De schaduwkant van bijles

Bijles lijkt een hype. Een kwart van de achtstegroepers krijgt het volgens het Centraal Bureau voor Statistiek. Een hoger schooladvies als doel van de bijles is zorgelijk, zegt onderwijskundige Ingeborg Dijkstra. Is bijles voor basisschoolkinderen verantwoord?   

‘Ik kan het niet’, zegt mijn zesjarige bijlesleerling wanneer ik voor het eerst bij haar thuis langskom. Eenmaal aan de slag met haar rekenwerk, maakt ze de ene na de andere vraag goed, maar – zegt ze: “De juf zegt dat ik achterblijf.’’ 
 
“Anekdotes als deze geven mij kippenvel’, vertelt Ingeborg Dijkstra, onderwijsdeskundige en eigenaar van opvoedkundige praktijk Stepping Stones. “Het huidige schoolsysteem is prestatiegericht. Kinderen die hoge cijfers halen, krijgen een vwo-schooladvies. Toch geven cijfers geen indicatie van andere kwaliteiten van een kind. Ouders lijken dat soms te vergeten.’’ In haar praktijk komen geregeld ouders langs, die bijles zoeken om een hoger middelbare schooladvies te krijgen voor hun kind. “Daarbij staat dus niet het kind, maar de wens van de ouders centraal. Dat verlangen zit soms zo diep dat het kind een spelcomputer krijgt als het een havo in plaats van een vmbo-advies krijgt.’’ 

De gemiddelde uitgaven aan bijlessen groeide de afgelopen jaren explosief. Volgens nieuwe cijfers van het Centraal Bureau Statistiek werd in 2019 in totaal 320 miljoen euro uitgegeven aan bijles, een jaar eerder was dat nog 284 miljoen. Hoewel bijles aan populariteit wint, betwijfelt Dijkstra of het slim is om jonge kinderen bijles te geven. “Wanneer je een kind in groep vier rekenbijles geeft, zal naar alle waarschijnlijkheid het ook extra hulp nodig hebben in hogere groepen. Wanneer hij of zij vervolgens naar de brugklas gaat, komt wiskunde om de hoek kijken. Dan zal nog meer hulp nodig zijn.’’ 

Bijles voor zesjarigen 
Hoewel de onderwijsdeskundige betwijfelt of basisschoolleerlingen bijles geven zinvol is, biedt Natasja Esmeijer bijlessen aan kinderen vanaf zes jaar. Esmeijer startte in 2012 de praktijk Beeldig Brein. “In het reguliere onderwijs wordt veel gewerkt vanuit talige methodes. Dit sluit aan op de leermethode van kinderen die leren met hun linkerhersenhelft. Een deel van de kinderen leert echter vanuit hun rechterhersenhelft: zij hebben een beeld nodig voor ze kunnen leren. Zij willen het waarom en het hoe weten voordat het kwartje valt. Zij lopen al in de eerste groepen hier tegen aan. Daarom is het voor deze kinderen zinvol om al jong ondersteund te worden. Wanneer je jong leert, hoe jij het beste leert, heb je daar later profijt van. Als ze op latere leeftijd pas begeleiding krijgen, zijn ze gefrustreerd omdat leren niet lukt. Dan zie je dat leerlingen het idee hebben dat ze slecht zijn in schoolwerk. Zo’n negatief zelfbeeld is schadelijk voor een kind.’’ 

Zowel Esmeijer als Dijkstra willen binnen hun praktijken deze negatieve gedachten tegen gaan. Ze zijn het eens dat het geven van vertrouwen aan een kind het uitgangspunt moet zijn bij bijlessen. Toch is dit lang niet altijd het doel van ouders die aankloppen voor bijles. Dijkstra: “Wanneer ouders bijles vragen omdat hun kind op een vmbo-schooladvies afgaat, ga ik altijd met hen het gesprek aan. Ik geloof dat kinderen op het voor hen juiste niveau terecht moeten komen. Niet op het hoogste. Wanneer een kind dat op het vmbo past, op zijn tenen moet lopen op de havo, heeft dat gevolgen voor de mentale gezondheid van het kind. Daarom geef ik geen bijlessen waarvan het enige doel een hogere cito-score is.’’  
 
Stigma’s  
Zelfvertrouwen bieden, in plaats van een hoog schoolniveau. Vier maanden geleden bood ik mijn hulp om dezelfde reden aan de moeder van mijn bijlesleerling aan. Toch heeft het meisje het idee dat ik langskom omdat ze moeite heeft met rekenen. Wanneer een som niet lukt, legt ze haar hoofd in haar armen op tafel en zegt: “Ik snap het niet’. Ze legt me uit dat het haar opviel in de klas: zij kon de sommen niet, de andere kinderen wel. Haar conclusie: ze kan niet rekenen.  
 
“We moeten oppassen dat we kinderen niet te jong al in een hokje stoppen’, vertelt Dijkstra. “Een kind dat niet goed is in rekenen, kan misschien prachtig tekenen of handwerken. In plaats van benadrukken wat het kind niet goed kan, moeten we complimenteren wat wel goed gaat.’’ Als moeder van drie kinderen heeft ze gezien dat de een beter op vwo past en de ander beter op het vmbo. “Mijn zoon is goed met zijn handen, dus was op het vwo doodongelukkig geworden. Het vmbo was voor hem de juiste plek. Het is zo zonde dat er een negatief stigma om het vmbo hangt, waardoor kinderen gepusht worden om boven hun kunnen te presteren.’’  
 
Uit cijfers van het Nederlands Jeugdinstituut blijkt dat twintig procent van de jongeren na groep acht naar het vmbo gaat. Ondanks de grote van deze groep, ziet ook Esmeijer het negatieve stigma in haar praktijk. “Soms is het beter als een kind een klas dubbelt, zodat het meer tijd heeft om de stof bij te benen. Daar zou geen schaamte bij moeten komen kijken, helaas is dat vaak wel zo. Ieder kind werkt op zijn eigen niveau, op zijn eigen tempo. Dat moet centraal staan.’’  

Ook Dijkstra ziet de gevolgen van de prestatiecultuur in het onderwijs: “Kinderen die gepusht zijn om naar een hoger schoolniveau te gaan, stromen later toch naar een ander niveau. Het vwo is niet vol te houden voor een leerling die op havo of vmbo thuishoort. Afstromen kan ook zorgen voor dalend zelfvertrouwen bij het kind. Het kind krijgt bijvoorbeeld het idee dat het niet goed genoeg was voor het niveau waarop het startte. ’’ Afstromen is geen uitzondering: maar liefst 58 procent van de middelbare scholieren die op de havo starten, stomen af of dubbelen een jaar, zo blijkt uit cijfers van de Onderwijsinspectie. Op het vwo gaat het om 42 procent van de leerlingen.  

Kansengelijkheid 
De invloed van stigma’s is niet het enige hete hangijzer in dit verhaal. Een ander aspect is de kansengelijkheid die beïnvloed wordt door commerciële bijlesinstanties. Bijlessen zijn meestal niet gratis. Ouders met een kleinere portemonnee, hebben minder toegang tot bijlessen voor hun kinderen. “Ik vind dat moeilijk’, zegt Esmeijer,’mijn prijzen hou ik zo laag mogelijk, zodat ieder kind terecht kan. Toch snap ik dat ouders met een lager budget niet snel aankloppen, omdat ze denken het niet te kunnen betalen. Natuurlijk zou ik het liefst ieder kind helpen, helaas lukt dat nog niet.’’  

Dijkstra loopt hier tevens tegen aan: “Als ik eerlijk ben, moet ik zeggen dat ik vooral gezinnen uit de midden- en hogere economische klasse zie. Gezinnen die minder te besteden hebben, komen niet.’’ De Onderwijsraad ziet de vraag naar betaalde bijles ook stijgen. Momenteel werkt de raad aan een rapport en advies over de kwestie, laat woordvoerder Sandra Loois weten. 
 
Het brengt me terug naar de keukentafel van mijn bijlesleerling. Ik ben geen vrijwilliger bij de instantie; via het bijlesnetwerk word ik betaald door de ouders van mijn leerlingen. Wanneer de rekenschriften weer in mijn tas verdwijnen, voer ik mijn uren online in. Uren van bijles aan een leerling wiens ouders mij kunnen en willen betalen. Of er ergens in mijn buurt een kind met rekenproblemen, maar zonder bijlesbudget zit, weet ik niet.  

Emma Roelse is oproepkracht bij een bijlesnetwerk in Tilburg. In dit artikel worden haar ervaringen gedeeld.  

Reageer op dit artikel