeed zei dat het aan mijn spieren lag. Gelukkig nam een tweede orthopeed , jaren later, wel de moeite om beter te kijken. Op de MRI scan bleek dat er het een en ander was afgescheurd.” In 2009 stond het plan om de Cima Scotoni , tevens in de Dolomieten, met Peter te beklimmen. Bij aankomt bleek Wilfried ziek te zijn. Van de beklimming kwam niets terecht; een klein wandelingetje was alles dat er toen in zat. Na onderzoek bleek dat  hij de ziekte van Lyme had. “Ik dacht dat je zo’n kring om een tekenbeet moest hebben, maar dat is maar in 50% van de gevallen zo weet ik nu. Toen ik in te horen kreeg ik dat Lyme had, wisten ze mij ook te vertellen dat ik het al eerder had gehad. Zodoende kon ik de link leggen met de klachten die ik eerder in 2006 had na ook een aantal teken gehad te hebben. En hierin dus ook de onzekerheid die ik voelde in het begin met deze tocht.”

“Ik heb nu al ruim 15 jaar last  van mijn heup. Met lopen had ik last van een stekende pijn aan de binnenkant van mijn been.” Het was zijn vijfde fysiotherapeut die hem van die pijnklachten afhielp. “Een simpele rekoefening bleek de oplossing, dat ik daar toch vijf fysiotherapeuten voor nodig had is me nog altijd een raadsel, maar het werkte. Dat was fijn.” De operatie aan de heup, waarbij het loszittende kraakbeen verwijderd werd, heeft wat uitstel gegeven maar nu is de heup zover versleten dat de vervanging er aan zit te komen. Maart 2021 is de planning.

De Lyme infectie en heupklachten hakten er bij Wilfried in. Hij heeft nog steeds last van klachten. Extremere beklimmingen zaten er voor Wilfried niet meer in, maar Peter bleef actief in de bergen. Zo leidde hij onder andere beginnend klimmers op, deed hij graag solo tochten en was hij nog altijd werkzaam als berggids. Hoewel ze niet meer samen klommen hielden de twee wel contact. “Als ik in de buurt was voor andere activiteiten ging ik bij hem langs en spraken we met elkaar.”

Wilfried was begin september 2016 ook in de omgeving van Sexten en dus ook in de buurt van Peter, maar het lukte hem niet een juist moment te vinden. “Ik had nog zoiets van ‘ah ik moet even langsgaan en gedag zeggen.’ Dat heb ik toen niet meer gedaan.”

Het is vier dagen later als Peter verongelukt tijdens een gidsing. “Hij deed een tocht met één van zijn klanten. Waarschijnlijk is er een losgekomen steen op zijn hoofd gevallen en is hij uit de wand geslagen. Als dat gebeurt ben je kansloos. Een losgekomen tree of greep had hij met zijn ervaring wel gehouden, dus we vermoeden dat dit de oorzaak is geweest. De klant heeft de hulpdiensten gebeld, maar het mocht niet meer baten. “Als je valt van een berg weet je ook dat het meestal klaar is.”

“Ik vind het heel triest dat ik niet meer langs ben gegaan, maar goed dat is meer voor mezelf.” Dat Peter is omgekomen tijdens het uitoefenen van zijn passie en niet door een dom auto ongeluk doet Wilfried goed. Het heeft hem dan ook niet weerhouden van het klimmen. “Het doet je realiseren dat je de dingen die je wil niet moet uitstellen, want het kan zomaar voorbij zijn. Tuurlijk heb ik angst, dat is heel natuurlijk in een dergelijke omgeving, maar ik raak niet in paniek. Het is een kwestie van doorademen en doorgaan.” Wilfried is dan ook niet bang voor de dood en realiseert zich dat hij een risico neemt tijdens een klim. “Maar dood gaan we toch, dat kan ook thuis gebeuren. Klimmen is de enige bezigheid die mij nog altijd blijft fascineren, daar ben ik nog lang niet op uitgekeken.”

De extreme routes zoekt Wilfried niet meer op. Hij voelt niet de behoefte om dat met iemand anders te doen. “Fysiek gaat dat ook niet meer nu, maar ik denk sowieso niet dat ik een geschikt iemand zou vinden. Je moet volledig kunnen vertrouwen op je klimpartner. Wanneer die een fout maakt ben je of alleen weg of allebei weg, je hangt toch maar aan een touwtje.” Hij benadrukt: “je moet er echt 100 procent op kunnen vertrouwen dat je klimpartner weet wat hij doet. Je moet allebei weten wat te doen als iets fout gaat, een oplossend vermogen, dat moet je hebben. Peter en ik hadden dat allebei en konden daarom ook op elkaar vertrouwen. We waren een goed team.”

Peter overleed op 12 september 2016. Hij is 46 jaar geworden.

Reageer op dit artikel