Melanie (22): ‘Ik probeerde zelfmoord te plegen’

k had net honderd pillen achter mijn kiezen toen ik dacht: shit, ik kan het nu niet doen.” Tijdens Melanie’s (22) eerste zelfmoordpoging redde ze zichzelf. Haar borderline persoonlijkheidsstoornis maakte haar leven ondraaglijk. Ongeveer 1 procent van de Nederlandse bevolking, zo’n 150.000 tot 200.000 mensen, lijdt aan borderline.

Verlatingsangst, psychotisch, emotionele schommelingen, dissociatie en suïcide gedachtes en pogingen zijn maar een aantal kenmerken van borderline. Borderline, ook wel emotieregulatie stoornis, komt in Nederland voor bij zo’n 150.000 tot 200.000 mensen. Het grootste gedeelte daarvan bestaat uit jongvolwassen vrouwen. Het precieze aantal is moeilijk vast te stellen omdat veel mensen alleen voor een aantal symptomen worden behandeld.

Zelfmoordpoging

In 2016 pleegden 1895 mensen zelfmoord volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Zo’n 40 procent was in behandeling bij een ggz-instelling. Een groot deel van de slachtoffers lijdt aan borderline. Ook Melanie was daar bijna één van. Toch zit deze sterke jonge vrouw in het kantoor van Stichting Borderline in Utrecht. Ze heeft een make-uploos gezicht, donkerblond haar en blauwe ogen. In haar oren heeft ze tunnels en haar arm is versierd met tatoeages. Met haar linkerhand wrijft ze over haar pols waar een aantal littekens te zien zijn. Ze trekt haar mouw omlaag en stroopt hem dan weer op. Ze lacht en uit haar ogen is moed af te lezen.

“Mijn eerste zelfmoordpoging had ik best lang gepland. Ik spaarde medicijnen op en dacht op een gegeven moment: nu is het klaar. Ik besloot honderd pillen in te nemen.” In de periode van haar zelfmoordpoging had Melanie een groot blog waarop ze een bericht plaatste waarin stond dat ze voor altijd weg zou gaan. Nadat ze de pillen achter haar kiezen had, kreeg ze een berichtje binnen. Iemand schreef haar: je vader en zusje zijn net je moeder verloren, nu gaan ze jou ook nog verliezen. “Toen ik dat las raakte ik in paniek: shit, ik kan het nu niet doen. Nog steeds wilde ik dood, maar dit was niet het goede moment.”

Melanie besloot zelf 113 (zelfmoordpreventielijn) te bellen. De vrouw aan de telefoon zei dat ze snel contact moest opnemen met 112. Dat wilde ze niet. Anderen zouden 112 op dat moment harder nodig hebben dan zij. “Misschien had ook dat weer te maken met het feit dat ik mezelf altijd minder waard vind dan anderen. De vrouw aan de telefoon raadde me aan over te geven, maar ook dat kon ik niet. Met moeite ben ik naar beneden gelopen, waar mijn vader zat. ‘Ik heb pillen geslikt.’ Het drong niet tot hem door wat ik bedoelde, tot ik ‘Heel veel pillen. Te veel’ zei.” Op dat moment raakte haar vader in paniek. Hij bracht haar meteen naar het ziekenhuis. Vanaf dat moment weet ze niet veel meer. Met spoed werd ze per ambulance van het ene naar het andere ziekenhuis gebracht. “ ’s Nachts werd ik wakker. Ik herkende de ruimte niet. Later bleek ik op een gesloten afdeling van het ziekenhuis te liggen na een zelfmoordpoging.”

De volgende dag mocht ze weer naar huis omdat ze zelf hulp zocht tijdens haar zelfmoordpoging. “Toen ik weer thuis was voelde alles alsof het net niet echt was. Ik zat weer op mijn kamer en dacht: wow, ik had hier gisteren gewoon dood kunnen liggen. Nu sta ik hier toch. Eigenlijk voelde ik me daardoor totaal niet serieus genomen. Ik wilde nog steeds net zo graag dood, maar mocht wel naar huis.” Melanie vond het eng en raar omdat de kans op een volgende poging groot was, maar ze haar alsnog lieten gaan. “Ik was bang voor mezelf, want mijn gedachten kunnen soms zo overtuigend zijn. Ik voel dan een drang van binnen. Dat is ook de reden dat ik hulp inschakel. Aan de ene kant wil ik dood, aan de andere kant ben ik bang dat ik de strijd verlies. Een strijd tegen mijn eigen gedachten. Ik voel me dan heel gevangen, omdat ik er niet uitkom. De drang naar zelfbeschadiging is moeilijk te negeren op die momenten. Meestal zoek ik dan hulp, maar soms geef ik er aan toe.”

Zelfbeschadiging

Naast zelfmoordpogingen is ook zelfbeschadiging een symptoom van borderline. Zo’n 0,01 tot 4 procent van de Nederlandse volwassenen verwondt zichzelf bewust. Ook Melanie heeft naast haar drie pogingen jaren zichzelf beschadigd. Op de kliniek waar ze een jaar verbleef dwongen ze haar te stoppen, maar dat werkte niet. Uiteindelijk zorgde Melanie ervoor dat het gedoogd werd, omdat het haar hielp tot rust te komen. Niets anders werkte. Voor het eerst heeft de kliniek iemand toestemming gegeven door te gaan met zelfbeschadiging.

“Voordat ik naar de kliniek ging, deed ik dat zo’n zes keer per dag: branden, krassen en knijpen, maar vooral snijden. Nu ongeveer één keer per maand. Vroeger was het vooral tegen boosheid omdat ik het moeilijk vond om die emotie te voelen en te uiten. Wanneer ik boos ben op een ander, reageer ik het altijd af op mezelf door mijn zelfhaat. Emoties voelden altijd heel overweldigend alsof er een put openging die ik niet dicht kon krijgen. Ik voelde angst bij elke emotie. Nu voelt elke emotie vooral als spanning. Dat is heel vermoeiend. Zelfbeschadiging is op zulke momenten een soort pijnstiller.”

Melanie heeft, zoals ze het zelf noemt, een haat-liefdeverhouding met zelfbeschadiging: “Ik haat mijn littekens, maar het helpt me in leven te blijven. Als ik er naar kijk heb ik ergens heel veel spijt, want het is heel lelijk, maar zonder mijn littekens was ik er niet meer geweest.” Terwijl ze naar haar arm kijkt knikt ze. “Ja,” zegt ze. Ze realiseert zich dat ze haar leven hebben gered.

Thuis

In de periode na Melanie’s eerste zelfmoordpoging ging haar familie met haar om alsof ze heel breekbaar was. Heel angstig. Ze deden lief en heel voorzichtig. Melanie merkte dat ze niet alles durfden te zeggen. Daarnaast kwamen ze vaak op haar kamer kijken of alles oké was. Of ze nog leefde. Natuurlijk begreep ze het wel, maar het was naar.

Na haar eerste poging heeft ze nog eens een poging gedaan. Ook was ze een derde van plan. “Sommige mensen springen voor de trein en daar kunnen mensen heel boos om worden: het is egoïstisch en dat kun je een ander niet aan doen. Maar het moment dat je jezelf van het leven wilt beroven zit je in een zwarte tunnel. Er is niks. Gewoon helemaal niks. Dat is niet anders te beschrijven.”

Laag zelfbeeld

Toen ze in groep zeven van de basisschool zat begon het. Melanie heeft een laag zelfbeeld: ze vindt zichzelf en haar lichaam heel lelijk. Alles dat ze doet is niet goed genoeg. “Altijd ben ik minder waard dan anderen. Door mijn laag zelfbeeld begon ik mezelf te beschadigen. Toen ik een jaar of dertien, veertien was, heb ik eens naar mijn moeder geuit dat ik het leven niet mooi vond.” Ondanks dat ze toen nog niet heel suïcidaal was, werd haar moeder heel boos door haar opmerking omdat iemand uit hun familie ooit een poging heeft gedaan. Het was een soort taboe geworden binnen de familie. Melanie besloot haar masker weer op te zetten, zelfverzekerd over te komen en haar mond te houden. Ze hield dit vol tot haar negentiende. “Toen wilde ik echt dood. Ik verloor mijn moeder op mijn achttiende en het half jaar na haar dood was vooral proberen te overleven. Toen mijn verjaardag eraan kwam ben ik helemaal ingestort. Vanaf dat moment raakte ik depressief en suïcidaal.”

Illustratie door Carlijn van der Leede

Geen Borderline

Borderline is een stoornis die moeilijk is vast te stellen; er zijn veel symptomen en niet iedereen heeft ze allemaal. Ook wordt er vaak gedacht dat het onbehandelbaar is. Onbehandelbaar is volgens Jan de Waal, verpleegkundig specialist en behandelinhoudelijk deskundige bij het Rijnstate ziekenhuis van Arnhem, niet de juiste term: “Als je het vroegtijdig herkent en als de desbetreffende persoon het zelf ook inziet, dan kun je de juiste behandeling vinden.”

Volgens De Waal is het wel moeilijk om voor je 23ste leeftijd over een persoonlijkheidsstoornis te spreken. Het brein is niet voldoende ontwikkeld en veel symptomen zijn vergelijkbaar met die van de pubertijd. “Vaak zie je bij jeugdpsychiatrie wel ontwikkelingen van problematiek, maar het vaststellen van een persoonlijkheidsstoornis is moeilijk. Toch betekent het niet dat jongeren niet behandeld kunnen worden. We moeten alleen voorzichtig zijn dat we de stempel ‘borderline’ of persoonlijkheidsstoornis niet te snel zetten. Artsen werken daar voorzichtig mee.”

Ook bij Melanie was dit het geval. Haar therapeut zei dat ze een langdurige onderliggende depressie had. Ze heeft haar aangemeld voor Vaardigheidstraining Emotie Regulatie Stoornis (VERS), waar ze in een groep terechtkwam bij mensen met borderline. “Toen zij hierover vertelden herkende ik het en dacht ik: wow, dat heb ik ook. Na dat ik dit heb aangegeven bij mijn psycholoog, weigerde ze het te onderzoeken. Ze zei: ‘dat wil je niet hebben, Melanie. Dat onderzoek krijg je niet.’ Ik weigerde te luisteren en heb me aangemeld bij een kliniek. Daar kreeg ik pas een psychologisch onderzoek, waaruit is gebleken dat ik inderdaad borderline heb. In het begin voelde ik me totaal niet serieus genomen.” Voor Melanie was dit ontzettend frustrerend omdat ze eindelijk een vinger kon leggen op wat er aan de hand was, maar er niets mee werd gedaan. Naast haar psycholoog werd ze ook niet serieus genomen door haar omgeving. Haar beste vriendin en zusje hadden een beeld van borderline dat heel veel mensen hebben: dat iedereen met borderline last heeft van stemmingswisselingen, woede aanvallen en manipulatie. Zij voldeed daar niet aan. Nadat ze heeft uitgelegd dat er meerdere vormen van deze persoonlijkheidsstoornis zijn, geloofden ze haar.

Online tests zijn vooral een probleem in deze tijd, vindt De Waal. “Artsen weten dat mensen snel zelf conclusies trekken. Zo zijn er misschien mensen met borderline die door zo’n test op een heel andere stoornis uitkomen en zelf conclusies trekken. Met die aannames vragen zij enkel voor die uitkomst een onderzoek aan. Zo zijn er misschien ook mensen die juist denken dat ze borderline hebben terwijl er wellicht iets totaal anders aan de hand is. Als we telkens verkeerde strategieën gebruiken, dan gaan we vastlopen en dan werkt een behandeling niet.”

Klinische opname

“Na open- en gesloten opnames en therapieën ben ik uiteindelijk naar een kliniek gegaan. Voordat ik naar de kliniek vertrok was mijn leven erg naar. Toen ik stopte met de therapie ging het nog slecht met me: ik zat op het randje tussen leven en dood. Er werd me verteld dat ik moest accepteren dat mijn leven rot was, dat ik me nooit helemaal goed zou voelen. Dat deed me slecht. Als de rest van mijn leven er zo uit zou zien, dan heb ik het er niet voor over om ervoor te vechten.

Ik verbleef een jaar lang in een kliniek met 18 jongeren met persoonlijkheidsproblematiek. Het eerste moment dat ik in de kliniek kwam was heftig. Iedereen had zijn eigen problemen. Zelf heb ik sowieso angst voor mensen. Daarnaast plaats ik mezelf altijd onder anderen. Ik stelde me naar mijn gevoel erg aan en anderen hadden het altijd erger. Met die gedachten is een kliniek dus best wel heftig.”

Melanie vond het zwaar in de kliniek waar ze zes dagen in de week therapie volgde. ’s Avonds mocht ze even weg en in het weekend mocht ze naar huis. “Het voelde heel anders dan toen ik twee maanden ervoor vier weken in een gesloten kliniek verbleef. Daarvoor liep ik bij een crisisafdeling. Dit hield in dat ik er terecht kon wanneer ik het nodig had. Op een dag had ik gedropt dat ik niet meer terug zou komen. Een zuster heeft mijn behandelaar meteen ingelicht omdat ze wist dat ik iets van plan was. Op 28 december wilde ik alweer een eind maken aan mijn leven. Ik werd gebeld door mijn behandelaar die me zei dat ik kon kiezen: een vrijwillige of gedwongen gesloten opname. Ik koos voor een vrijwillige opname met de hoop dat ik snel weg mocht. Toch betekende vrijwillig niet dat ik vrijheid kreeg: zolang de deuren gesloten waren moest ik binnen zitten. Het was naar. In een gesloten kliniek zitten veel mensen in psychose. Iedereen daar had heftige problemen. Ik was er omdat ik dood wilde. De eerste avond was ik erg bang. Mijn buurvrouw was ‘m geflipt en begon alle meubels tegen de muren aan te gooien en te schreeuwen. Daar lag ik dan: doodstil en bang in bed. Tijdens de tweede week ontmoette ik een jongen die mij vroeg waarom ik er zat. Nadat ik over mijn zelfmoordpogingen vertelde, zei hij dat hij zijn buurvrouw probeerde te vermoorden. Ik schrok ervan. Buiten dat was hij heel aardig, maar ik voelde me op de een of andere manier toch onveilig omdat ik zelf nog helder bij geest was.

In de periode dat ik in de gesloten kliniek verbleef heb ik me heel eenzaam gevoeld. Uiteindelijk mocht ik na een maand naar huis. Een maand klinkt kort, maar het leek een eeuwigheid te duren.”

Niet iedereen met borderline wordt klinisch opgenomen. Dit heeft te maken met het feit dat artsen willen voorkomen dat de cliënten weglopen voor hun problemen. “Mensen met borderline zien een opname in een kliniek vaak als een veilige omgeving, maar uiteindelijk worden ze uit het ziekenhuis ontslagen en na een tijdje komen ze voor hetzelfde terug. Dit omdat het opsluiten van jezelf je probleem niet zal oplossen,” vindt Jan de Waal. “Je ontneemt iemand zijn relaties, werk- en thuissituatie. Wanneer iemand weer terug naar huis kan, komt dat allemaal onder druk te staan. Je haalt iemand uit de crisis waarin hij verkeert, maar ondertussen blijven zijn problemen bestaan. Voor die persoon is het moeilijk om dan weer terug te keren en voor altijd in een kliniek verblijven is onmogelijk.” Volgens De Waal is het leren omgaan met problemen de juiste behandeling.

De behandeling

Voor Borderline persoonlijkheidsstoornis zijn er meerdere behandelingen zoals Dialectische gedragstherapie, schematherapie, psychodynamisch en psychoanalystisch georiënteerde psychotherapie, relationship management en cognitief analytische therapie. Het verschilt per cliënt en per vorm van de persoonlijkheidsstoornis welke behandeling het beste aansluit. Zo bestaat er Dialectische gedragstherapie (DGT) waarbij patiënten zichzelf leren accepteren. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan emotieregulatie.

Bij Schematherapie (SCT) wordt er vanuit gegaan dat ieder mens tijdens zijn jeugd schema’s vormt over de werkelijkheid. Wanneer er aan basisbehoeften wordt voldaan, zullen zich gezonde schema’s ontwikkelen. Dit zal ervoor zorgen dat er een positief zelf- en wereldbeeld ontstaat. Wanneer er niet aan deze behoeften wordt voldaan door tekortkomingen of traumatische gebeurtenissen, kan dit leiden tot stoornissen.

Een ander voorbeeld is cognitief analytische therapie (CAT) waarbij de aandacht vooral ligt op het begrijpen en veranderen van bepaalde gedragspatronen. Er worden verklaringen opgesteld voor het zich herhalende gedrag van de patiënt. Door middel van een onderzoek wordt gekeken naar mogelijkheden om het gedrag te veranderen.

Dagelijks leven

“Borderline heeft me in mijn dagelijks leven vaak beperkt. Ik kon niet werken en stopte met mijn studie. Ik was bang voor mensen: relaties aangaan vond ik altijd al moeilijk. Het is niet alleen lastig voor mezelf, maar ook voor de ander. Daarnaast heb ik nooit begrepen dat iemand mij leuk zou kunnen vinden. Mijn lichaam zit vol littekens. Mijn ex vond me te heftig, omdat ik suïcidaal en depressief was. Als ik iemand ontmoet heb ik geen idee hoe of wanneer ik hem alles moet vertellen. Ook dacht ik altijd dat ik genoegen moest nemen met de eerste die het accepteert omdat ik denk dat ik niemand anders zal kunnen krijgen. Ik ben bang dat anderen naar mij kijken op de manier waarop ik naar mezelf kijk. Dat is de reden dat ik ging isoleren. Na maanden in de kliniek, open- en gesloten afdelingen en individuele therapie ben ik weer goed op weg. De periode van klinieken en opnames was vooral pleisters plakken op een grote openwond, maar uiteindelijk heeft de kliniek me goed gedaan. Het heeft dan ook meer dan vier jaar geduurd, maar nu gaat het beter met me: ik ga steeds meer in gesprek met mensen en komend schooljaar hoop ik weer te studeren. Ondanks dat het eng blijft, leer ik er steeds beter mee omgaan.

Natuurlijk weet ik dat het elk moment weer helemaal mis kan gaan, maar ik vecht er weer voor. Ook werk ik nu al 1,5 jaar bij Stichting Borderline. Ik vind het fijn om anderen te kunnen helpen met wat ik heb meegemaakt. Natuurlijk is het niet altijd makkelijk, maar als je iets niet probeert, dan kom je er nooit achter.”

Reageer op dit artikel