‘Het zijn de hoogte- en dieptepunten die een leven maken’

Mijn opa is 77 jaar oud. In zijn leven heeft hij oorlog, liefde, dood en geluk gezien. Vanuit zijn vaste stoel, naast de verwarming en niet te ver van de tv vandaan, neemt hij me mee door zijn leven.

Thijs Hurkmans, mijn opa, werd geboren in Helmond in 1943, tijdens de oorlog. “Ik kan me nog herinneren dat de Duitsers zich in 1945 richting Deurne terugtrokken. Ik zag ze door mijn straat lopen.” Als klein jongetje wist hij niet precies waar hij naar keek. “Er werd me verteld dat de Duitsers teruggingen naar Duitsland, maar wat dat inhield wist ik niet.” Ik vraag hem of hij er nu nog wel eens aan terug moet denken. “Dat niet per sé, maar het heeft wel indruk gemaakt. Ik heb een hekel aan harde geluiden en knallen. Ik denk dat ik dat over heb gehouden aan de oorlog.”

Diensttijd bij de landmacht

Ondanks de nare herinneringen aan de oorlog heeft mijn opa ook in dienst gezeten. “Dat deed je vroeger gewoon. Mijn oudere broer en ik werden opgeroepen en dan ging je in dienst.” Vanaf zijn 19e maakte hij voor 21 maanden deel uit van de landmacht. “Ik zat bij de luchtdoelafweer, bij de kanonnen. Daar was ik radiotelefonist, dus ik had contact met degenen die de kanonnen bemanden.”

Hij vertelt me dat hij ook verantwoordelijk was voor het opladen van de accu’s om machines draaiende te houden. ’s Ochtends hing hij de accu’s aan de oplader, waarna hij de rest van de dag vrij was. “Meestal ging ik dan slapen, want dat kwam er ’s nachts niet altijd van”, vertelt hij lachend. Ik vraag wat hij daarmee bedoelt. Hij begint te glimlachen als hij terugdenkt aan zijn diensttijd. “Nou ik was natuurlijk ook gewoon jong. Een paar avonden in de week gingen we van de basis af om naar feestjes te gaan. Als we dan rond een uur of 2 ’s nachts thuis kwamen, moesten we over het hek klimmen om terug naar je gebouw te komen.” Hij vertelt dat je de basis niet op mocht als je flink wat biertjes had gehad. “Dan wist je dat je straf kreeg.”

Ik vraag hem ook of hij het nooit eng vond om in dienst te zijn. “Ik ben natuurlijk nooit uitgezonden, dat scheelt al veel. Mijn tijd in dienst was heel fijn. Ik heb er veel vrienden gemaakt, zelfs uit Amsterdam en Den Haag.” Die vriendschappen bleven nog even toen zijn diensttijd er op zat. “Ze zijn me een keer op komen zoeken, toen gingen we naar het café in Volkel waar we tijdens onze diensttijd vaak kwamen. Toen kende ik je oma net twee weken.”

Oma en het café

Mijn oma, Marijke, was 16 toen ze mijn opa leerde kennen. Zijn blik dwaalt af terwijl hij de herinnering terug haalt. “Ik was 21 en een vriend van me vertelde me over een café in Mierlo dat gokkasten had waar je voor een dubbeltje op kon spelen. Een keer toen ik aan het spelen was en ik even opkeek van de gokkast zag ik haar met wat vriendinnen zitten in het café.” ‘En toen,’ vraag ik hem, ‘Hoe ging dat vroeger dan?’ “We zijn aan de praat geraakt en na een tijdje vroeg ik of ze bij me wilde komen zitten. Dat was op 19 april 1964, sindsdien zijn we bij elkaar.”

Mijn opa en oma die jong zijn en daten, dat kan ik me lastig voorstellen. ‘Hoe ging dat daten vroeger dan?’ vraag ik hem en hij begint enthousiast te vertellen: “We zagen elkaar wel vaak. Meestal iedere woensdag, de zogenaamde ‘stierenavond’, en in het weekend.” Hij vertelt me dat ze in het weekend al vrij snel bij elkaar bleven slapen. Ik vraag hem of dat toen mocht. “Niet op dezelfde kamer natuurlijk. Ik sliep bij haar broers en zij sliep op haar kamer bij haar zussen.” Als ze samen waren, gingen ze vaak naar het café waar ze elkaar hebben leren kennen. “Soms om gewoon even wat te drinken en soms om wat geld te verliezen aan de gokkasten. We hebben er hele avonden doorgebracht”, vertelt hij.

Friet eten tijdens de nachtdienst

Ondertussen werkte hij ook bij Philips. Toen hij 13 jaar oud was, mocht hij naar de Jongens Nijverheidsopleiding, die opgericht was door Philips. “Ik wilde een vak leren, en het voordeel van deze opleiding is dat je gegarandeerd een baan kreeg bij Philips als je geslaagd was.” Met uitzondering van zijn bijna 2 jaar in dienst, heeft mijn opa vanaf zijn 17e tot aan zijn pensioen in 2004 bij Philips gewerkt. “Mijn vak was draaier. Ik moest een as maken op de draaibank en daar onderdelen mee maken. Dat heb ik 44 jaar gedaan.”

Het werk wat mijn opa deed was ploegenwerk, wat inhield dat hij afwisselend ’s nachts of overdag moest werken. Nachtdiensten waren van 22.30 ‘s avonds uur tot 7.15 uur ’s ochtends. “Ik werd opgehaald met de Vipre bus, die maatschappij was door Philips aangewezen om de ploegenwerkers op te halen.” Ik vraag hem of hij het nooit vervelend vond om ’s nachts te werken. “Nee dat vond ik zo leuk om te doen. Je had veel vrije tijd. ’s Avonds was er geen leidinggevende meer dus dan werd je niet zo op je vingers gekeken.”

Hij vertelt me over het friet bakken tijdens de avondpauzes. “Dat mocht helemaal niet op de afdeling, maar ik had een friteuse meegenomen en dan gooiden we wat friet en snacks in het vet.” Eén keer zijn ze betrapt. “De grote chef kwam binnen toen we met een man of 12 aan de grote tafel friet zaten te eten. Die was natuurlijk kwaad, maar we deden allemaal ons werk heel goed dus hij kon ons niets maken”, zegt hij lachend.

Vakman van het jaar

Mijn opa deed zijn werk zo goed dat hij in 1998 vakman van het jaar is geworden. Dat werd je als je dat jaar iets uitzonderlijks gepresteerd had. “Ik moest dat jaar naar Zwitserland om een cursus te volgen zodat ik een machine van een miljoen gulden kon bedienen.” Hij vertelt me dat de machine een boven matrijs en een onder matrijs had, die precies op elkaar moesten passen zodat er kunststof in gespoten kon worden, waarmee producten gemaakt konden worden. “Dat was toen een hele prestatie. Bij de uitreiking van vakman van het jaar heb ik ook Frits Philips ontmoet. Dat was wel echt een van de hoogtepunten.”

Het harde werken werd op zijn tijd afgewisseld met de nodige vakanties. Mijn oom werd in 1968 geboren en twee jaar later kwam mijn moeder. “Er verandert natuurlijk veel als je kinderen krijgt, maar dat was wel een mooie tijd.” Al snel gingen ze ieder jaar op vakantie. De eerste paar jaar waren het vakanties in Nederland, naar campings in Limburg en Zeeland. “In 1977 zijn we voor het eerst naar het buitenland op vakantie geweest. We gingen naar een plaatsje in Italië aan de Adriatische Zee.” Mijn opa vertelt dat de zus van mijn oma en haar man ook mee gingen. “De reis daar naartoe zal ik nooit vergeten. In die tijd was de Gotthardtunnel er nog niet, dus moesten we over de Gotthardpas. Daar zijn we, midden in de zomer onderweg naar Italië, gestopt om sneeuwballen te gooien omdat er zo veel sneeuw lag.”

Herinneringen aan mijn moeder

In 2002 overleed mijn moeder als gevolg van een auto-ongeluk. “Sindsdien gaat het minder met ons. We zijn minder vrolijk, want je wordt er iedere dag weer mee geconfronteerd. Gelukkig hebben we nog alle herinneringen.” Hij vertelt vooral over de herinneringen van de vakanties en ondertussen komen er wat foto’s tevoorschijn. “Toen ze wat ouder was gingen we met haar en twee nichtjes op vakantie. Ze hield van paarden en paardrijden dus we hadden uitgezocht of dat daar kon.” Hij laat me een foto zien van een jonge versie van mijn moeder op een paard. “Deze foto hebben we toen gemaakt.”

Mijn opa heeft pauze nodig, en het gesprek stopt even. Na een paar minuten gaat hij verder: “Het blijft toch lastig om het daarover te hebben, hè. Ik wil er nu ook niet verder over praten.” Hij omschrijft het verliezen van mijn moeder, begrijpelijk, als een van de diepste dieptepunten uit zijn leven. “Het zijn de hoogte- en dieptepunten die een leven maken.”

Reageer op dit artikel